Bekijk het origineel

Bedums klacht.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bedums klacht.

24 minuten leestijd

Het bezwaarschrift van Bedums leeraar, ouderlingen en diakenen achten we aan onze lezers niet te mogen onthouden.

Ernstig toezicht op de zuivere belijdenis der waarheid is roeping.

Misschien zou men kunnen vragen, of niet alleen de leeraar, maar ook elk dezer broederen ouderlingen en diakenen, zich de Encyclopaedie van Dr, Kuyper hebben aangeschaft, en of het hun gelukt is, hiervan ook maar iets ter zake dienende te begrijpen. Zelfs mag de vraag opgeworpen, of het niet beter ware geweest, bijaldien de leeraar persoonlijk zijne bedenkingen tegen dit werk had opgezonden, en de ouderlingen en diakenen zijner kerk uitsluitend had laten klagen over wat de beginselen van de belijdenis raakt Maar ook al klinkt het nu wel eenigszins vreemd, de leden van een plattelandskerk breed over allerlei philosöphische en methodologische quaestiën te hooren uitweiden, dit dingt op het goed recht der klagers in het minst niet af.

Dat de klagers, de klacht nu als ééngeheel genomen, ten onrechte klagen staat bij ons vast, en de classis van Leiden, waar soortgelijk voorstel aan de orde was gesteld, heeft dan ook met algemeene "stemmen op twee na, ook op advies van Ds. Proosdij, van al zulk voornemen afgezien.

Maar het recht van optreden van dezen Bedumschen leeraar, deze Bedumsche ouderlingen en deze Bedumsche diakenen taste niemand aan, en dat ze aan den schrijver dezes van hun breede klacht afschrift zonden, wordt onzerzijds gewaardeerd als een vriendelijke beleefdheid.

Die klacht luidt dan als volgt: '

COPIE.

BEZWAARSCHRIFT

tegen Prof. Dr. A. Kuyper, opgezonden a/d Heeren Deputaten v. h. verband tusschen de Geref. Kerken en de Vrije Universiteit, Faculteit Theologie,

door den Kerkeraad der Geref. Kerk te Bedum (A), op dato Mei 1896.

Onze bezwaren betreffen:

I. De opvatting der Theologie, zooals die inzonderheid is ontwikkeld in de «Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid."

II. Eenige leerstellingen aangaande den weg der zaligheid.

III. De behandeling der H. Schrift, in verband met het bovengenoemde.

De Kerkeraad meent, dat Dr. Kuyper dienaangaande niet in overeenstemming is met de leer, welke de Geref. Kerken in hare Belijdenisschriften belijden, noch met de H. Schrift; waarom hij daartegen langs kèrkelijken weg, door Deputaten ad hoc, protesteert, nadat reeds door sommige broeders pogingen in het werk zijn gesteld, om door correspondentie in publieke geschriften tot bevredigende oplossing te komen.

I

Wat de opvatting der Theologie zangaaX, wijzen wij op een viertal zaken:

1°. op het uitgangspunt der theol. wetenschap;

2°. op het object (voorwerp) der theol. wetenschap;

3°. ophet^«i^'^ir/(onderwerp; der theol. wetenschap;

4°. op den inhoud der theol. wetenschap.

1°. Het Uitgangspunt.

Uitgangspunt van Dr. Kuypers opvatting der theologische wetenschap is het philosophisch begrip van de ivefenscluip, als de kennis van al het bestaande als étn organisme. (Encycl. II. 10, II.)

De Theologie is tvetenschap; derhalve is de Theologie een organisch deel van het organisme der wetenschap. En wijl nu het deel uit het geheel moet verklaard worden, zoo wordt uit de algemeene wetenschap afgeleid, wat Theologie »als wetenschap" is. (Encycl. I. 44, 53. Encycl. II. 161, 547, ook II. 243.)

Onze bezwaren hiertegen zijn:

a. Dat al het bestaande niet is één organisme, waarvan al de deelen Kire'^«geschikt en onder^tschikt als één organisch geheel bestaan.

God behoort ook tot al het bestaande, en God is niet een organisch deel van het organisme van al het bestaande. God is niet nevengeschikt aan de andere deelen, noch ondergeschikt aan het geheel van al het bestaande. Daar nu al het bestaande niet één organisme is, kan ook de wetenschap van al het bestaande niet één organisme zijn.

b. Dat het begrip der theologische wetenschap niet wordt afgeleid uit de H. Schrift, maar uit de philosophic; niet uit God, maar uit den mensch; niet uit het object (voorwerp), maar uit het subject (onderwerp). Dit subjectief^ uitgangspunt is geheel onjuist, omdat de Theologie niet uit den mensch, maar uit God is, en daarom mag de kenbron niet zijn philosophie, maar alleen de H. Schrift.

2°. Het object der theol. wetenschap.

Uit het begrip der wetenschap leidt Dr. Kuyper af wat het object der Theologie is. De wetenschap is één organisme, derhalve is ook het object der wetenschap één organisme. De objecten van de onderscheidene wetenschappen zijn dus één geheel {totaal object) van organisch samenhangende deelen. Dit geheel is de kosmos. (Encycl. II. 242, 552.) AI de objecten zijn dus onderdeden van den kosmos. (Encycl. II 29, 35.) Daar nu de Theologie een onderdeel is van d^ wetenschap, waarvan de kosmos het object is, moet ook het object der Theologie een onderdeel van den kosmos zijn. (Encycl. II 167, 283, 521.1 Daar nu God geen onderdeel van den kosmos is, Iaat Dr. Kuyper God als object der Theologie los, en stelt in de plaats daarvan de revelatie ectypa (de openbaring Gods'. En toch God het object, (Encycl. II. T6I, 163, 170, 188, 196—205, )

Onze bezwaren hiertegen zijn:

a. Aangaande de verhouding, waarin de Theologie tot de andere wetenschappen wordt geplaatst. Daar het object der Theologie een onderdeel is van den kosmos, moet dat object in zijne betrekking tot den kosmos (sub relatione mundi) beschouwd worden. Dit is in strijd met de gereformeerde opvatting, die juist omgekeerd de objecten van de kosmologische wetenschappen in hunne betrekking tot God isub relatione Dei) beschouwde. Het object der Theologie is niet ondergeschikt aan den kosmos, maar de kosmologische objecten zijn ondergeschikt aan God. Niet de kosmos, maar God was hun hoofdbegrip.

b. Aangaande het object zelf der Theologie.

Dr. Kuyper zegt, dat niet God, maar de revelatio ectypa (de openbaring Gods) object is der Theologie. Dit is in strijd met de opvatting van alle echte gereformeerde Theologen, daar zij alleen God het object der Theologie noemden.

c. Aangaande den aard der Theologie.

Bij Dr. Kuypers opvatting verliest zij den aard en het karakter. als theologische wetenschap. Haar object is niet God (Theos), maar een organisch deel van den kosmos. In plaats van een theologische, wordt zij dus een kosmologische wetenschap.

3°. Het subject der theol. wetenschap.

Uit het begrip de 'oietenscliap als één geheel wordt ook afgeleid, wat het subject der Theologie is. De Theologie is een organisch deel van de wetenschap, en vormt daarmee dus een eenheid. Daarom is ook het subject der Theologie één met het subject van de wetenschap. De wetenschap is een eenheid; het object der wetenschap is een eenheid, dus moet ook het subject der wetenschap een eenheid zijn.

Subject van de wetenschap is de herboren menschheid. (Encycl. II 246—249, 259.) Deze is dus ook subject der Theologie. De herboren menschheiJ is het lichaam van Christus. In de herboren menschheid is Christus het eigenlgk subject der weten-

schap. (Encycl. II. 35, 130, 233') Christus is het generale subject der herschapen menschheid in centralen zin. En Christus is het centrale menschelijk bewustzijn. (Encycl. II. I3.) Dit bewustzijn der menschheid leeft organisch in de denkende individuen.

Ons bezwaar hiertegen is:

Aigedacht van vele bizondere bedenkingen, wordt Christus hier vereenzelvigd met de menschheid, daar het persoonlijk onderscheid tusschen Christus en de menschheid wordt opgeheven, wat noodwendig tot Pantheisme leiden moet.

4°. De iniwud der theol. wetenschap.

Wat de inhoud der Theologie is, wordt niet afgeleid uit het begrip der Theologie en niet uit de H. Schrift, maar uit het begrip de •wetejisclmp. De wetenschap is het alleen om weien te doen, en heeft geen praktisch doel voor en in het leven, maar heeft haar doel in zichzelf. Alle dingen, die in de H. Schrift praktisch zijn in hun doel, liggen dus buiten het terrein der theologische wetenschap. Daarom behoort al het soteriologische (alles wat onze verlossing betreftl niet tot de theologische wetenschap, maar is bijkomstig (accidenteel) en een hulpmiddel, omdat het een praktisch doel heeft. Dientengevolge maakt Dr. Kuyper scheiding tusschen de Theologie als weienschaj) en de Theologie als kennisse Gods. De eerste is de Theologie der Universiteit, de andere is de Theologie der Kerk. De Theologie als wetenschap ligt buiten het terrein en buiten de bevoegdheid van de Kerken. (Encycl. II. 207, 223, 224, 257—259, 318—320, 328, 329, 525, 535-)

Evenzoo wordt uit het begrip de wetenschap afgeleid, dat de natuurlijke Theologie (theologia naturalis) de eigenlijke, wezenlijke en eeuwige Theologie is. De wetenschap is het alleen om weten te doen. Wat God in de bizondere openbaring (theologia specialis) inededeelt, is aangelegd op het heil van den mensch, en is dus soteriologisch. Dit behoort derhalve niet tot den wezenlijken inhoud der theologische wetenschap. De eigenlijke inhoud der Theologie lag dus in de natuurlijlM openbaring'in den persoon van Adam als beeld Gods, en in de schepping. . De bizondere openbaring vóór en na den val is accidenteel (bijkomstig) en niet kenbron van de theologische wetenschap.

Ten gevolge van de zonde kunnen wij de theologische wetenschap niet meer uit den mensch en uit de schepping opdiepen. (Encycl. II. 225, 229.) Daarom heeft God ook de natuurlijke Theologie (theologia naturalis) ons nu in de H. Schrift geopenbaard. "Voor zoover nu de H. Schrift deze theologia naturalis bevat, is zij de kenbron der theologische wetenschap; verder niet. Al het andere is soteriologisch, en bedoelt niet ons wetenschap te geven, maar bedoelt ons heil. Doch de natuurlijke openbaring (revelatio naturalis) bedoelt alleen ons wetenschap van God te geven. Daarom is de theologische wetenschap alleen de eigenlijke inhoud der theol. wetenschap.

Onze bezwaren hiertegen zijn:

a. Dat de scheiding van Theologie als wetenschap en van kennis Gods in strijd is met de gereformeerde opvatting der Theologie. De oude gereformeerden hebben nooit een speciaal, maar slechts een gradueel onderscheid aangenomen tusschen de Theologie in de Kerk en aan de Universiteit.

b. Dat de uitsluiting van het soteriologische uit de eigenlijke theologische wetenschap evenzoo in strijd is met de gereformeerde opvatting der Theologie. Het soteriologische werd niet als bijkomstig (accidenteel) en slechts als hulpmiddel beschouwd, maar als wezenlijk tot den inhoud der theologische wetenschap behoorende.

c. Dat volgens de gereformeerden niet slechts de natuurlijke Theologie (theologia naturalis), maar ook de bizondere Theologie, d. i. de inhoud der bizondere openbaring (revelatio speciaUs) tot den wezenlijken inhoud der theologische wetenschap behoort.

d. Dat volgens de gereformeerde opvatting de theologische wetenschap haar doel niet in zichzelf, d. i. alleen in het weten heeft, maar dat haar doel ligt in de eere Gods in de gemeente (Efez. 3 : 14-21.)

e. Dat, indien de Theologie als wetenschap ligt buiten het terrein en de bevoegdheid der Kerken, volgen moet, dat de Kerk de theologische wetenschap als zoodanig niet beoordeelen kan en mag. Alleen voor zoover zij met de kennis Gods, d i. met het soteriologische en het heil der Kerk in verband staat, mag de Kerk haar oordeel laten hoeren.

Ook dit is in strijd met de gereformeerde opvatting, die aan de Kerk wel degelijk bevoegdheid toekent, om de theologische wetenschap te beoordeelen.

f. Dat deze opvatting eene universitaire opleiding eischt, (Encycl. II. 536) zullen de aanstaande Dienaren des Woords theologisch wetenschappelijk gevormd worden, wat niet alleen strijdt met de gereformeerde opvatting, maar ook tegen de bepaling der Gen. Synode van 1893 ingaat.

Krachtens dit beginsel laat het zich verstaan, dat Dr. Kuyper de dogmata, behoorende tot de Theologie, niet uit de H. Schrift op redeneert, maar ze allereerst in verband zoekt te brengen met zijn theologisch uitgangspunt, en daarna, terecht of te onrecht, bewijzen uit de H. Schrift bijbrengt, zoodat bezwaren tegen zjjne opvatting der Theologie als vanzelf leiden tot bezwaren tegen eenige leerstellingen aangaande den weg der zaligheid.

II.

Onze bezwaren tegen eenige leerstellingen, aangaande den weg der zaligheid betreffen:

1°. De Rechtvaardigmaking.

2°. De Roeping, in verband met de Wedergeboorte, het Geloof en de Bekeering.

3°. Den Doop.

4°. De Kerk.

1°. De Rechtvaardigmaking.

Volgens Dr. Kuyper heeft onze rechtvaardigmaking reeds van eeuwigheid plaats gehad in de heilige vierschaar Gods, en wordt de rechtvaardigmaking in de H. Schrift als een eeuwige daad Gods geopenbaard, d. i. als zulk een daad, die aan geen bepahng door eenige oogenblikken uit het menschelijk aanzijn gebonden is. (»Het Werk v. d. H. Geest" II. 143, 222. «E Voto". Zondag 23.) En de rechtvaardigmaking door en uit het geloof is de rechtvaardiging voor het bewustzijn der geloovigen, door de aanneming van de verkondiging der rechtvaardiging, die van eeuwigheid over ons besloten en geschied is.

Die leering is in strijd met de Geref. Belijdenisschriften. De Catechismus, Zondag 17, leert, dat Christus ons de gerechtigheid, door zijn dood verworven, deelachtig maakt »door de kracht zijner opstanding". In Zondag 23 heet het «dat Sk alleen door een oprecht geloof z/öor Göi^rechtvaardig ben; '' voor God, niet voor mijn eigen bewustzijn; »dat God mij de • volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus toerekent, .... zooverre ik zulke weldaad met geloovige harte aanneem". Dus niet van eeuwigheid, maar in den tijd, zoodra de zondaar gelooft. Niet een vrijsprekend vonnis van eeuwigheid, maar dat werk van Christus »is mijne gerechtigheid voor God, " en die »kan ik niet anders dan door het geloof aannemen en mij toeëigenen."

Ook de Belijdenis kent geen eeuwige rechtvaardigmaking. Zij belijdt »onze rechtvaardigmaking door het geloof in Jezus Christus''. Art. 22 en 23, vergel. met Art. 20 en 21.

De Vijf Art. tegen de R. spreken ook geen woord van de eeuwige rechtvaardigmaking. Zij vereenzelvigen ook niet den eeuwigen raad Gods tot zaligheid der uitverkorenen met de rechtvaardigmaking. Integendeel. In Hoofdst. I. 7. spreekt zij zoo duidelijk mogelijk uit, dat God ook besloten heeft de uitverkorenen van Christus te geven en xkrachtiglijk tot zijne gemeenschap door zijn Woord en Geest te roepen en te trekken, of met het ware geloof te begaven en te rechtvaardigen.

Overal plaatsen de gereformeerden de rechtvaardigmaking, d. i. de rechtvaardigspreking des zondaars door God, na de roeping en in verband met het geloof.

En wat zegt de H. Schrift?

Zij zegt niet, dat de uitverkorene gerechtvaardigd is, maar »dat de mensch gerechtvaardigd wordt, zonder de. werken der ^yct." Rom. 3 : 28. De Schrift bestrijdt de dw.ialleer van rechtvaardiging uit de werken, waardoor immers niet verstaan kan wor­ den (Gal. 3. Rom. 4) een ontvangen en bewust worden van een vrijspraak, die reeds van eeuwigheid is geschied.

De Joden meenden wel terdege, door de werken zich de vrijspraak te kunnen waardig maken; daar tegenover leert de Schrift, dat geheel de wereld verdoemelijk is voor God; dat niemand iets tot zijne vrijspraak kan toebrengen, en dat allen die zalig worden »om niet worden gerechtvaardigd." En met allen, die door het geloof de gerechtigheid van Christus hebben aangenomen, jubelt de Apostel: lt; rWij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof." (Rom. 5:1.)

De eenige tekst, dien Dr. Kuyper voor zijn gevoelen aanvoert (Rom. 8 : 30), spreekt zoo krachtig mogelijk tegen hem. De rechtvaardigmaking staat daar na de roeping, en in onderscheiding van het kennen en verordineeren, staat er niethiy. tevoren. Ook het verband maakt het duidelijk, dat zij die te voren gekend en verordineerd zijn, in den tijd hieraan zijn te kennen, dat zij God liefhebben, als vrucht van de roeping, naar, niet in, maar naar Gods voornemen.

Deze leering, aldus geheel ingaande tegen de Geref; Belijdenisschriften en tegen de H. Schrift, is zeer gevaarlijk.

a. Omdat zij wijzer wil zijn dan God, Die zich openbaart in Zijn Woord, zooals Hij wil dat wij Hem kennen en dienen zullen, en de H. Schrift dienstbaar niaakt aan vooropgezette menschengedachten.

è. Ook door haar inhoud en strekking. Zij maakt in beginsel het besluit Gods gelijk met de uitvoerende daden Gods, en verwart en verdonkert en verandert alzoo èn den Raad-Gods èn Gods werk der zaligmaking.

Geheel het werk der verlossing wordt besluit, en het basluit het werk der verlossing, zoodat met den daad de Raad Gods het één en het al wordt van het werk en van de leer der zaligheid. En daaruit moet volgen, dat gerechtvaardigden tal van jaren kunnen leven in de gruwelijkste zonden; alsmede dat alle roepstemmen tot de niet verkorenen een ijdel geklank zijn, omdat zij reeds ven eeuwigheid zijn verdoemd.

Daartegen zegt de Schrift: »God is het die rechtvaardig maakt; wie is het die verdoemt? '' En»die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niét geloofd zal hebben, zal verdoemd worden."

c. Uit deze gronddwaling komen al de andere voort bij Dr. Kuyper, die tracht naar een systeem, waarin alles voor ons denken sluit als één logisch geheel.

Daaruit is het ook te verklaren, dat Dr. Kuyper niet zooals Gomarus, Voetius, Comrie en anderen, die ook min of meer duidelijk spreken van een eeuwige rechtvaardigmaking, deze leering slechts voorstelt met het oog op de totale niet-verdienstelijkheid en de totale krachteloosheid voor het gelooi zelf, als medewerkend tot de rechtvaardigmaking, maar de lijn doortrekt, hoewel nog niet geheel consequent, tot de roeping, de wedergeboorte, het geloof en andere leerstukken. (»Werk v. d. H. Geest" II 143.)

2°. De Roeping, in verband met de Wedergeboorte» het Geloof en de Bekeering.

Volgens Dr. Kuyper (»Werk v. d. H. Geest" II. 187. »E Voto II. 133, 134.) volgt de roeping op de wedergeboorte en het geloof. »Want als dan nu de uitverkoren zondaar wedergeboren, d. i. levend gemaakt, met geloofavermogen begaafd en aan Jezus gebonden is, dan is het eerste werk, dat alsnu volgt, de roeping". Zij is het middel, om het geestelijke leven tot bewustzijn te brengen; terwijl zij, evenals de wedergeboorte, niet een individueele (persoonlijke) werldng op het bewustzijn is, maar een corporatieve. De wedergeboorte wordt dan voorgesteld als een onmiddellijke daad^des Geestes, fe/tó« het Woord, en de roeping geschiedt door het Woord, onder toepassing des Geestes; doch »de Dienst des Woords heeft niet met de dooden te rekenen", en «de prediking kan niets ter zaligheid doen, noch uitwerken, dan waar het levefi in kiem of ontkieming den dood reeds verving". (»de Heraut" No. 949.) De prediking toch »gaat altoos uit naar de zoodanigen, die geacht worden in Christus te zijn ingelijfd, en erfgenamen desKoninkrijks te zijn."

De roeping is geene strekking", zooals de Schrift daarvan spreekt; want men trekt den onwillige, men roept dengene die komen kan. «Trekken" past op on wedergeborenen, »roepen" spreekt den zondaar zelven toe, en rekent er op, dat hij komen kan. (Werk v. d. H. Geest" H 187.) Doch de wedergeborene kan soms jaren lang onder de prediking verkeeren, zonder dat hij nog opstaat, tot bekeering komt en Christus over zich laat lichten. Daarvoor dient de roeping.

Deze leer is in strijd met de Geref. Belijdenisschriften. Als er in den Catechismus sprake is „van des menschen verlossing", wordt eerst gewezen op de noodzakelijkheid van een iVIiddelaar (Zondag 5); dan op de noodzakelijkheid van een oprecht geloof, »hetwelk de H. Geest, door het Evangelie, in mijn hart werkt" (Zondag 7). En in Zondag 25 wordt gesproken van den H. Geest, »die het geloof in onze harten werkt d/jor de verkondiging des Heiligen Evangelies", en dat geloof is het geloof, hetwelk »ons Christus en al zijne weldaden deelachtig maakt." Hier wordt dus duidelijk geleerd, dat door middel van de prediking het geloof des harten wordt gewerlct; zoodat de roeping niet slechts is om het geloof, dat als geloofsvermogen er reeds is, in werking te brengen en tot bewustzijn te verheffen.

Wanneer er in de Belijdenis gesproken wordt »van de wederoprichting van den gevallen mensch", Art. 17, wijst zij er op, hoe God ïzichzelven begeven heeft om hem, (den'gevallen mensch^ te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem zijn Zoon te geven, die worden zou van eene vrouw". De wederoprichting begon dus met de roeping van den gevallen mensch. Vergelijke men hierbij slechts wat in Zondag 6 vr. 19 wordt gezegd: «dat God zelf eerst in het paradijs het heilige Evangelie heeft geopenbaard, en daarna door de patriarchen en profeten heeft laten verkondigen". Er is immers geen bewijs voor het gevoelen, dat Adam, toen hij voor God al bevende vlood, reeds wedergeboren was, en het geloofsvermogen reeds had, en alleen nog maar door God geroepen werd, om tot bewustzijn er van te komen. —• In Art. 24 wordt uitdrukkelijk gezegd: «Wij gelooven dat dit waarachtig geloot in den mensch gewrocht zijnde door het gehoor des Woords Gods, en de wersing des H. Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mensch en doet hem leven in een nieuw leven". En verder: «Zoo is het dan onmogelijk, dat dit heilige geloof ledig zij in den mensch enz.". Waaruit duidelijk blijkt, dat eerst het geloof wordt gewrocht, door het woord, en onmiddellijk daarop de wedergeboorte, waaraan de bekeering of heiligmaking weer verbonden is; terwijl weersproken %vordt, dat het geloof, in vermogen aanwezig zijnde, jarenlang, zelfs nog onder de prediking, ledig zou kunnen zijn in den mensch.

In de Vijf Art. tegen de R. wordt in Hoofdst. I geleerd, dat alle menschen in vloek en ellende neerliggen; dat God echter Zijn Zoon gezonden heeft, «opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe", en «opdat de tnenschen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlij k verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wien Hij wil en wanneer Hij wil, door wier dienst de menschen geroepen worden tot bekeering en het geloof in Christus, den gekruiste". »Die dit Evangelie niet gelooven, op die blijft de toom Gods; maar die het aannemen.. die worden door Hem van den toorn Gods en van het verderf verlost en met het eeuwige leven begaafd".

In III en IV, 8, 9, 10 en 11 heet het: «Voorts wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen uitvoert, en de ware bekeering in hen werkt, zoo is het, dat Hij niet alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand krachtiglijk door den H. Geest verlicht.... maar Hij dringt ook in tot de binnenste deelen des menschen met de krachtdadige werking i& izA-ae.Viwederbarenden Geestes". Hier is du< ; sprake van-de werking des Geestes tot wederbaring onder de prediking.

Dit blijkt nog duidelijker in % 12, waar het werk des Geestes onder de prediking genoemd wordt: »die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping, opnvekking van de dioden en levendmaking", en deze wordt in ons niet teweeg gebracht door middel van de uiterlijke^prediking alleen, maar enz. (ook 5 17.)

Hieruit, blijkt duidelijk dat onze Vaders de roeping willen tot wederbaring van zondaren, op wie nog de vloek en toorn Gods ligt, en tot het geloof, dat met Christus vereenigt en zijne weldaden deelachtig maakt. Zij wilden de prediking ook aan geestelijk dooden. Dat dezen niet konden hooren, hindere den prediker niet, omdat God machtig is, onder de prediking de ooren te openen; al doet Hij het ook slechts aan de uitverkorenen. — Dat wedergeborenen en die het geloofsvermogen bezitten jarenlang onbekeerd onder de prediking kunnen leven, staat nergens in de Belijdenisschriften, (Art. 24') en is in strijd met den aard van het nieuwe leven en mei: de ervaring. Waar leven is komt beweging, zoodra het bewustzijn in kindschen leeftijd ontwaakt; al_ is dat leven niet altijd even duidelijk.

En wat leert de H. Schrift in deze ?

Zij leert wel, dat er van kindsaf wedergeboren kunnen zijn, en dat dezulken later door Woord en Geest tot meerdere openbaring en helderheid komen; doch zij leert tevens duidelijk, dat de roeping niet alleen is een tot bewustzijn roepen, maar ook geschiedt tot onwedergeborenen ter levendmaking. Immers «De Heere roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren". (Rom. 4 : 17.) »Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er". (Ps. 33 : 9) En dat niet alleen bij de schepping, bij de opwekking en de opstanding der dooden, maar ook in het geestelijke. Het Evangelie moet gepredikt worden »aan alle creaturen", en dus niet alleen aan de reeds wedergeborenen en uitverkorenen. Paulus zegt in I Cor. i : 21 dat het Gode behaagd heeft «door de dwaasheid der prediking zalig te maken". Tot dat zalig maken door de prediking behoort toch zeker öok de werking van de wedergeboorte en het geloofsvermogen; want Petrus zegt I Petr. I : 23 « Gij die wedergeboren zijt ... door het levende en eeuwig blijvend woord van God". En dat door dat «woord" niet te verstaan is /tet Woord, de Zoon, blijkt uit Vs. 25 «maar het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid, en dat is het woord" dat onder u verkondigd is". Daarom zegt ook Paulus Rom. 10 : 4 shet geloof is uit het gehoor" en «hoe zullen zij gelooven zonder die hun prediken". Tot dat gelooven is aan hen verheerlijkt de kracht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij hem uit de dooden heeft opgewekt (Efez i : 19, 20). Petrus zegt dat God het uitverkoren geslacht «uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht ( i Petr. 2 : 9), en in Rom. 8 : 30 volgt de roeping onmiddellijk op de verordineering. Jezus zelf zegt ijoh. 5 : 25) «De ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven" (Zie de Kantteekenaren op dezen tekst). Zelfs de tekst, door Dr. Kuyper voor zijn gevoelen aangehaald (Efez. 5 : 24) spreekt hem tegen: Ontwaakt, gij die slaapt, en staat op uit de dooden". Dat «slapen" was een dood zijn, en dat «ontwaken" een opstaan uit de dooden, en dus niet tot bewustzijn komen van een slapende, maar een levend worden van een doode.

En wat nu aangaat die centrale wedergeboorte in het lichaam (corporatiefj en niet persoonlijk individueel), en dat centrale bewustzijn, — daarvan zegt niet alleen de Schrift niets, maar zij leert zelfs het tegenovergestelde, - als zij telkens spreekt van «zoovelen'', seen iegelijk" «wie" enz., als er van wedergeboorte, geloof, bekeering enz, sprake is. Wij wijzen alleen op Jezus' woord tot Nicodemus rjoh. 3 : 3, 5) 7, ): Gijlieden", — en dafgold hier de Joden, het Verbondsvolk, allereerst — »moet wedergeboren worden". Dat «centrale'' is niet aan de Schrift ontleend, maar vloeit kennelijk voort uit des Hoogleeraars wijsgeerig uitgangspunt: én organisme van al het bestaande; één organisme der wetenschap; één organisme der herboren menschheid, en dus ook één werk der wedergeboorte enz. centraal in dat ééne organisme.

Wij vinden ook deze leer van Dr. Kuyper gevaarlijk voor de Geref. Kerken, en wel:

a. Omdat daardoor de bediening des Woords voor een deel aan hare bestemming wordt ontrukt, en hare beteekenis ten deele verliest. Als immers de roeping alleen dient tot het wekken van het bewustzijn des nieuwen levens, en het in werking brengen van het geloofsvermogen, dan moet volgen, dat de prediking alleen is voor begenadigden, en niet om zalig te maken wat verloren is, wat nog onwedergeboren is.

b. Deze leer onderwerpt inderdaad Gods vrijmacht aan een stelsel, uit het abstracte denken geboren, en niet aan de H. Schrift ontleend. Immers zij laat niet toe, dat God aan gedoopten, of aan de kinderen der gemeente, die uitverkoren zijn, op lateren leeftijd de genade der wedergeboorte verheerlijkt. Wie van hen uitverkoren zijn, moeten ook wedergeboren en met het geloofsvermogen begiftigd ter wereld komen; alleen de bekeering in den zin van bewustworden kan later nog gewerkt. — Wel wijst Dr. Kuyper, om dit bezwaar te ontgaan, («Werk V. d. H. Geest" II 156) op «een geheimzijitdgen achtergrond, op een wonderbaar werk Gods, dat achter dit alles schuilt, en op eea ondoorgrondelijk mysterie, zonder hetwelk dit alles niets is". Doch wij kunnen dien achtergrond niet zien; en wordt niet aan 't licht gebracht uit de Dordtsche leerregels Art. 12 v. het 3de en 4de Hoofdstuk, door Z.H.G. aangehaald; want daar staat alleen, dat God de wedergeboorte zonder ons in ons werkt, en daarover is geen verschil; terwijl er uitdrukkelijk bij staat: «niet door middel van de uiterlijke predikatie alleen". Dus toch wel door middel van de prediking, ofschoon niet alleen; immers door toepassing des Geestes, wat weer niet betwist wordt.

c. Deze leer leidt tot zorgeloosheid in de gemeente, omdat de hoorders bij die leer moeten denken, dat wie nog niet wedergeboren is, door de prediking ook niet wedergeboren wordt, en wie nog in de zonde, onbekeerlijk, leeft, — zelfs jaren lang in de zonde voortleeft — toch wel wedergeboren kan zijn, en . . . dus ook wel in den hemel zal komen, omdat wedergeborenen niet verloren gaan. Welk gevoelen versterkt wordt, omdat de prediker, niet rekenende met onwedergeborenen, zelfs niet vermaant tot wedergeboorte, noch om de wedergeboorte van nog doode leden in de gemeente bidt.

d. Deze leer leidt tot de stelling, dat het menschelijk geslacht uitverkoren, gerechtvaardigd enz. is; dat het menschelijk geslacht met één centraal leven en één centraal bewustzijn, centraal, of corporeel, van eeuwigheid is wedergeboren; dat de leden van dat organisch geheel met het wedergeboren leven en het geloofsvermogen geboren worden; dat God dus in den tijd, wat het wezen der zaligmaking aangaat, werkelijk niets werkt: Hij laat alleen te voorschijn treden en tot bewustzijn komen, wat reeds van eeuwigheid werkelijk — niet in het besluit — maar werkelijk is. Dat riekt naar het pantheïstisch determinisme.

(Slot volgt.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Bedums klacht.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 mei 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken