Bekijk het origineel

„hun kromen voor den troon”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„hun kromen voor den troon”.

9 minuten leestijd

Zoo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem die op den troon zat, en aanbaden Hem die leeft in aUe eeuwigheid, en wierpen hunne kronen voor den troon. Openb. 4 : 10.

De kroon i, s voor ons menschelijk besef de zinnebeeldige uhdrukking óf van heerschappij óf van overwinning-., soms, in één begrip saamgevat, het symbool van > heerschappij door zegepraal verworven."

In dien zin nu is de kroon het doel waarop e worsteling afgaat, het shoogste einde" waaroor de wedloop wordt ondernomen, het wit aarop zich alle veerkracht en alle inspanning icht.

Totdat de kroon den overwinnaar op de slapen wordt gedrukt, houdt de spanning, houdt de worsteling aan. Maar zóó is de kroon niet toegewezen, of heel de existentie ontspant zich, voor strijdgeroep is er een kreet van zegepraal, en in stee van het krampachtig worstelen, een triomfeeren met den lach der trotsche zelfvoldoeinng om de lippen.

Kr is om die kroon gestreden, en wie die kroon verwerven mocht, vond, in die kroon het doelwit van zijn streven.

Ook de Schrift spreekt ons telkens van zulk een kroon, en van de schier doodelijke worsteling die aan het verwerven van die kroon voorafgaat. Zelfs vat ze heel het leven van Gods kind op aarde in het beeld van zulk eeu s worsteling om de kroon" salm.

Paulus weet meer dan iemand zulk een worstelaar te zijn, en jubelt deswege vooruit reeds, dat hem Jvoorts.is weggelegd ik kroon die de

Heere de rechtvaardige Rechter^ in den dag van zijn zegepraal hem reiken zal" (2 Tim. 4:8).

Christus laat door zijn apostel aan de kerk van Smyrna schrijven: Zijt getrouw tot den dood, en ik zal u de kroon des levens geven" (Openb. 2 : 16),

Aan die van Corinthe schrijft de man van Tarsen, dat ook hunner een wedloop is, waarin ze kampen •> om een onverderfelijke kroon" {\ Cot, 9 : 25).

Met Paulus betuigt Jacobus: Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd zal zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen^ welke de Heere beloofd heeft dengenen die Hem liefhebben" (Jac. i _:11).

Petrus jubelt als in beurtzang mede: > Als de overste Herder zal verschenen zijn, zoo zult gij d'e otiverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen" (ï Petr. 4).

En schuift ge het gordijn weg van voor het apocalyptisch diorama, dat Johannes u van Pathmos zien laat, dan ontwaart ge tronen om den troon des Eeuwigen gezet, en op die tronen de vertegenwoordigers van Christus' kerk gezeten, jbekleed met witte kleederen cnmetgotiden kronen op hun hoofden" (Openb, 4:4).

De Man van smarte met de doornenkroon, opdat zijn verlosten het diadeem, de kroon der eere zouden verwerven.

Moet nu daarom gesteld, dat het einde van het Raadsbesluit Gods tweeledig is^ iO.de glorie u ws Gods en 2 ". de zaligheid van zijn ver kor enen ?

Velen willen het zoo, en leeren het aldus, en weigeren het zich anders dan in dier voege voor te stellen. Ook in Gods raadsbesluit zal tweeerlei einddoel den raad des welbehagens bepaald en beheerscht hebben, voorop natuurlijk de glorie onzes Gods, maar toch daarbij en daarnevens óók de zaligheid van Gods verkoren kinderen.

Zelfs onder Gereformeerden is d^tzt, tweeledige opvatting van het eeuwig raadsbesluit niet ongewoon.

De glorie Gods en »de gouden kroon voor vfie overwon" zal dan het tweeërlei einddoel zijn, waarop al het werk Gods gericht is, en in welks voleinding eeuwig al het werk onzes Gods rust.

Natuurlijk scheidt men dat dan niet; men plaatst niet beide zonder verband naast elkander ; men erkent veeleer dat de glorie onzes Gods ook in de redding van zijn verlosten uitblinkt; maar ook die genadekronen voor Gods kinderen blijven dan toch in de schatting van wie zoo spreekt, een doelwit waarop alles wat voorafgaat zich richtte.

Als eens Gods kinderen die kronen der eere ontvangen, ddn is het Besluit des welbehagen vervuld.

Ga met deze voorstelling, al vindt ze zelfs bij een Godgeleerde als k Marck voedsel, (Merch. VI : 17), niet mede.

De Heihge Schrift laat het u niet toe.

Zij leert u, dat de Heere alle ding geschapen heeft om zichzeljs wille: , en zij toont u den wèg der zaligheid, en stalt u den rijkdom van Gods genade nooit anders uit dan als een der middelen^ waardoor het gansch éénig einddoel, dat in de glorie onzes Gods is gesteld, zal bereikt worden.

jUit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen."

Ook de uitverkorenen.

Of juichen niet zij juist: »Nochtans hebben wij maar éénen God en Vader, uit Wien alle dingen zijn, en wij tot Hetn" '.

Ook kan het niet anders, want een besluit op twee doeleinden tegelijk gericht, is innerlijk gedeeld en 'gebroken. Een pijl gemikt op tweeërlei doelwit tegelijk, treft, van de pees gevlogen, noch het ééne noch het andere doel, maar gaat midden tusschen beide door.'

En ook al zijn er in de verwezenhjking van het besluit allerlei tijdelijke doeleinden, ncoit kan ëcn deaer het einddoel of het hoogste einde zijn. Vergeleken met dat hoogste einde, zinkt dk voorafgaand «doelwit voor èen tijd" tot den rang van middel terug.

In dat pogen, om de zaligheid der verkorenen, zij het ook slechts als nevendoel, naast de glorie Gods te stellen, spreekt dan ook niets dan een nawerking van den Arminiaanschen zuurdeesem.

Het is onze menschelijke trots, die het niet lijden kan, dat hét Besluit zich in niets naar ons menschen zou richten. Enkel middel voor Gods glorie te wezen is Ons te weinig.

En, in wat bescheiden mate dan ook, in iets wil zelfs de vrome nog dat God in zijn vrijmachtige souvereiniteit, zich naar zijn »oogappel" zal hebben geschikt. .

Zie nu op den Christus.

In de gestaltenisse Gods zijnde, heeft hij zichzelven vernietigd, en heeft de gestaltenisse eens dienstknechts aangenomen, gehoorzaam geworden zijnde tot in den dood, ja, den dood des kruises, en daarom heeft hem God uitermate zeer verhoogd, en heeft hem een naam gegeven boven allen naam, dat alle knie voor hem zou buigen, en alle tong hem belijden.

Zoo zag hem Johannes op Pathmos: »Een witte wolk, en op die wolk was gezeten een des menschen zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd een gouden kroon"

Die kroon was zinnebeeld van de kracht en de heerschappij en de eere en de heerlijkheid die aan het Lam Gods toekwam, en die hem door de gezahgden werd toegezongen.

En toch wat zegt u nu i Cor. 15 : 28 ?

Het verplaatst u in het aangrijpend oogenblik, als waarin eens de Christus die kroon aan de voeten des Vaders zal nederleggen. Immers, wanneer hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden Dien die hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

Leer hier nu van den Christus, in wat hoogen zin hij «zachtmoedig is en nederig vati harte".

De Messias-kroon is van even oneindige waarde als': ^de vrucht van zijn lijden, en_ toch in zoo ven e hij sis Zoon des menschen^ die kroon der eere van den Yader ontvangen heeft, is ook die kroon alleen middel. En, als nu hemel en aarde hem als het Lam Gods dat overwon, toejubelt, neemt hij aan het eind die gouden kroon van datzelfde hoofd dat eens de doornenkroon droeg, eerbiedig af, en legt ze neder voor den troon des Vaders, om met al Gods kerk, en als hoofd der triomi'eerende kerk, zich aan God en den Vader te onderwerpen.

En wat meldt nu het eerste vergezicht van Openbaringen 4 u van de vrijgekochten door zijn bloed, van wie aan het beeld des Zoons gelijkvormig zijn geworden?

Jigt voor hen althans het einddoel in] de kroon die hun wordt toegereikt, en richt zich al de aandrift hunner ziele er op, om die afgebeden, die lang begeerde, dieonverwelkelijke en onverderfelijke kroon voor zich te behouden en er meê te schitteren?

Maar immers wat Christus op Pathmos aan Johannes toont, zegt u vlak hel tegendeel.

Tegenover Satan en de wereld die God verwierp, is die kroon hun eere, 'het teeken van hun triomf, het merkteeken Gods aan hun voorhoofden, dat toch de wereld ongelijk had, en dat hun zaak door Hem die op den troon zit is gerechtvaardigd.

Tegenover Satan roemen ze in die kroon, triomfeeren ze onder die kroon, zegepralen ze met die kroon op het hoofd in nooit eindigenden jubel.

Maar nauwelijks hebben ze van Satan af het oog gewend naar Hem die op den Troon zit, of opeens grijpt hen een gevoel van ontzetting aan, en wordt een gewaarwording machtig over hun ziel, dat die kroon hen hindert, dat die kroon hun niet toekomt, dat die kroon op hun slapen niet mag blijven rusten.

En zie, als bij afspraak, en toch zonder afspraak, • grijpt elk kind van God met de hand naar de slapen, neemt die kroon van het hoofd af, en onder lofzang en aanbidding der eere, werpen ze al te zaim hun kronen als bloemen voor de voeten des Eeuwigen neder.

Gelijk een bruid de bloemen op haar pad voor de voeten worden gestrooid, zoo strooit al de heirschare der gezaligden deze schitterende kronen voor de schreden des Almachtigen neder, het als met een stemme veler wateren uitgalmende: sNiet ons, niet ons, o Heere, Gij alleen zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eere en de kracht, want Gij hebt alle dingen geschapen, en door uw wil alleen zijn ze."

Hierin nu is de voleinding der heiligmaking, de heerlijke triomf in de laatste verzoeking, waarvoor Gods kind te staan komt.

Wierp hij die gouden kroon niet voor den Troon neder, maar behield hij haar voor zich., zoo zou juist die gouden kroon op zijn hoofd het zekere merkteeken van zijn terugzinking in het verderf zijn.

Een uitsteken van de hand naar wat Satan in het Paradijs beloofd had: Gij zult als God zijn. D. i. hier gelijk op het hoofd des Eeuwigen de kroon van heerschappij en eere en majesteit rust, zoo zult ook gij eeuwiglijk met het diadeem der eere gekroond zijn.

Maar juist hiervoor bewaart de voleinding der genade hem.

Het is hier geen verzoeking meer.

Voor den aanblik van Gods majesteit het oog opslaande, kan hij het met die kroon op het hoofd niet uithouden. Die kroon doet hem pijn. Die kroon drukt en benauwt hem.

Alleen God is groot.

Alleen voor God is de majesteit.

Alleen Gode komt de kroon der eere en der heerlijkheid toe.

En nu, zijn God dankende, dat tegenover Satan één oogenblik die kroon zijn hoofd gesierd heeft, neemt hij die kroon, als een door God zelf hem gereikte bloem, van het eens schuldige, maar nu gezalfde hoofd af, en bezaait, in één heilige verrukking met al de verkorenen ten leven, den weg zijns Gods als met duizenden en nogmaals tienduizenden kronen, het goddelijk bloemtapijt waarover de Heere der heirscharen in zijn heiligen tempel ingaat.

Ook die gouden kroon was niet zijns, maar Godes.

En eerst door ook die gouden kroon aan Zijn voeten neder te werpen, heeft Gods kind het Soli Deo gloria in zijn diepste opvatting voleind.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„hun kromen voor den troon”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken