Bekijk het origineel

Nieuwe Theologie,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nieuwe Theologie,

11 minuten leestijd

Op de brochure van den heer Ds. Hulsman terugkomende, beginnen we met te wijzen op hetgeen ons daarin tegenstaat. Het is in hoofdzaak dit.

Critisch tegenover de jongere Ethische school optredende, is Ds. Hulsman onverwinlijk; maar als het nu aankomt op het formuleeren van zijn eigen standpunt, blijkt het hem ten eenemale te ontbreken aan de noodige kennis, en het noodige doordenken, om een weg te kunnen afbakenen, die ook maar voor één enkelen mijlpaal vertrouwbaar is.

Hij wil den Bijbel behouden, Ethisch blijven, en met verwerping van de denkvrucht der eeuwen, aan het einde der 19e eeuw een nieuwe theologie, een »eigen wetenschap des geloofs" gaan scheppen. Doch hoor hem zelven:

Uitgaande van Christus, en door Hem van de Bijbelsche traditie, hebben wij ook de Gereformeerde dogmatiek te herzien, die alle harten koud laat. »De beste dogmatiek", zei Dr. Gerretsen in zijn laatste monographie, »is de historie." Dit is volkomen waar, maar dan ook de eenvoudige heilige historie des Bijbels, niet zooals ze door de critiek ontluisterd is geworden. Wat hebben «ij met leerstelUge systemen te maken; wij kunnen ze eens bestudeeren in den academietijd, als onderdeel van de geschiedenis der beschaving; wij kunnen ze eens aandachtig doorwerken, bij wijze van hersen-gymnastiek, om te zien, hoe men altijd met zijne gedachten vastloopt. Zoo goed als het nuttig is, om de philosophie van Kant door te denken en te leeren, hoe het menschelijk verstand zich altijd verwart in de anti-nomieën van quantiteit, qualiteit, relatie en modaliteit, zoo nuttig is het, om de Institutie van Calvyn te doorleven, om te zien, hoe hetzelfde menschelijk verstand zich altijd weer verstrikt in de voorstelling van Gods almacht en onze vrijheid, Gods genade en onze schuld. Het is noodig de gedachtenstelsels van zulke reuzen van denkkracht in zijn brein opgenomen te hebben, om ootmoedig te worden, en zijn studie te eindigen met deze woorden van Spreuken 30 : i : »Ik heb mij afgetobd, o God! Ik heb mij afgetobd, o God! en ben bezweken !"— sHet geopenbaarde is voor ons en voor onze kinderen", staat er in de Schrift > en het verborgene is voor den Heere, " Het eeuwig monisme van Gods liefde, dat de grond is van de meest tegenstrijdige waarheden, blijtt een mysterie voor den nietigen mensch, Christus zelf zegt (Joh, 3 : 12): indien ik ulieden de aardsche dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij gelooven, indien ik ulieden de hemelsche zou zeggen? " — Laat ons dan ook tevreden zijn met de historische openbaring. Er is geen afgeronde leer bekend gemaakt, maar goddelijk leven en hemelsche wondermacht is in Christus geopenbaard geworden. Wanneer de Bijbelsche waarheden losgemaakt worden van hun historische inkleeding, en abstract, in een stelsel, tot e'én geheel verzameld worden, dan vormen zij een onzinnig samenweefsel van tegenstrijdige gedachten. Wat doen wij daarom met systemen, wat doen we met een stelsel van Luther, Calvijn of Kuyper? Uitgaande van den Christus der Evangeliën, hebben wij onze geloofsleer te hervormen. Een kleine regula fidei, als die der Twaalf Geloofsartikelen, zal ten slotte beter leiddraad bij de prediking wezen en meer waarheid bevatten, dan de sophistiek van strenge dogmatici. Laat ons liever luisteren naar de heilige historie, die ons zoo eenvoudig en goddelijk grootsch wordt medegedeeld. Laat ons alleen verkondigen, als Paulus, fezus Christus, en dien gekruisigd, in het volle mysterie van Zijne verschijning, zonder systematische verklaring van Zijn persoon en arbeid in verband met duizend-andere waarheden; — maar Christus willen wij behouden en door Hem den Bybel.

Ligt er nu toch op zich zelf niet reeds iets ongerijmds in, dat bijna 2000 jaren lang door de grootste genieën, door de vroomste mannen, door de wijste geesten over den inhoud van de Christelijke religie, gelijk die in ons geestelijk bewustzijn zich weerkaatst, is nagedacht, niet in ijdele speculatiën, maar in den strijd des levens en in de worsteling der geesten, en dat thans eenjong prediker opstaat, die eenvoudig den reuzenarbeid dezer mannen voor ongeldig verklaart, en zegt dat men nu eerst eens beginnen zal, om de wetenschap des geloofs te ontwikkelen?

Is het niet bijna naïef als hij op blz. 113 zegt:

Uitgaande van Christus en door Hem van de Bijbelsche traditie, hebben wij op het breede terrein des levens nog zoo ontzettend veel hervormingen tot stand te brengen, Tallooze vraagstukken op het gebied van Kerk, Staat en Maatschappij wachten nog een oplossing. Wanneer we nu telkens en telkens weer de grondslagen van ons geloot moeten bespreken en onze overtuiging omtrent de waarheid telkens weer aan het wankelen moet gebracht worden, — hoe zullen we tijd en lust behouden om plannen te beramen tot verbetering van zoovele treurige toestanden ? Mij dunkt, na bijna 2000 jaren moet voor geloovige mannen toch vaststaan, wat het fundament van het Christendom moet zijn, In geloovige kringen moet het voor een uitgemaakte zaak gelden, dat de Kerk alleen rust op den historischen Christus en door Hem op den Bijbel,

Dat komt dan neer op die kleine regula fidei van de Twaalf Geloofsartikelen, waarheen hij op blz. 112 terug wil.

Maar verstaat en begrijpt Ds. Hulsman dan waarlijk niet, dat het bewustzijn van den manlijken leeftijd zich niet langer dekt met het bewustzijn van het kind ? Weet hij dan niet, hoe de kerk, met deze Twaalf Geloofsartikelen zich veilig wanende, opgeschrikt is van de ketterijen, die haar met den geestelijken dood bedreigd hebben ? Las hij dan niet, hoe de kerken der Reformatie, alhoewel ook Rome deze Twaalf Geloofsartikelen vasthield, een strijd op leven en dood tegen die kerk hebben moeten voeren voor de beste heilsschatten van het Christelijk menschelijk leven? Zijn onze martelaren dan voor een pure inbeelding in den dood gegaan?

En als hij zelf inziet, dat dit toch al te dwaas zou zijn, begrijpt, verstaat hij dan niet, dat zijn »nieuwe wetenschap des geloofs", zoodra ze even op den weg is, en • haar kinderschoenen uitschudt, aanstonds voor precies diezelfde problemen zal komen te staan, die het verleden beheerschten, dat precies dezelfde tegenstellingen zullen opkomen, en dat geheel dezelfde variation zich zullen voordoen?

Heeft hij het denken dan in zijn macht? Ziet en voorziet hij dan niet, dat de wederpartijder hem dezelfde moeilijkheden zal berokkenen, en dezelfde struikelblokken op zijn weg zal leggen?

Acht hij dan waarlijk dat Satan rusten zal, en zijn »eigen wetenschap des geloofs" niet even ernstig zal aantasten, als dit met de vroegere belijdenis plaatsgreep ? En acht hij dan waarlijk, dat hij met zijn rieten staf af zal kunnen slaan den aanval die met geslepen en moorddadig wapentuig zal ondernomen worden?

Kan hij de waarheid in Christus dan isoleeren van de groote denkproblemen der eeuw ?

En als ge ziet dat iemand dat nochtans waant, doet hij u dan niet denken aan den onnoozele, die in plaats van den Dom van Keulen, na dege studie, in voortzetting der historische architectonische lijnen te voltooien, u met den voorslag aankomt, om al die oude, verweerde stukken vjcg te breken, en er een eenvoudig huis voor in plaats te bouwen, vier muren met een dak ?

Ook zijn aanval op de Gereformeerden maakt in dit verband een zelfden, hij vergeve ons het woord, kinderachtigen indruk.

Niet om zijn inbeelding als kon hij met twee, drie phrasen de geheele verjonging der Gereformeerde Theologie opzij dringen. Wie haar kent, ziet dit met een Homerischen lach aan.

Maar wel om de conclusie. Lees slechts dit citaat, en let op het slot:

Wij keuren de houding van Dr, Kuyper daarom" zoo sterk af, omdat hij, zichzelf plaatsende op het standpunt der palingenesie (Voorrede > Encyclopaedie") krasser dan iemand gebruik maakt van de causaliteitswet en de evolutie-theorie, en, opklimmend op grond van den letterlijk ingegeven Bijbel, van inductie tot inductie, van generalisatie tot generalisatie, een dogmatisch-ijzeren systeem van logica opbouwt, dat voor de wetenschap toch onlogisch (men zie de beoordeeling van Dr. F. E. Daubanton.) den geloovige doodknijpt met zijn leer der Eeuwige Souvereiniteit Gods, die door uitverkiezing den één brengt tot het licht der genade en den ander laat onder den vloek der eeuwige verdoemenis, een systeem, zoo koud, als de Satan onder in de hel van Dante te midden van het ijs der rethorica, lijnrecht indruischende tegen de liefde Gods, geopenbaard in Jezus Christus, die niet slechts in het marmer beeld van Thorwaldsen, maar in volle werkelijkheid, de armen uitbreidt naar de verloren wereld en zegt: ïKomt tot mij, gij die vermoeid en beladen zijt en ik zal u rust geven!" Wij verwerpen de geestelijke tyrannie van deze koude - geloofsleer, die de gemoederen tyranniseert, als ware zij een decreet van den autocratischen Paus te Rome, den stedehouder van Christus op aarde! — Wij gunnen den Gereformeerden de theologie van Dr. Kuyper, Dr, Bavinck en Dr, Hoedemaker, den Standaard en den Heraut, de werken van Smijtegeld, Smout en Trigland, de Canones van Dordt en de Institutie van Calvijn, — ivij hebben iets anders noodig.

Stond er: „Dit pogen eischt nog wijziging, verbetering, volmaking. Het moet anders worden aangelegd", — er zou geen bedenking bestaan.

Maar neen, zoo is het niet.

Ds. Hulsman wil iets anders óa.n hetgeen Calvijn vond, en sinds drie eeuwen door de Gereformeerden beleden is, en bestrijdt daarom de leer van Gods »vrijmachtige souvereiniteit". Hij schrijft: »De eeuwige souvereiniteit (zeker een vergissing voor: vrijmachtige) knijpt, zoo is zijn kiesche uitdrukking, den geloovige dood."

Die leer is hem gelijk aan Satan in de hel van Dante.

Is het niet stuitend, dat een Predikant, die zegt in een zich Hervormd of Gereformeerd noemende kerk. Predikant te zijn, zich aldus over het cor ecclesiae, over het hart en de kern van alle Gereformeerd belijden, uitlaat ?

Hij beroept zich op Prof. Kahler, te Halle. Eilieve, laat hij aan dezen hoogleeraar, die zich pikeert Calvinist te zijn, en zijn leerlingen steeds op Calvijn wijst, eens vragen, wat hem van zulk een taal der schuldige onbezonnenheid dunkt.

Die schuldige vijandschap tegen de Gereformeerden komt zelfs persoonlijk uit.

Achtereenvolgens bespreekt Ds. Hulman de Modernen, de Ethisch-critischen, de Ethischen en de Gereformeerden.

Hij laat groep na groep de revue passeeren.

Doch hoe ?

Als hij aan de Moderne, of aan de Ethische critici, iets min aangenaams zeggen moet, haast hij zich terstond er bij te voegen, dat hij aan hun geloof niet twijfelt, voor hun bedoelingen allen eerbied, voor hun karakter respect heeft, dat hij hun dege studie op prijs stelt..

Kortom dan wordt alle züverpapier uit de enveloppe gehaald, om de pil te verzilveren.

Alleen maar ... voor de Gereformeerden die hij ter sprake brengt, heeft hij nooit één goed woord.

Dit teekent.

Niet op zichzelf, want waartoe zou het noodig zijn, als ge personen bespreekt, altoos suiker over hun naam te strooien ? Maar wel is er tegenstelling, als ge bij alle andere tegenstanders altoos de suiker dik strooit, en bij deze ééne soort tegenstanders nooit een korrelke ten goede geeft.

Sterker nog.

Ds. Hulsman heeft ten laste der Ethische critici niets, volstrekt niets gezegd, wat niet reeds vóór tien en meer jaren evenzoo gezegd is door de Heraut.

Hij erkent, dat alles verloren is, zoo de ondermijning der Heilige Schrift alzoo doorgaat.

Hij drukt zelfs het zegel op het verzet voor zeventien jaren door de Heraut tegen de toenmalige negatieve critiek van Prof. Gunning gevoerd, want hij constateert met vreugde dat Prof. Gunning hier geheel van is teruggekomen.

En terwijl er nu onder alle richtingen hier te lande, maar één is, die lang vóór hem gelijken strijd gevoerd heeft, en zelfs nog beslister dan hij voor de onmisbaarheid van de Heilige Schrift als Woord Gods opkwam, moet enkel zeker verschil over een blijkbaar door hem niet begrepen inspiratietheorie dienst doen, om wie hem het naast staan zoo ver mogelijk van zich af te stooten.

En toch is dit zielkundig geen raadsel. Ds. Hulsman is bang geweest dat zijn Ethische vrienden zeggen zouden : Gij zijt ook van die.

En voor die stem der dienstmaagd in den Voorhof is hij teruggedeinsd.

Vandaar dat al zijn roepen telkens is: Denk toch niet dat ik van die booze bende ben geworden. Geen lieden die ik meer schuw dan hen.

Zelf verraadt hij dit als hij op blz. 119 schrijft:

Dezer dagen werd rnij geschreven, dat de strijd, dien ik stond aan te binden, reeds jaren geleden is gevoerd door de H.H. Dr. Daubanton en Dr. E. Barger, naar aanleiding van Dr. Kuyper's rectorale rede: «De Hedendaagsche Schriftcritiek", enz. Deze opmerking zou mogelijk door anderen ook gemaakt kunnen worden. Ik protesteer evenwel tegen deze bewering.

Nu, ons deert deze contradictie in eigen persoon niet.

Maar wel is er uit af te meten, wat belofte van wetenschappelijke kracht er ligt in een optreden, dat in zulk een naïveteit heil zoekt.

Zijn zwakheid tegenover ons, en dit merkt hij niet eens, breekt tegelijk al zijn Icracht ook tegenover zijn Ethisch-critische vrienden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Nieuwe Theologie,

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken