Bekijk het origineel

Amsterdamsch Gymnasium.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Amsterdamsch Gymnasium.

7 minuten leestijd

Het Amsterdamsch Gymnasium heeft de goede gewoonte van onze oude Latijnsche scholen gevolgd, om in het Jaarverslag niet maar cijfers en berichten, maar ook een stuk paedagogische studie te geven.

Het kon dit doen, omdat het beschikt over het zoo uitnemend paedagogisch talent van een man als Dr. Woltjer, die telken jare over één der vakken van onderwijs zijn denkbeelden in deze verslagen uiteenzet.

Onze lezers herinneren zich nog hoe schoon het stuk over de Historie was. Welnu, dit jaar gaf hij een niet minder schoon stuk over de studie der natuurwetenschappen, waarvan we het volgende als^.proeve ^aan onze lezers voorleggen.

De natuurwetenschappen hebben het hooge standpunt, waarop zij tegenwoordig staan, voor een groot deel te danken aan de methode, die zij volgen. Nauwkeurige waarneming, experiment en inductie zijn de drie machtige factoren, die deze methode samenstellen. Bij het onderwijs is het dan ook noodzakelijk op de groote beteekenis dezer factoren uitdrukkelijk de aandacht der leerlingen te vestigen. Aan hunne waarde mag niets te kort worden gedaan, of de vruchten van het onderwijs zullen er onder lijden. Dat behoeft ons echter niet te beletten te wijzen op de eenzijdigheid, waaraan vele natuuronderzoekers zich schuldig maken, eene eenzijdigheid, waaraan ook de beoefenaars van andere wetenschappen, door de schitterende resultaten van gene verlokt, dikwijls hunne sanctie geven.

In deze eenzijdige verheffing harer methode ligt juist het gevaar dat de beoefening der natuurwetenschappen ongetwijfeld met zich brengt. Waarneming van feiten en samenvatting dezer feiten onder algemeene gezichtspunten wordt door sommigen beschouwd als het een en al der wetenschappelijke methode; de feiten, die men waarneemt, zijn lichamen in beweging, de algemeene gezichtspunten, zijn de wetten der beweging, en zoo worat de geheele wetenschap tot mechanica herleid.

Ook zonder dat deze mechanische beschouwing der dingen uitdrukkelijk als de alleen wetenschappelijke wordt voorgesteld, is er alhcht eene neiging bij de leerlingen om tot die opvatting te komen, wanneer zij voortdurend in die richting geleid worden. Op de hoogere burgerscholen is dat gevaar natuurlijk veel grooter dan op de Gymnasia, omdat op de eerste de wis-en de natuurkundige wetenschappen domineeren, terwijl di laatste aan de studie der talen den meesten tijd besteden. Maar het overwicht der natuurwetenschappen is zóó groot geworden, dat men hare methode ook op de talen en de geschiedenis gaat toepassen, ook daar van de afzonderlijk waarneembare feiten als het vaststaande uitgaat om te komen tot wetten, die dan slechts als de zuiver inteliectueele samenvatting der verschijnselen onder algemeene gezichtspunten worden beschouwd, m. a. w. als subjectieve vormen van ons menschelijk denken.

Sedert de dagen van Baco van Verulam is deze methode opgekomen, natuurlijk niet de inductieve methode op zich zelf, maar die methode met hare onderstellingen en gevolgen, die tegenwoordig de eigenlijke natuurwetenschappelijke heet en waarnaar bijv. Opzoomer ook de overige wetenschappen wilde beoefend hebben. Volgens Baco jhebben de oude philosophen de natuurwetenschap bedorven, Aristoteles door zijne logica, Plato door zijne Theologie, " sTot nu toe, zegt hij, is er niemand opgetreden, met zulk eenen sterken geest' en zulk een ernst bezield, dat hij besloten en zich tot taak gesteld heeft de algemeene geldende beschouwingen en begrippen van zich af te werpen en den effen en glad geveegden geest voor de indrukken der afzonderlijke dingen open te stellen. Er is in de natuur niets dan de ondeelbare lichamen, die zuiver en individueel werkzaam zijn naar een wet; de wetenschap heeft deze wet tot grondslag: haar moet zij zoeken en vinden en uiteenzetten met het oofi op het weten en handelen. Daartoe nu kan men alleen komen langs eene inductieve methode." De waarde der hypothese is door Baco nooit begrepen.

Zooals het gewoonlijk gaat, is ook hier de dwaling niet zoo in het oog springend, dat zij dadelijk wordt opgemerkt. Zij heeft een schijn van waarheid; indien de uitdrukking niet tot verkeerde gevolgtrekkingen aanleiding gaf, zouden wij willen zeggen: zij is ten deele waar. Tegenover de deductiën der scholastiek van het einde der middeleeuwen was een beroep op de concrete dingen niet ongewettigd. De waarneming heeft altoos ter toetsing van het speculatieve denken hare bijzondere en zeer groote waarde. Met de feiten moet elke wetenschap, moet ook de philosophic rekening houden; feiten moet zij opsporen, uit feiten mag zij als uit vaststaande gegevens algemeene regelen en wetten afleiden. In 't bijzonder waar het om de kennis der natuur te doen is, moet de waarneming van het feitelijk . bestaande en werkende de stof geven voor het* denken; bespiegeUngen leiden zoo licht tot dwaling.

Maar hoezeer wij dit ook met allen nadruk verklaren, gaan wij daarom toch niet mede met Baco en zijne navolgers, die niets dan ondeelbare lichamen kennen in de natuur en van deze als den grondslag, het begin, van alle natuurwetenschap uitgaan. De idee gaat vóór de uitwerking of objectiveering der idee. Zoo opk in de wetenschap. Aanschouwing en waarneming zijn nog geen kennis; om deze te vormen is nog een subjectieve factor noodig. De zoogenoemde empirie is nog geen voldoende grondag voor de wetenschap.

Doch een betoog over den oorsprong onzer kennis_ zullen wij hier niet leveren. Alleen willen_ wij opmerken dat de inductie ten slotte altijd steunt op eene deductie, zoodat ook in dit opzicht^ de idee voorop gaat; ten tweede dat ook bij_ het experiment eerst de idee aanwezig moet_ zijn, waarvan men de waarheid door het experiment wil bewijzen; terwijl eindelijk ook de hypothese, die volgens Huxley altijd aan de ntdiekking eener wet voorafgaat, eene idee is. Voegen wij daar nu nog bij, dat de natuurwetenschap van begrippen als stof, kracht, beweging ftnz. als gegevens uitgaat, dan is daarmede voldoende aangeduid, dat zij, die meenen eenvoudig van de voorwerpen en feiten als vaststaande eerste elementen te kunnen uitgaan, zich misleiden 5 zonder het speculatieve element geeft de e'.upirie en het experiment geen wetenschap.

Tot de voordeelen, die de beoefening der natuurwetenschappen medebrengt, wordt door velen ook dit gerekend, dat men bij deze studie vrij is van alle dogmatisme.

't Is echter nuttig, dat de leeraar bij het onderwijs steeds in het oog houdt, en er bij gelegenheid ook op wijst, dat deze meening niet juist is. sledere empirische wetenschap moet in betrekking tot hare grondslagen dogmatisch zijn en mag dit dogmatisme eerst laten varen, wanneer de ondervinding haar leert, dat op deze grondslagen geen theorie meer opgebouwd kan worden, die aan de gegevens der ervaring op het gegeven tijdstip volledig kan voldoen, " zegt Dr. Rosenberger in zijn werk over Isaak Newton (pag. 3). En wat nu die grondslagen betreft, daarover heerscht onder de natuurkundigen van den-eersten rang volstrekt geene eenstemmigheid. Atomen en krachten worden door sommigen onder hen mythologische begrippen genoemd; van de begrippen oorzaak en werking tracht men zich te ontdoen, daar zij veel overeenkomst hebben met fetichisme. Een man als Kirchhofif beschouwt het als de taak der natuurwetenschappen eene, voor zoover dit mogelijk is, volledige beschrijving der natuurverschijnselen te geiden, zonder zich om oorzaken of verklaring te bekommeren; het zoeken naar oorzaken behoort niet tot haar gebied, veel minder nog het vragen naar doeleinden; alle teleologie wordt buitengesloten. Wij verstaan dat streven; het is de consequentie van hel empirisme; men wil alles buitensluiten wat niet volkomen zeker is, en die zekerheid meent men in de waarneming te bezitten.

In zeker opzicht zouden wij er ons in verheugen, wanneer de onderzoekers zich streng hielden aan zulk een program; wij zouden verlost worden van een tal van theorieën, die in 't minst geen redelijken grond hebben, maar toch als resultaten van wetenschap gebruikt worden ter bestrijding van het Christelijk geloof.

Dit citaat is lang, maar het mocht niet worden afgebroken, om dat metterdaad in deze zinsneden positie is genomen.

Aan alle natuur ligt een gedachte ten grondslag. Die gedachte was er eerst. En eerst wie die gedachte peilt, verstaat de natuur. Alleen zoo komen we weer van natuurempirie tot 'osX'OAxrwetenschap.

Het Verslag zou overigens o. i. wel doen, indien het voortaan deze stukken van Prof. Woltjer onder een afzonderlijk hoofd opnam, en ze niet meer in het schoolverslag zelf inlaschte.

Dan wist ieder waarover ze liepen, en van wiens hand ze waren, en later, als alle wetenschappen doorloopen waren, konden ze in één bundel saam worden uitgegeven.

Het is verlies en schade, als zulke stukken in een door weinigen gelezen Verslag schuil blijven. En ook de Standaard, waarin ze werden afgedrukt, gaat als elk dagblad te spoedig naar de papiermand.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Amsterdamsch Gymnasium.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken