Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

In de Bazuin geeft Ds. Gispen een lied des oprechten op den Hervormingsdag over de inzinking der Reformatie.

Hij zegt er o, m. van;

Met het oog op de aanstaande verkiezingen, naar de nieuwe kieswet, van een nieuwe Tweede Kamer, beloven de toekomende tijden dus belangrijk te zullen worden. Aan het licht zal komen, hoe sterk of hoe zwak die Hervormde-kerk-staatspartij, waar en zoolang ze zelfstandig optreedt, zijn zal. Niet onwaarschijnlijk is het echter, dat haar arbeid zijn zal in het belang der Cqnservatief-liberalen, met een godsdienstig-philantropisch tintje, van de overige schakeeringen der liberale partij onderscheiden. . Deze nieuwe staatspartij zal in de eerste plaats positie nemen tegen de > > Kuyper-of Standaardpartij", omdat men deze vreest, en beschouwt als de groote vijandin van de Hervormde kerk.

Intusschen blijkt het toch dat, te midden van den verwarden strijd, nu en dan het waarheidsgevoel nog bovenkomt. Zoo schrijft de redacteur van de nNieuwe Sprokkelaar", een Christelijk weekblad, dat uitmunt in uitingen van haat \& ^tr\. Dr. Kuyper en de Gereformeerden, maar tevens moedig opkomt voor de onschendbaarheid der Heilige Schrift, en desvvegen van de zijde der predikanten, o. a. van Dr. Bronsveld, al menige onaangename bejegening moest ondervinden, in no. 513 van dit blad, o. a. dit; »Eéne zaak wordt echter door al deze dingen duidelijk, en daarom releveeren wij ze, namelijk, dat de Ned. Herv. kerk als belijdeniskerk^veel meer bedreigd wordt door wat binnen haar zich bevindt, dan door wat buiten haar staat, "

En wat nog sterker is, zelfs de redacteur van de Kerkelijke Courant, weekblad voor de Nederlandsche Hervormde kerk, roept, in no. 44, uit; «Helaas, het Protestantisme in zijn geheel is in onze dagen zwak, ja, hier en daar schijnt het den dood nabij! Mannenbroeders, erkennen wij het !

Zegt b, v. Dr. Kuyper, dat het Protestantisme aan doodelijke bloed-armoede lijdt, dan wordt hem dit hoogst kwalijk genomen, niettegenstaande men zeil erkennen moet en anderen tot die erkentenis oproept, van het droevig feit, dat het Protestantisme hier en daar den dood nabij schijnt.

Er leven in ons goede land vele menschen inde onderstelling, dat in de Grondwet is voorgeschreven, welken godsdienst de regeerende Vorst of Vorstin belijden moet, en dat dit is de Protestantsche godsdienst. Hiervan is echter geen woord waar. Er staat geen letter van in de Grondwet, en wettelijk is de regeerende Vorst of Vorstin, in het stuk der religie, even vrij als elk onderdaan, of elk ingezetene van Nederland.

Natuurlijk zou het een hoogst gevaarlijke beweging veroorzaken, indien een regeerend Vorst of Vorstin eens gebruik maakte van de wettelijke vrijheid, om een anderen godsdienst te belijden dan den Protestantschen, of oordeelde, dat in eene andere kerk dan de Nederlandsch Hervormde het Gereformeerde

geloof, aan de handhaving waarvan de eerste Oranjes hun goed 'en hun leven gewijd hebben, voortleefde, en dus in die kerk toelating tot het Heilig Avondmaal begeerde. Ik houd het er voor, dat in zulk een geval de Oranje-liefde van velen onzer landgenooten op een zware proef zoil gesteld worden.

In elke wet ligt een ideaal, dat in de verschijnselen niet uitkomt en dus niet aanschouwd en met de zinnen kan waargenomen worden. De menschelijke dingen worden, in het groot en kleip, nog aitgd meer door macht dan door recht geregeld. Het koninkrijk der waarheid is niet van deze wereld.

In de worsteling om de waarheid is de Reformatie in de i6e eeuw een hoogst belangrijk en gezegend verschynsel geweest. Maar de fout en de zwakheid van heel dit groote en grootsche werk is geweest, dat zij te spoedig klaar was en — tegen haar eigen beginsel in — op haar beurt weder onverdraagzaam is geworden.

Dit geldt vooral de Duitsche Reformatie. Deze heeft zich beperkt tot het godsdienstig leven, en geen eigen wereld-en levensbeschouwing voortgebracht. Haar invloed is echter overwegend geworden, ook in Gereformeerde of Calvinistische landen. En uit dit feit laten zich tal van droevige verschijnselen verklaren, die ook onder ons zijn waar te nemen.

Stemt dus eenerzijds de herinnering van 31 October tot dankbaarheid, aan de andere zijde kunnen we ook het gevoel van weemoed niet onderdrukken, vanwege den afval en de zeer groote spraakverwarring, die onder Protestanten bestaat. Materieel wordt nog altijd gestreden over en om de waarheid, en formeel kunnen de meeste kwesties herleid worden tot kwesties over het gezag. Hoezeer onze ziel ook den vrede bemint en naar den vrede haakt, we zullen ons steeds minder mogen vleien met de gedachte, dat we den vrede op aarde vinden zullen, buiten de wereld van een gemoed, dat vrede heeft bij God door Jezus Christus onzen Heere.

Maar toch moeten wij voor waar en zeker houden, dat God, in onze dagen, nog vele dingen doet, die wij niet doorgronden kunnen. Het vermoeden, dat Gods Geest zich onttrekt en dat dit in verband staat met de herleving van het Calvinisme, moge goed bedoeld zijn, het openbaart toch ook eene beperktheid van blik en een oppervlakkigheid in het oordéelen, die te droevender is, vooral als zij uit onze eigen kringen voortkomt. Christus, den Heilige Geest aan zijne kerk toezeggende, heeft gezegd; de Trooster, dien Ik u zenden zal, zal bij u blijven tot in eeuwigheid. En hoe onze Gereformeerde vaderen er over dachten, blijkt o. a. uit het Gebed na de handeling des Kerkeraads, waar o. a. in gezegd wordt: » Wij danken U van harte, dat Gij ? net Uwen Heiligen Geest in het midden van deze onze vergaderinge geweest zijt, onze raadslagen naar Uwen wil slierende."

Zoo dachten de Gereformeerde vaderen over de inwoning des Heiligen Geestes in den Kerkeraad, maar daaraan ook de gedachte verbindende, dat die «raadslagen" gericht waren naar het Woord Gods, dat ook in het kerkelijke leven als het hoogste gezag gehoorzaamd moet worden.

En daarop komt ten slotte alles aan.

Zijn wij het Woord kwijt, dan wonen we in een huis zonder fondament, verwerpen wij het Woord, wat wijsheid houden we dan nog over?

Daarom zeide Luther: Van het Woord moeten ze afblijven!

En wie nu toch in naam der wetenschap, of in welken naam ook, zijn handen aan het Woord slaat, die wete wat hij doet. Maar naar onze overtuiging ondermijnt hij de religie, ontneemt aan het Protestantisme adel, brief en kroon, graaft den grond weg, waarop de kerk van Christus, alle eeuwen door, gebouwd is, en brengt daardoor namelooze jammeren over kerk en vaderland.

Ook als wij het Woord Woord laten, zijn er nog kwesties van uitlegkunde en dogmatiek genoeg, die het Protestantisme vrijwaren voor doode eenvormigheid en blind geloof. Doch hierin moesten wij één zijn, zoowel tegenover den tijdgeest als tegen Rome, dat wij vast staan in de belijdenis van de Goddelijkheid en het Goddelijk gezag van onzen Bijbel.

Moge die vastheid in de belijdenis de vrucht zijn van den strijd onzer dagen. Ons nageslacht zal dan ondervinden, dat we toch niet een ij delen strijd hebben gestreden. Het zal ons beter begrijpen en vvaardeeren dan het blijkbaar aan tijdgenooten mogelijk is. Zoo de kerk des Heeren maar staande blijft, doet het er echter weinig toe, of men ons vertrappe.

Dien weg moet het op.

Er is geen oogenblik gevaar voor het Protestantisme, mits het voorgoed een einde make aan zijn zelfgenoegzame voldaajiheid; inzie hoe Rome ons vooruit is in de keuze der middelen om verloren kracht te herstellen; en brekende met de ijdele philosophie, den moed hebbe tot de Calvinistische zuiverheid terug te keeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken