Bekijk het origineel

„Ons aardsche huis dezes tabernakels”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ons aardsche huis dezes tabernakels”

9 minuten leestijd

Want wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen. 2 Cor. 5 ; I.

Kort en waar schreef een Arabier van oude dagen reeds: sDe goddelooze zoekt zijn paradijs hier, de vrome zoekt het achter de doodspoort." En feitelijk drukt én Schrift-èn zielservaring daar hét zegel op. De pelgrimsreis gaat Xo\.aan het graf; dat graf zelf is voor wie in zijn Heiland ontslapen mag, »de doorgang tot een eeuwig leven."

Verstandelijk bewijzen kunt ge dat niet. Wat ge voor oogen ziet, leert u enkel ontbindingen ondergang in het niet. Maar een macht hooger dan de macht van het denken, en een u doordringend besef, sterker dan de indruk, die waarneming u geeft, plaatsen u in zielsgemeenschap met die ongeziene wereld der duurzame wezenlijkheden, en een woord uws Gods spreekt in uw eigen hart en door de Schrift, ook u van eeuwig aanzijn, in glorie, zonder leed.

Al naar gelang ge hier nu kennis aan hebt, is de blik waarmee ge het leven en uzelven beziet. De éénj voelt zich hier thuis en leeft in een voorstelling alsof zijn huis hier eeuwig zou zijn; terwijl de ander gedurig merkt hoe onvast en verschuivend de bodem is, waarop hier zijn leven rust, en daarom uitziet naar de eeuwige veistighedciiy die niet hier zijn, maar hier namaals komen zullen.

En dit bepaalt dan tevens den blik op onzen eigen persoon.

Immers de één voelt niets van zijn ziel, en voelt zich enkel als lichaam. Dat hij ook een ziel heeft, moet hem telkens herinnerd worden. Dan gelooft hij het even, om het terstond daarna weer te vergeten. En het denkbeeld zelfs om ook eens voor zijn ziel te zorgen, komt niet in hem op.

Maar wel weet hij heel goed, dat hij een lichaam heeft. Dat schouwt hij in den spiegel aan. Dat voedt en drenkt, dat streelt en verzorgt hij. Daar voelt hij elk pijntje, daar merkt hij elke moeheid aan. Wel beschouwd kan hij naar waarheid zeggen: Mijn lichaam ben ik en ik ben mijn lichaam. En hoe diep treurig het ook zijn moge, bij duizenden en nogmaals duizenden komt het niet verder. Hun lichaam blijft voor hen het wezenlijke en het eigenlijke tot aan hun dood toe.

Is daarentegen God de Heere in uw ziel gaan spreken, is de verborgen macht uit de oneindige wereld op u aan en tot in u doorgedrongen, hebt ge den donder van Gods stem uit zijn Woord en het ruischen der zachte koelte uit zijn heilig Evangelie in uw gewaarwording voelen ingaan, zoodat ge met Christus rekent, en den Heiligen Geest gedurig in uw eigen hart ontmoet, en, kind gemaakt, »Abba, lieve Vader" naar den hooge roept, dan raakt dat lichaam vanzelf eenigszins naar den achtergrond, en zult ge, weer voor den spiegel staande, toch voelen: Neen, dat lichaam ben ik niet. Dat hoort wel bij mij. Maar zelf woon-ik daarin, en mijn ik °zit daaraciiter.

Dat moest wel zoo niet zijn; en eens komt voor wie nauwlijks^ maar door eeuwige ontfermingen dan toch ten slotte zalig wordt, de ure vol verrukking, dat ziel en lichaam in hem één en hij onlosmakelijk in die beidi zal zijn; maar de toestand, waarin ge nu verkeert, laat die zuivere harmonie nu eenmaal niet toe.

Nu de zonde uw ziel en uw lichaam uit hun onderling verband heeft gerukt, nu zijt ge gedoemd, om iiw zwaartepunt óf meer in uw lichaam óf meer in uw ziel te leggen, en wie dan door genade het laatste doet, en toch ook om het \Terk Gods zijn lichaam niet geringschat noch verwaarloost, die komt vanzelf uit hij de apostolische zinsverbeelding, en voelt zijn lichaam als een tabernakel.

Een tabernakel. Dat is het juiste woord.

Wie on-Schriftuurlijk, en dies on-Christelijk, om den geest het lichaam verachten gaat, spreekt niet van een tabernakel^ maar van een kerker. Die voelt zijn ziel als opgesloten in zijn lichaam, en zit als een gevangen geest in zijn vleeschen gevangenhuis.

Zoo spreekt de valsche, de eenzijdige overgeestelijkheid, die niet uit God is, maar uit den trots van het hart.

Wie daarentegen door Christus verlost, door het Woord geleerd, en van den Heiligen Geest gedreven is, die denkt aan geen kerker.^ maar spreekt met den apostel van een tabernakel., een beeldspraak aan den tabernakel Gods in de woestijn van Sinaï ontleend.

ïOfls aardsche huis dezes tabernakels", gesteld tegenover shet huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen", is juist de beeldspraak en de voorstelling, die het zuivere midden houdt, eenerzijds tusschen de overprikkelde waardschatting van ons lichaam, alsof ons lichaam hier ons wezenlijke ik ware, en anderzijds tusschen de valsch geestelijke onderschatting van het lichaam, die op enkel geest zou willen drijven, en juist deswege zoo vaak in de bezoedeling des vleesches ondergaat.

De onheilige afgrond, die steeds zal blijven gapen aan den rand der valsche mystiek.

Het spottend element in onze volkstaal heeft het gebruik van dat woord «tabernakel" ontheiligd, en het onder de «schuimende tafelbroeders" de lachwekkende beteekenis gegeven van den rug waarop de stokslagen neerkomen, met falie een van zin.

Doch in het woord, gelijk de Schrift dit verstaat, Ugt dit volstrekt niet.

Integendeel, de tabernakel is, naar luid der Schrift, juist wat de apostel wil dat ook onze lichamen zijn zullen, t. w. een tempel, een woonstede Gods.

Niet naar menschelijke verzinning is die tabernakel opgericht, maar tot in het kleinste toe naar Goddelijke ordinantie. Juist zoo als ook uw lichaam, met geledingen en indeelingen en overdekkingen, die God alzoo verordend heeft, in elk zijner deelen beteekenisvol door God zelf tot dienst in het heilige besteld is.

Meer nog, die tabernakel in de woestijn was opgericht naar het eeuwig model, dat God aan Mozes op den berg getoond had. De tabernakel was het wezenlijke niet, maar geleek op dat wezenlijke in zijn afbeelding en saamstelling en bestemming; juist zoo als ook uw aardsche lichaam niet is uw eeuwig en heerlijk lichaam, maar toch naar het bewerp van dat heerlijk lichaam uitgekomen, er op aangelegd, het in zwakheid weergevend, en er door geestelijken band meê verbonden.

Als straks de tabernakel wegvalt, en de tempel op Sion verrijst, is toch die tabernakel het voorbeeld voor dien tempel geweest, en de structuur van dien tempel uit de geledingen en indeelingen en afmetingen van dien tabernakel voortgekomen.

Juist zooals ook| uw «aardsche huis dezes tabernakels" bij uw sterven wel voor altoos wordt opgebroken, maar om in uw eeuwig huis, dat ge bij God hebt, veel schooner en wezenlijker te herleven.

De tabernakel in de woestijn was in 's menschen macht gesteld.

De menscli heerschte er over.

Niet natuurlijk naar wilkeur^ want elk deel en elk stuk van dien tabernakel, en de plaats en de dienst van elk stuk, bleef onveranderlijk aan de Goddelijke ordinantie gebonden.

Maar mits hij die ordinantie stiptelijk naleefde, werd toch de Israëliet niet door dezen tabernakel beheerscht, maar beheerschte de Israël dien tabernakel.

Men brak dien af, en vervoerde en droeg hem, en zette hem weer op, ontsloot en sloot dien, en wendde dien aan in heüig gebruik, Gode ten dienste.

En zoo ook is voor wie vrijgemaakt is in Christus, zijn lichaam niet een macht die hem, maar een saarastel dat hij gebruikt en aanwendt, om er zijn God meê te dienen.

Niet naar willekeur.

Want gelijk in den tabernakel elke richel, en elke herder, en elk dierenvel en elk lisje bepaald en bestemd was voor een aangewezen doel, zoo ook is in het samenstel van ons lichaam elk been en elke spier, elk orgaan en elke zenuw, elk deel van onze huid en elke kronkeling in ons aderenstelsel gebonden aan Goddelijke ordinantie. En al wie hieraan toint, en óf de evenredigheden der deelen verschuift, óf het ééne deel ten koste van het andere doet leven, is Gode ongehoorzaam, en ondervindt in pijn of machteloosheid de wrake van Gods geschonden bestel.

Maar mits we even slipt de ordinantiën Gods over ons lichaam en elk zijner deelen eerbiedigen, als Mozes dat met den tabernakel Gods in de woestijn deed, dan, ja, zijn ook wij het die ons lichaam beheerschen, en zoo in den voorhof als in het heilige, en tot in het heilige der heiligen ook in ónzen «tabernakel" Gode zijn offerande en onzen dienst en het reukwerk onzer gebeden opdragen.

En komt ge zóó eenmaal in de juiste verhouding tegenover uw lichaam te staan, dat het u werkelijk een «tabernakel" is, waarmee ge als pelgrim door de woestijn naar het eeuwig Kanaan trekt, om in dien tabernakel uw God naar Goddelijke ordinantie te dienen, dan wordt ook van zelf het eenmaal opbreken van dien tabernakel, om nu tot een tempel op Sion in te gaan, voor u geen onnatuurlijkheid meer, maar een vanzelfsheid.

Een tabernakel kan uit zijn aard nooit anders dan voor een tijd zijn. Hij doet hulpdienst zoolang ge nog niet over den Jordaan toogt. Maar zoo zijt ge niet in het eeuwig Kanaan binnengetreden, of alles roept om den tempel op Sion, om wat blijft in stee van het vergankelijke, om het huis in plaats van de tente, om de muren die omhoog rijzen op het vaste fundament, in stee van de gordijnen die slingeren over het stuifzand der woestijn.

De tabernakel was profetisch. Hij was genomen naar het voorbeeld van de hemelen en wees vooruit op het Huis Gods dat komen zou.

En zóó ook is uw lichaam, waarin ge vooralsnog uw God hebt te dienen. Hoe gebrekkig en broos ook, toch is het genomen naar het eeuwig model, dat voor een verheerlijkt menschelijk lichaam van eeuwigheid bij God was, en het profeteert in u van het lichaam der glorie, waarin eenmaal uw gansch geheiligd wezen zal blinken voor Gods aangezicht.

Bij zware ziekte, waaruit ge door de genade uws Gods wordt opgericht, voelt ge hier reeds iels van.

Dan ligt de «tabernakel" uws lichaams neergeworpen op de legerstede. Dan kan die tabernakel tijdelijk geen dienst doen. Dan zijt ge der verbreking nabij. Geen vonk fonkelt meer in uw oog. Geen lofpsalm gaat meer in den voorhof op. En het matte hart kan geen offerande meer in het heilige brengen. Een ander moet voor u bidden komen, zooals zelfs in het heilige der heiligen uw stem verzwakt en verstomd is.

En toch weet uw God uit die dofheid weer levensglans, uit die matheid en ingezonkenheid weer levenskracht op te brengen, en na weken en maanden is uw «tabernakel" weer ganschelijk opgericht, en rookt het weer op uw altaren.

Vergeleken bij wat het in doodsgevaar op uw legerstede was, gevoelt ge u dan in uw lichaam weer heerlijk, bezield en krachtig.

Welnu, op gelijke wijs, maar oneindig heerlijker nog, zal uw God eenmaal, als uw «tabernakel" ganschelijk verbroken is, en het ontzielde lijk is uitgedragen, uit dat in dood verzonken lichaam u een eeuwig en heerlijk lichaam oprichten.

Dan niet meer uw tabernakel voor de pelgiimsreis, maar uw woonstede die .ge eeuwig bij God hebt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Ons aardsche huis dezes tabernakels”

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken