Bekijk het origineel

„Een ketterschen mensch berwerp.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Een ketterschen mensch berwerp.”

8 minuten leestijd

Verwerp eenen ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning. Tit, 3 : 10.

De naam en het woord van ketter geldt nog steeds als brandmerk. Al is het toch dat allerlei geesten in Christus' kerk, die niet uit God, maar uit de wereld zijn, er eer spel dan misdrijf in zien, om sketters" te wezen, toch verzetten ze er zich nog altoos hartstochtelijk tegen, als men hen »ketters" noemt.

Het sterkst echter komt de ongunstige beteekenis van den naam ïketter" uit in het werkwoord •^verketteren."

Immers de rollen zijn allengs vlak omgekeerd.

Oudtijds gold het voor eerbaar en plichtmatig, dat men iemand, die ketter was, dan ook als zoodanig bestreed, en met hem brak. Thans daarentegen stelt meer dan één er zijn eere in een > ketter" te wezen, maar wordt het half als een misdaad beschouwd, zoo iemand het van them durft zeggen.

Te durven uitspreken, dat iemand een > ketter" is, heet thans iemand sverketteren", en hierin acht men dat een geestelijke hoogmoed, - een aanmatiging, een koude liefdeloosheid spookt, die niet scherp genoeg kan worden veroordeeld.

Wie ketter is, wordt heden ten |dage toegejuicht; maar wie een ander durft i> verketteren", bezwijkt onder de algemeene verfoeiing.

Dit nu is te verklaren uit de historie.

Zoolang men een »ketter", na eerste en tweede vermaning, eznvoViéig buiten de kerk sloot, lag hierin iets zeer natuurlijks. 4; Wie niet in de kerk van Christus thuis hoort, en, bleef hij er in, die kerk bederven zou, moet van de Christelijke gemeenschapj worden afgesneden.

Zóó leert het de Schrift.

En óók, niets dat meer vanzelf spreekt.

Maar hierin kwam een keer, toen men den iketter" niet alleen buiten], de kerk sloot, maar ook van het eerbaar graf, van den maatschappelijken kring, ien ten slotte van de wereld en van'^het leven afsneed.

Toen kwam de ure van kerker, schavot en brandstapel.

Hiertoe zou hetjnooit gekomenJzijn, |indien de kerk een plaats voor het hol van haar voet, in, en ten deele naast de wereld had gezocht. Maar toen de kerk er ten slotte toe overging, om|heel|het, '|lcven der maatschappij, ja, de wereld zelve onder haar heerschappij'te trekken, toenfwas de kerk overal, bleef er buitenlfde kerk geen plek of plaats voor den ketter over, en moest men ten^slotte, - 'ompiem uit]: de|kerk te bannen, hem wel wegdoen uit de wereld, d. i. hem het leven benemen.

Heel de vervolging van de ketters aan lijf en leden wortelt dan ook in de valsche opvatting, alsof er naast den kring der bijzondere genade, [d.y. de kerk, geen kring van gemeene gratie, d. i. de maatschappij, voor den uitgeworpene overbleef.

Daaruit nu is het te verklaren, dat niemand verketteren" een]; zin en klank verkreeg, als wilde men den ketter niet alleen buiten de kerk sluiten, maar ook in zijn persoonlijke vrijheid aantasten, en in dien zin staat > verketteren" metterdaad gelijk met misdaad.

Om meeningen, overtuigingen of denkbeelden iemand uit het leven weg te nemen, komt Gode alleen toe, niet den mensch.

Judas, en zoo : ook later Ananias en SafRra, en ook Herodes bezweken onder het oordeel Gods, niet van de overheid.

Aan dit zondig bedrijf, dat voor ons Gereformeerden vooral in' den brandstapel van Servet zijn pijnlijke nawerking had, is thans paal en perk gesteld.

Niet dat het standpunt is opgegeven, van waar men tot dat zondig bedrijf kwam. Integendeel, Rome staat op dat standpunt nog. En als het Protestantisme maar eerst de wereld uit was, en weer alle Christenen in den schoot der dusgenaamde »alleen zaligmakende" kerk waren teruggeleid, zou, als de overheid wilde meewerken, geheel diezelfde theorie opnieuw haar toepassing vinden.

Dat Rome zich thans stil houdt, is een zich schikken naar de omstandigheden, niet een erkennen, dat ze miszag. En de strijd ook in onze kerken over Art. 36 gevoerd, en nog te voeren, komt uitsluitend neer op de vraag, of wij Gereformeerden hetgeen van die Roomsche theorie in onze Belijdenis overbleef, door valsch Conservatisme zullen handhaven, of [wel, met helder bewustzijn, als in strijd met Gods Woord zullen uitbannen.

De kerk in de wereld, of wel de wereld in en onder de kerk, aldus staat de tegenstelling.

Het geschil raakt geen bijzaak, maar een der fundamenteele beschouwingen van heel de Openbaring.

Klare, duidelijke belijdenis nu is op dit punt voor Christus' kerk daarom zoohoognoodig, omdat gemis aan helderheid ten deze het verzet der kerk tegen de ketterij verzwakt, en almeer het denkbeeld ingang doet vinden, alsof de kerk de velerlei ketters niet te oordeelen, niet te vermanen, en ten slotte niet uit te bannen, maar veeleer ze te dulden en te e er en had.

De jammer van het Hervormd Genootschap is uit die valsche meening opgekomen.

Leervrijheid toch is de betooverende phrase, waaronder dat dulden en eeren van alle ketterij, in plaats van ze te oordeelen en uit te bannen, insloop. En de Ethische richting, die ten deze het oordeel der eigen cotisciëntie voor het oordeel der kerk inde plaats schoof, en aldus de belijdeniskerk in de belijdende gemeente wilde doen ondergaan, werkte, tegen haar oorspronkelijke bedoeling, machtiglijk mede, om dit kwaad ingang te doen vinden.

De kerk van Christus wortelt wel in het leven, en geniet wel door het mystiek gevoel, maar haar uitkomen naar buiten eischt een positie nemen in de wereld van het bewustzijn, in de beschouwing, in het denken. En daarom kan ze er niet zijn zonder Christelijke leer.

In het Paradijs zelf is de bijzondere genade niet met leyen of gevoel, maar de openbaring van het Woord begonnen.

En dit nu kon niet anders, omdat het Scheppings-realiteit is.

Eerst ? jr/rrt/& God : »Daar zij licht, " en toen kwam het licht.

De Heilige Schrift laat op dit punt dan ook geen plaats voor twijfel.

Zij predikt vrede, maar op beding dat de orde zij en blijve: Ten eerste zuiver, daarna vreedzaam.

Zij stelt het aan de kerk ten onatwijsbaren plicht, niet allerlei geesten te gelooven, maar te onderzoeken of zij tiit God zijn, en spreekt duidelijk uit, dat wie b. v. in de'Jleer der Vleeschwording docetisch feil gaat, niet uit God is, maar uit den Antichrist.

Ze zegt u, dat de »ketterijen" moeten ontstaan, opdat de echte belijders openbaar worden, ^ en het alzoo tot een'^ uitscheiding kome.

Ze verbiedt u een ketterschen leeraar, als zoodanig, in uw huis te ontvangen, en hem den groet des vredes te geven.

En, om alle onzekerheid op te heffen, gelast ze [u zelfs, den ketterschen mensch, na mislukte aanwending van den eersten en tweedenJitrap der Christelijke tucht, iiit te werpen.

Onbegrijpelijk is liet dan ook, hoe vele ïlieve Christenen" en > lieve Christinnen" met deze duidelijke, klare, pertinente uitspraak en last der Heilige Schrift voor oogen, [nochtans vlak hiermee in strijd|sprekcn, oordeelen en handelen kunnen.

Immers in vrij breeden Christelijken kring is een wezenlijk rechtzinnig leeraar thans voorwerp van spot en wrevel, terwijl leeraars met allerlei ketterij besmet, ingehaald en gevierd worden.

Dit leidt in andere kringen dan weer tot het even schuldige misbruik, om voor ketterij te gaan uitmaken, wat niets dan een verschil itt de voorstelling der ééne zelfde waarheid is.

Mozes, David, Jesaia, en zoo ook Paulus, Petrus en Johannes prediken, heel de kerk stemt het toe, de ééne zelfde waarheid Gods. Edoch, in de voorstelling dier ééne waarheid verschillen ze zeer in het oog loopend. De één vult den ander aan. En zoo eerst verkreeg de Openbaring die rijke veelvormigheid, waarin voor de Schrift het mysterie harer wondere kracht ligt.

Zult ge nu Johannes verketteren, omdat hij dezelfde waarheid van een andere zijde in het licht stelt, dan Paulus?

Niemand die er aan denkt.

Dan echter volgt hieruit voor de kerk van Christus ook de zetregel, dat ze deze veelzijdigheid van den rijkdom der voorstelling van de waarheid, niet afsnijden, maar veeleer er voor danken moet.

En zegt ge nu: »Goed en wel, maar dan kan ook allerlei ketterij binnensluipen onder het valsche voorgeven, dat ze slechts een andere voorstelling geeft", dan is dit volkomen waar, en vloeit hieruit de zeer ernstige plicht der kerk voort, om, al zijn niet alle druiven van den echten wijr/iStok eender, zoodat er witte en blauwe, gevvrone en muskadel druiven zijn, altoos scherp tusschen den wijnstok en den wilden wingerd te blijven onderscheiden.

Juist hiertoe nu is noodig, dat het perspectief niet te loor ga, d. w. z. dat men behoorlijk onderzoeke, hoe de onderscheidene deelen en stukken onzer Belijdenis onderling vertakt zijn, en met stam en wortel samenhangen.

En hierin juist schiet de blinde ijver van den conservatieven ijker tekort.

Hij ziet geen onderscheid. Alle stukken en deelen hebben voor hem hetzelfde gewicht. Het verschil tusschen blad en bloesem eenerzijds, en tak en stam en wortel anderzijds is voor hem te loor gegaan.

Hieronder zou de kerk dan ook bezwijken.

Maar haar verheerlijkt Hoofd leeft, en erbarmt zich over haar.

En zoo geeft hij aan zijn heiligen door den Geest keurende gewaarwordingen, wat maakt dat de heiligen de geesten proeven, en dat ^.t. geestelijken alle ding onderscheiden.

Iets wat de kerk niet van haar plicht tot verstandelijk keuren c|ntslaat, maar integendeel haar bekwameij moet, om tot plichtsbetrachting ook op dit punt te komen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 augustus 1896

De Heraut | 2 Pagina's

„Een ketterschen mensch berwerp.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 augustus 1896

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken