Bekijk het origineel

Repliek.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Repliek.

8 minuten leestijd

Aan onzen wensch, d^t de heeren Hovy en Van Beeck Calkoen niet in hun stilzwijgen volharden zouden, is nu reeds door den heer Hovy voldaan.

Hij zond ons dit schrijven:

Geachte Redactie !

Het heeft u goed gedacht in de Heraut van Zondag i dezer een artikel te wijden, niet alleen aan de schoone oratie van den hoogleeraar Dr. Woltjer, maar ook aan |de mutatiën, welke plaats gehad hebben in de collegiën van Curatoren en Directeuren.

Bij die gelegenheid kwam. dus ook ter sprake mijn aftreding als Directeur der Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeeerden grondslag.

Waardeerende de vriendelijke woorden, welke daarin voorkomen, om het weinigje in herinnering te brengen, dat ik voor onze geliefde Universiteit mocht doen, zij het mij echter vergund de verzekering te geven, dat uwé beschouwing volstrekt niet door mij kan worden gedeeld^ waar het uwe beoordeeling geldt der motieven, die mij noopten mijn ontslag als Directeur in te dienen.

Het is daarom, dat ik u beleefd verzoek deze weinige regelen in uw volgend nummer te willen overdrukken.

De rede van mijnen hooggeachten vriend en broeder Dr. Woltjer is door mij, eerst met de meeste belangstelling en instemming aangehoord, en daarna aandachtig gelezen. Volkomen stem ik met hem in, dat het de heerlijke taak onzer Hoogeschool is op elk gebied der wetenschap door te dringen tot den diepsten grond, en onder de voorlichting des Heihgen Geestes de gedachten Gods op te sporen; en ik kan slechts bidden en wenschen, dat al onze Hoogleeraren meer en meer de bekwaammakende genade van God ontvangen mogen, om elk op hun terrein daarin een inzicht te bekomen, en zóó in staat te zijn hun discipelen in dat heiligdom binnen te leiden.

Vergeten mag evenwel niet, dat ook hierin de Heere de Vrijmachtige is, en dat het meerder of minder klare inzicht in deze dingen eene vrije genadegave is van Hem, die is de Vader der lichten, van Wien alle goede gaven en alle volmaakte giften afkomende zijn; zoodat ook in deze geldt: > Wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? " De ééne Hoogleeraar zal ook in deze dingen meer licht hebben ontvangen dan de andere. Hierin komt ook Gods vrij macht uit, die mate en tijd bestemt naar Zijn welbehagen.

De reden, waarom ik geen vrijmoedigheid heb gevoeld in mijn betrekking van Directeur te blijven, is, dat ik mij van den beginne tot aan het einde niet heb kunnen vereenigen met de wijze^ waarop tegen den hoogleeraar de Savornin Lohraan Sr. is geprocedeerd.

Begonnen in de talrijk bezochte vergadering op Seinpost, den ayen Juni 1895, nh geheime voorbereiding, zonder voorafgaande kennisgeving aan den betrokken hoogleeraar, noch aan de Collegiën van Directeuren en Curatoren, na eene openbaar gemaakte verklaring, drie maanden te voren gedateerd^ nl. den 2 2enMaart 1895, waarin al de hoogleeraren, dus ook genoemde titularis, verklaarden, »dat zij elk voor zich en gezamenlijk hunne roeping erkenden om het door hen gegeven onderwijs geheel en uitsluitend' op den grondslag der Gereformeerde beginselen te doen rusten", en voorts, sdat de vraag, hoe dit voor het onderwijs in het gemeen en voor de onderscheidene vakken afzonderlijk te verwerkelijken zij, onder inroeping van de hulpe Gods, van nu voortaan een onderwerp ook van hun gemeenschappelijk onderzoek zou uitmaken", heeft men m. i. te veel willen dwingen, wat als eene verbeurde genadegave van den Heere had behooren afgebeden te zijn. Immers, bovenstaande openlijke verklaring had eene geschiedenis achter zich. De gezamenlijke hoogleeraren hadden ontwaard, dat in den kring der vrienden der Universiteit onzekerheid was gerezen, of wel alle onderwijs beantwoordde aan art. 2 der statuten. Dit had hun aanleiding gegeven deze hoogst ernstige aangelegenheid voor het aangezichte Gods onderling te bespreken, daar zij zich allerminst konden verhelen, dat de ernstige roeping, die in art. 2 ligt opgesloten, eerst van lieverlede in haar volle beteekenis voor hen trad en eerst hierdoor bij de onderscheidene vakken van onderwijs tot haar volle recht zouden kunnen komen.

Dit hadden zij zelven openlijk uitgesproken, in de hoop, dat nu alle ongerustheid (ahhans voor het oogenblik) zou zijn weggenomen.

De besprekingen hebben ook plaatsgehad — zelfs tot aan den 24sten Juni — maar uiteraard nog veel te kort, om nu reeds conclusiën te kunnen maken tot welke resultaten die leiden zouden.

Wat ware natuurlijker geweest, dan dat men onder deze omstandigheden geene openlijke manifestatiën hadde gedaan — dat bovenal de hoogleeraren al hun invloed gebruikt hadden om tot geduld te manen, waar toch zulke gewichtige, maar tevens ook^ zulke hoogst ingewikkelde besprekingen moesten voorafgaan, om tot eenstemmigheid te geraken — dat men bij verschil van inzicht ejkander in den geest der zachtmoedigheid en langmoedigheid hadde trachten te overtuigen, «onder inroeping van de hulpe Gods", onder gestadige afsmeeking van dien Geest, die in aüe waarheid leidt.

In plaats van dat heeft de Seinpost-demonstratie plaats gehad.

Dat deze zaak mij ontzettend heeft geschokt en bedroefd, behoef ik hier niet breed uiteen te zetten.

Van dat oogenblik is desniettegenstaande nog mijn voortdurend gebed geweest, dat het geschokt vertrouwen alsnog mocht worden hersteld ; dat geen poging onbeproefd mocht gelaten om den man te behouden, die van af de oprichting aan onze Hoogeschool was verbonden geweest; voor wiens aanvaarding van het hoogleeraarsambt, bij totaal gebrek aan onderwijskracht, wij den Heere zoo hartelijk hadden gedankt; die, na tijdelijkenonactiviteit, ten tweeden male zitting had genomen onder den rei der hoogleeraren; die als strijder voor de rechten der Gereformeerde kerken het hart van ons Gereformeerde volk had gewonnen; wiens onderwijs als bekwaam jurist onzen studenten vele jaren ten goede was gekomen. Het heeft echter zoo niet mogen zijn. De uitspraak der algemeene vergadering te Leeuwarden, waar met zoo groote meerderheid van stemmen de motie werd aangenomen, welke den heer Lohmanwel moest dringen thans reeds zijn ontslag als hoogleeraar aan te vragen, gaf den doorslag. Mijn vriendelijke bede een. anderen weg te volgen, mocht volstrekt geen gehoor vinden. Het wil mij zoo voorkomen, dat op die vergadering door allen, die tegenwoordig waren, zal gevoeld zijn, dat mijn mandaat als directeur daardoor moest eindigen. Men zou zelfs recht gehad hebben te eischen, dat mijn plaats door een ander wierd ingenomen, die in deze meer homogeen was met den geest der vergadering.

Nu weet ik wel, dat gij zult antwoorden, dat ik niet principieel genoeg ben. Gij schreeft het reeds: gebrek aan doorzicht, tekortkoming in het gevoel, wat er op het spel stond, waren oorzaak dat om bijzaken de hoofdzaak over het hoofd gezien werd. Ik laat u in dit oordeel geheel vrij, al meen ik zulks te mogen betwijfelen; evenals ook door mij zeer stellig wordt betwijfeld, dat ik door mijn besluit zou hebben «medegewerkt om het klare en heldere inzicht ook bij den heer Lohman nog meer te verduisteren."

In dezen sta en val ik mijnen eigen Heere, die alle dingen weet.

Wat uwe redactie bedoelt (althans waar het mijn persoon geldt) onder «een beker van verdrietelijkheid, soms met zeer bittere druppelen gemengd, die zij tot den bodem heeft geledigd" — is een volzin, die mij ten eenemale duister voorkomt, aangezien ik nimmer iets geschreven heb dan in uw eigen blad, waaromtrent ik met alle gerustheid het oordeel uwer lezers durf afwachten.

Onder deze omstandigheden aan te blijven als Directeur, was mij niet mogelijk, hoeveel mij ook kostte dezebetrekkingop tegeven, Hoe ik mij ook onderzoek voor het aangezicht des Heeren (en ik heb ^in deze veel gebeden, dat ik niet mijn eigen weg mocht gaan; dat ik niet wijs mocht zijn boven hetgeen ik behoorde wijs te zijn) ik kan nog tot geen ander inzicht komen.

Wel geef ik u echter de verzekering, dat nochtans de Vrije Universiteit de liefde van mijn hart heeft; dat ik haar om des beginsels wille de éénige stichting acht, (althans voor de faculteiten, waarin onderwijs wordt gegeven) waarheen Christenouders hun zonen mogen zenden, om in hunne consciëntiën vrij te zijn en te kunnen blijven bidden met een oprecht hart: «Leid ons niet in verzoeking, Heere", zoodat ook mijn gebed voor haar bloei en geestelijken wasdom verzekerd is. Mijn plaats als Directeur is reeds weer goed bezet door den beproefden vriend onzer stichting, den heer Van i Alphen, zoodat in den gang van zaken geen stoornis is gebracht. Mijne verhouding tot onze Hoogeschool blijft dus dezelfde, evenals die van elk belangstellend lid onzer Vereeniging, en niet het minste hoop ik, dat ook de studenten, die ik oprecht liefheb als jonge mannen, die in de waarheid begeeren te wandelen, die in het Woord des Heeren hun sterkte zoeken om den booze te overwinnen, mij ook thans nog zullen willen blijven beschouwen als hun vriend en mijn huis niet zullen mijden, doch integendeel mij hun gezelschap vaak zullen willen schenken. Zij kunnen ervan verzekerd zijn steeds met hartelijkheid te zullen worden ontvangen.

U dankende voor de plaatsruimte, teeken ik

Hoogachtend

Amsterdam, 2 Nov. 1896.

Dit schrijven, dat pas inkwam, toen over de geheele ruimte van de Heraut reeds beschikt was, noodzaakt ons andere stukken te laten liggen.

Plaats om er nu reeds op te antwoorden, ontbreekt geheel.

Toch zal uitstel geen afstel zijn.

Thans zeggen we alleen: Dankbaar, niet voldaan. maar

Elk lezer, die ons vorig stuk vatte, zal dit begrijpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Repliek.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken