Bekijk het origineel

„Onze hulpe sta in den naam des Heeren.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Onze hulpe sta in den naam des Heeren.”

18 minuten leestijd

[OUDEJAARSAVOND].

Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft. Psalm 124 : 8.

Met het Kerstfeest stonden we in het middenpunt der particuliere genade, op den avond van het Oudejaar is het in zijn ^1? meene gratie, dat v^e onzen God tegemoet gaan.

Het Oudejaar brengt ons aan een rustpunt van ons natuurlijk, burgerlijk, huislijk leven. Het is het boekjaar der burgermaatschappij, dat op dien laatsten dag desjaars^ wordt afgesloten. Het is ons leven als mensch met onze medemenschen, dat dien avond van jaar in jaar overgHjdt. Het Oudejaar doelt op de indeeling van den Tijd, het Kerstfeest deed de poorte der Eeuwigheid voor ons open. En daarom daalden op Kerstfeest de zangers en speellieden uit Gods hemel neder, maar is de Oudejaarsavond zoo menschelijk-aardsch. Geen engelentoon die van boven klinkt, maar een uiting van menschelijken ernst, een klagen van menschelijke bezorgdheid, menschenézx^ die voor God opklimt, in alles het kloppen van ons menschelijk hart.

Dit geeft aan den Oudejaarsavond een veel breederen grondslag; want al viert nog bijna ieder in ons land ook het Kerstfeest mede, toch leeft in dat Kerstfeest niet b, wie geen deel aan Jezus heeft. Maar op den Oudejaarsavond is dat anders. Daar voelt ieder ^ie mensch is, de aantrekkelijkheid, haast zeiden we, het angstig genot van. Men vindt het heerlijk, saam dat oogenblik door te gaan, waarin met één klokslag heel een jaar van ons leven wegglipt; men genietin den ernst der gemeenschappelijke herinneringen, ook al spreken die herinneringen van veel drqeve smart; men leeft sterker dan anders door de vragende onrust, die het gemoed overmeestert; alleen is men dien avond liefst niet; het is of de banden van bloed en vriendschap meer dan gewoonlijk trekken ; en als men straks, na middernacht, het luik openstoot, en bij het schemerlicht van eigen voorgevoel het nieuwe, o, zoo wonder aantrekkelijke, maar toch nog zoo vreemde jaar ingluurt, verstaat ieder de vraag, die niemand uitspreekt: Wat zal het ook nu weer zijn?

Dat rtiedeleven van allen in den Oudejaarsavond geeft ongetwijfeld aan zijn viering iets uitwendigs, maar toch iets dat ons menschelijk gevoel toespreekt. Het haalt van verre niet, wat diepte en innigheid betreft, bij hetgeen uw ziel doorleeft als ge met 's Heeren volk bij het kruis, met al Gods kinderen in uw geheiligde verbeelding bij de kribbe van Bethlehem nederknielt. Maar één ding heeft de Oudejaarsavond voor. Hij sluit niemand uit, maar allen in. De voor ons menschelijk gevoel altijd zoo pijnlijke scheiding tusschen wie Jezus kent en den Heiland verwerpt, is van uw Kerstfeest onafscheidelijk, maar geeft op Oudejaarsavond den doorslag niet. Familieleden, vrienden, kennissen, die nog vervreemd zijn van het geloof, staan u in den weg als ge het Hosanna voor uw Jezus aanheft, maar op den Oudejaarsavond trilt door hun hart en door het uwe een gelijksoortig gevoel. De ernst van dien avond verstaan ook zij. Bij die wisseling van jaar in jaar geldt het hun leven zoowel als het uwe. Want al zijn ze nog geen pelgrims met u naar het Jeruzalem daarboven, ook zij staan toch met u een vol jaar nader aan dat graf, dat eens ook hen verslinden zal. En nu ware het zeker schuldige ontrouw, zoo ge daarom uw geloof dien avond weg woudt, bergen; maar niets belet u dan toch, om op dien avond van het Oudejaar ook eens als mensch in het menschelijke u te verzinken, en weer eens dien band met alle menschelijk leven te voelen trekken, die, helaas, op het heilig erf zoo gedurig moet losgemaakt, dwingende tot breuke en scheiding, ook waar ons hart dorst naar saamleven en gemeenschap.

Oiize hulpe" is de toon die op dien avond in uw hart weerklinkt.! Niet maar mijn hulpe, noch ook enkel de hulpe voor de broederen. Neen, onze hulpe, is dan de betuiging des vertrouwens, die uit aller hart opklimt. De hulpe voor uw persoon, voor uw huis, voor uw geslacht, voor uw volk en vaderland. Voor alle mensch en alle menschelijk leven wordt de hulpe onzes Gods ingeroepen, als van dien hoogen en almachtigen God, die immers iden hemel en de aarde geschapen heeft" en van Wien deswege alle mensch en alle zaak des menschen afhangt, en in wiens hand, wijl Hij onzer aller God en Schepper is, met óns leven, alle menschelijk leven afhangt.

Want hulpe, dat is het wat we op dien Oudejaarsavond weer zoo diep beseffen voor alle bestaan, allen arbeid en alle leven des menschen van noode te hebben.

Hulpe omdat zonder hulpe van Boven alles onder ons bezwijkt.

Immers dit juist is de prediking van het Oudejaar, dat we anders gemeenlijk onze dagen in zelfmisleiding doorleven; gedachteloos van dag in dag, van week in week, van maand in maand overgaan, en achten op eigen raad te kunnen drijven, en met eigen daad te kunnen volstaan; maar dat bij het overgaan van jaar in jaar die zelfmisleiding dan toch een oogenblik breekt, en we onze hulpbehoevendheid weer inziende, en onze machteloosheid weer erkennende, saam weer belijden durven en belijden moeten, dat ons leven van onzen God afhangt, dat Hij over ons te zeggen heeft, dat ons lot in zijn hand is, dat Hij ons onzen levensdraad toemeet, en dat bij de onzekerheid en den angst die ons van alle zijden overvalt, er geen stilheid voor onze ziel en geen ruste voor ons hart is te vinden, als we geen steunsel des vertrouwens hebben in die hulpe onzes Gods.

Dat heimwee naar hulpe van onzen God moge bij enkelen alleen door het weer afsnijden van een jaar levens zijn gewekt, het wordt bij verreweg de meesten nog door geheel andere gewaarwordingen aangedrongen. Hoor maar wat I.iachte er gedurig opstijgt uit het teleurgestelde hart, en gis wat veel dieper klaagtonen nog door de ziel ruischen, die haar leed verbergen motï. Weer een ander is geknakt in zijn frissche levenskracht en wordt door pijn of krankheid naar God uitgedreven. Tegenspoed in zaken heeft een derde klein gemaakt. Verdriet en tegenwerking brak den hoogen toon van vroeger gelukken. Of smartelijker nog was het de Dood zelf, die in uwen kiing binnendrong, en nu op Oudejaarsavond de pas gesloten wonde van uw hart weer openrijt, o. Het leven, met zijn bittere ervaringen en pijnlijke teleurstellingen, is zoo rusteloos doende, om ons ons dwaas besef van zelfgenoegzaamheid te rooven, om ons onze kleinheid en onmachtigheid diep te doen gevoelen. En als God dan op den Oudejaarsavond op dat reeds zoo geslagen en neergedrukte hart ook nog al het gewicht van het opkorten van ons menschelijk aanzijn doet rusten, dan is het opzien naar Boven en het uitzien naar de hulpe Gods zoo vanzelf in aller hart opkomend, dat ge het heimwee van uw menschelijk ha.rt niet beter kunt vertolken dan in de .bede van den Psalmist, straks het gebed dat Christus' kerk van Davids harpe overnam: *Onze hulpe sta in den naam des Heeren, die den hemel en de aarde gemaakt heeft."

Ja, die hemel en aarde gemaakt Iteeft, want met niets minder kunt ge, om heel uw leven te dekken en voor allen nood hulpe te erlangen, toe. Hemel en aarde gemaakt, en dus óók die God die uw levenskracht draagt; die de God niet enkel van nw ziel, maar ook van uw iichaani is; die alle nering en bedrijf schiep en er u in stelde, en het gewas des aardrijks beheerscht, en den loop der wereldmarkt regelt; die u de banden des bloeds aanlegde en u uw vrouw toebracht, en u uw kinderen schonk, en u vrienden gaf en nam; in wiens hand én kunst én wetenschap is, en ook het gerucht dat op den weg van u uitgaat; die medicijn en ontleedmes beheerscht en uw kranken opricht of ze ten grave doet dalen. Hemel en aarde geschapen, en daarom niets Hem ontgaande, en tot in het kleinste en geringste toe heel uw leven en alle verhouding, en alle betrekking van en alle voorval in uw leven in zijn macht en onder zijn bestel. Wat achter u ligt uit Hem u toegekomen, uw heden in zijn hand, en geen toekomst voor u dan uit Hem en door Hem u toekomende. Zelfs de graven van uw afgestorvenen in zijn aarde weggeborgen, o, moge het zijn hun ziel in zijn hemel opgenomen. Met wat minder kunt ge dan toe, dan met de almachtige hulpe van "3ien trouwen Vader, die én dien hemel én dte aarde geschapen heeft?

En op die hulpe vertrouwt ge, omdat ge die hulpe hebt bekend. Die hulpe is niet een nieuw iets, dat enkel profeteert voor het jaar dat komt, maar een reeds lang gekend en lang genoten goed, waartoe ge nogmaals uw toevlucht neemt. Of wie zal op den rand van het Oudejaar enkel in de toekomst staren, en niet ook de gedachten in zich voelen vermenigvuldigen door de herinnering aan de hulpe die God ons in het verleden schonk? Het is zoo, er zijn klagers die nooit danken, er zijn ontevredenen van hart, die bijna nimmer met den lach der dankbaarheid om de lippen naar hun God opzien. Gemelijke, sombere naturen, die hun bezit niet kennen, hun geluk niet weten te schatten, nooit in wat ze hebben roemen, maar pessimistisch aangelegd nooit anders staren en turen dan op wat hun ontbreekt. Nu, de God van alle barmhartigheid, wiens liefde door die somber gestemde naturen zoo schuldig miskend wordt, moge hun ook die schuld van den ondank vergeven. Maar gelukkig zoo zwartgallig gestemd zijn de meesten onzer niet; en als we op den avond van het Oudejaar in de spanning van ons hart saam schuilen, trilt er wel terdege in de ziel der meesten een toon van lof en dank voor Hem, van Wien hun hulpe gekomen is. Reeds dat ze nog leven en er nog zijn doet een gevoel van stille genieting over het hart komen. Hoevelen gingen niet van ons, en waarom werden wij gespaard ? En ook buiten dat leven en dat aanzijn, hoe vele goeden zijn uit de Fontein aller goeden ook in het jongst verloopen jaar ons niet weer toegevloeid! Ook al was het niet alles voorspoed, ook al heeft ons hart angst en zorge gekend, ja ook al schreide onze ziel soms in het verborgene, en al trof ons slag na slag, toch is ook door die donkere wolken zoo dikwijls de lichtstraal van Gods liefde doorgebroken, heeft door de nevelen heen de star der hope ons zoo dikwijls lieflijk toegeflonkerd. Een jaar is zoo lang, en wat heeft onze Vader die in de hemelen is, al die dagen, al die nachten, ons niet van veel leed dat anderen trof bewaard, gevaren die anderen overvielen van ons afgewend, ons, al wandelden we door een woestijn of dorre wildernis, niet vaak verkwikt door een Ueflijke ontmoeting, door ons een bron te doen ontspringen in de dorre plaatse, en ons bloemen te strooien op ons eenzaam pad. Want ook al denken we hierbij nu nogniet aan geestelijke vertroostingen, en al trekken we al onze opmerkzaamheid nog saam op de weldaden zijner gemeene gratie, toch ook in die gemeene gratie is onze God zoo groot en zoo aanbiddelijk, en wie rijk in zijn God wil zijn, die merkt ook dezeri^z weldaden gewisselijk op, geniet innig in de herinnering er van, en hernieuwt op den avond van het Oudejaar den dank, dien hij zoo telkens reeds op de knieën alleen, of in het gebed met de zijnen, voor zijn God heeft uitgesproken.

Ja, er was hulpe ook in dat lange verleden dat achter ons ligt, ook in dat jaar, dat nu weer voor altoos weggaat. Hulpe, niet altoos naar de bede van ons veelbegeerend hart, maar toch hulpe naar het goed voor ons was, hulpe naar Gods liefde het over ons besteld had. o. Als die htlpe onzes Gods dat jaar ons eens niet verzeld had, wie onzer zou hebben kunnen bestaan, en hoe zou ons. hart niet in weedom gebroken en bezweken zijn.

En is zoo door dankbare herinnering de volle rijke beteekenis van de hulpe uws Gods weer Idaar en helder, in haar volle afmetingen, voor u komen staan, dan is het ook die hulpe uws Gods en die hulpe alleen, waarop ge, nu ook voor het jaar dat straks ingaat/ uw hope én voor uzelven én voor uw lieven, voor uw kerk en voor uw vaderland stelt. Of waar zou zich anders uw vragende, uw zoekende blik heenwenden? Woudt ge zien op uw eigen arm, op uw eigen kracht en verdienste, op uw goed en uw schat? Maar immers juist op den Oudejaarsavond voelt ge nog dieper dan anders uw eigen kleinheid en machteloosheid, en predikt het opkorten zelfs van de eeuw, die ten einde spoedt, u zoo aangrijpend welsprekend de broosheid en vergankelijkheid van alle menschelijk bestaan. Of zoudt ge dan op menschenhulp steunen, en al uw klacht is juist, dat ge telkens teleurgesteld uitkwaamt, dat er op vrienden niet te rekenen was, en dat eigen smartelijke ondervinding u gedurig het woord bevestigde: Vest op prinsen geen vertrouwen, waar ge nimmer heil bij vindt, o. Het is zoo, soms komt de verleiding over de ziel, om te grijpen naar die geheimzinnige ongekende macht, die als de Fortuin geloofd, of als het Noodlot gevreesd wordt, en die in spel en lot en speculatie wordt nageloopen; maar zoo ooit dan voelt ge toch op den avond van het Oudejaar van die afgodische gelukzoeking de zondige dwaasheid. En uw slotsom wil, uw slotsom kan geen andere zijn, dan dat er noch in u zelven, noch bij eenig goed, noch bij menschen, noch bij de Fortuin hulpe is te zoeken, en dat al onze hulpe eeniglijk kan en moet staan in den naam des Heeren, die den Jiemel en de aarde gemaakt heeft.

Wat u dat stille, vaste geloofsvertrouwen, rooven kon, ware alleen uw geweten. Het verwijt dat in uw binnenste woelt; de zelfaanklackt van uw hart; d^ beschuldigende stem die ons naroept, en waar we anders wel over heen werken, maar die op Oudejaarsavond te krachtig van toon wordt, om zich te laten smoren.

, Uw geweten spreekt u niet vrij, maar laat een oordeel over uw leven gaan, ook over uw leven in het nu verloopen jaar. En al is het zoo, dat de één daarbij fijner keurt dan de ander, en meer dan één nog zelfs geen flauw vermoeden van zonde en schuld heeft, waar de ander reeds de verslagenheid over zijn hart voelt komen, iets verwijt dat geweten toch aan een iegelijk. Zelfvoldaan en zich zelven vrijsprekend is op den Oudejaarsavond niemand. Het leven gaat zoo snel voorbij, en wat heb ik uitgericht? Waar is de rekenschap van al mijn dagen en uren? Heb ik gewoekerd met elk talent dat God mij gaf? Wat benikgevor-

derd voor de vorming van mija persoon, voor de veredeling van mijn karakter ? Wat ben ik geweest voor die personen met wie God mij in aanraking bracht of waaraan Hij mij met banden van bloed en vriendschap en levensbetrekking bond? Is mijn macht over de zonde van mijn hart wezenlijk toegenomen? Heb ik meer liefgehad? Meer liefde in mijn hart voelen opwaken om God hef te hebben, om met mijn Heiland gemeenschap te oefenen, om zijn volk te minnen, om den naaste te helpen? Was er minder zelfzucht, minder eerzucht, minder wereldzin, en meer toewijding, ernstiger gebed, nauwer leven bij mijn hart ?

Doch waartoe de vragen vermenigvuldigd ? Niet wij behoeven het geweten te vertolken, de consciëntie spreekt voor zich zelve. En die stem der consciëntie nu is het, die u den twijfel in het hart werpt: Zal de hulpe mijns Gods mij nabij blijven, de hulpe van dien God, dien ik zoo telkens vergat, buiten wien ik zoo vaak uren leefde, dien ik zoo dikwijls verdriet aandeed, en wiens Heiligen Geest ik zoo vaak heb bedroefd? Dat breekt dan het vertrouwen. Het doet het gellof bijna uitglijden. En zoo licht komt. ons dan de Kaïnsgedachte overmeesteren: Wat zoudt gij nog uw hope op uw God stellen, is niet uw zonde grooter dan dat ze vergeven worde?

Maar juist op dat punt grijpt dan ook de particuliere genade in és. genie ene gratie in, en waar het kind der wereld zich slingeren voelt in twijfelmoedigheid, verheft het kind van God zich, in de wondere kracht des geloofs, ook uit dien stroom van ongerechtigheden op, want hij weet het, hoe machtig ook zijn zonden zijn, zijn God is nóg machtiger dan de veelheid zijner zonden, en de hulpe van zijn God hing nooit, nooit aan zijn verdienste, maar altoos en eeniglijk aan de gansch vrij machtige, geheel verbeurde, altoos overmogende genade van zijn God.

Ook als uw consciëntie, o, kind des Hceren, u beklaagt, en uw zonde zich bergenhoog tegen u verheft, en u moedeloos verpletteren wil, en er geen hulpe tegen die zonde besteld schijnt, roept en juicht ge nog met de volle geloofstaal: Ook tegen mijn zonde staat mijn hulpe onwankelbaar vast in den Naam des Heeren, die den hemel en de aarde gemaakt heeft. Hulpe ijjet alleen om mijn zonde te verzoenen, om mijn consciëntie te stillen, «n mij het voorWerp van een eeuwige Liefde te doen blijven, maar ook om mij van die zonde af te helpen, eens in mijn sterven voor immer, en nu reeds door de heiligmaking en reinigmaking van mijn hart.

En daarom vloeien dan ook bij Gods kind die tweeërlei nooden inéén, de nooden en bekommernissen van het uitwendig leven, en de nooden en bekommernissen van het leven zijner ziel. Eerst gedeeld, vormen ze ten slotte voor hem slechts één kommer, de groote vraag, wat de toekomst, neen, niet het meest de naaste, maar wat de eeuwige toekomst hem brengen zal voor zijn persoonlijk bestaan, voor de zijnen, en voor het Koninkrijk van zijn God. En zoo verplaatst het afscheid van het nu voorbijgegane jaar hem vanzelf in die andere ure, van nog zooveel Jioogeren ernst, als hij toe zal zijn aatf het afscheid van de zijnen die hem voorgaan, of zelf ten leste scheiden zal van zijn huis, van zijn werkkring, van al wat hij iiefhad op deze aarde.

Aldus gaat de eerst te gespannen ernst in een heiligen ernst over. Over den loop der jaren heen staart hij in zijn eeuwige toekomst. En zoo zinkt hij ganschelijk in zijn kleinheid, meer nog dan dusver in eigen nietigheid weg. Hij beseft het en voelt het in zijn hart, dat er buiten zijn God nergens een plek is, waarop zijn voet zou kunnen rusten, en willig en als vanzelf vleit het eerst zoo gejaagde hart zich in kalme ruste' neder op Gods Vadertrouvv. Onze hulpe staat, en sta eeniglijk, in den Naam van Hem, die niet alleen de aarde, maar ook den hemel gemaakt heeft, wiens niet alleen de Tijd, maar ook de Eeuwigheid is, en die ook dan als de laatste Oudejaarsavond zal doorwosteld zijn, mij opwacht met zijn eeuwigen morgen.

En als hij dan uit die hoogte der aanbidding weer op zijn aardsche leven, en op de toekomst die hem hier beneden wacht nederziet, o, dan zijn zijn begeerten zooveel minder hartstochtelijk geworden, daii zijn zijn verwachtingen zoo veelszins ingeperkt. Dan vraagt hij niet meer, en dringt niet meer, maar voelt iets over zich komen van het gespeende kind bij zijn moeder.

Zijn hulpe is uu waarlijk in den Naam zijns Heeren, en zijn verwachting van den God zijns vertrouwens. En daarom laat de begeerte zijn ziel los, en het geloof begint zijn ziel aan te grijpen. Zooals zijn God het over hem geheugen zal, zoo zal het goed zijn. Doe Hij naar zijn vrijmachtig welbehagen! En door die gedachte gedragen, door dat geloof bezield, begraaft hij het jaar dat verliep, God biddende om zijn zonde van dat jaar nimmermeer te gedenken. En het Nieuwejaar dat komt gaat hij tegen, niet met duizend vrageir, die slechts den geest verwarren, maar met de ééne betuiging, dat ook in dat komende jaar noch hoogte noch diepte noch eenig ander schepsel, noch dood noch leven hem zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die hij in Christus zijnen Heiland bekend heeft.

En nu is zijn gebed verdiept, zijn blik op de toekomst rustig geworden. In die liefde zijns Gods zalig, roept hij het vaarwel toe aan een jaar dat hij toch niet kon vasthouden, en, rijk in wat zijn God hem nog liet, sluit hij zich van ziel tot ziel nog inniger met de zijnen te zaam, om saam met hen neder te knielen, en aller hart als met ééne stemme te doen uitgaan in den lofzang des vertrouwens: Onse hulpe staat in den Naam des Heeren, die den hemel en de aarde gemaakt heeft !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Onze hulpe sta in den naam des Heeren.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken