Bekijk het origineel

Kerspel of Wijk?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerspel of Wijk?

10 minuten leestijd

V.

Dat we stoffelijke bezwaren op dea voorgrond plaatsten, hoorde hier zoo, en was in het minst niet ongeestelijk, daar immers heel de quaestie, die we ter sprake brengen, louter uit stoffelijke oorzaken opkomt.

Ware het doenlijk, heel de gemeente in ééa gebouw te laten saamkomen, en in dat gebouw eiken Zoadag drie, e» in de week nog eens een tvi^eetal Diensten te houden, zoo zou alle moeilijkheid wegvallen.

Ieder zou dan voor zich en zijn gezin vaste plaatsen hebbea, ea door de beschikbare plaatsen van jaar tot jaar, bij het lot te verdeelen, koa teweeggebracht, dat ieder op zija beurt beurtelings de betere en beurtelings de minder goede plaatsen bezette. De Predikaatea zouden dan elk in hun beurt optreden. En de gemeente zou op Zoadag ea ia de week ruimschoots gelegenheid tot kerken hebben, zonder dat de Predikanten uitgeput werden.

Zooals Spurgeon te Londen zija Tabernakel had, waar desnoods een 8000 measchea zit-en staanplaatsen in konden vinden, zoo ook zou men dan in de meeste plaatsen onze kerken inrichten, en alleea in Amsterdam zou mea verplicht zija twee zulke gebouwea te plaatsen.

Doch hoe schoon dit ook lijke, het kan zoo niet. Ten eerste niet, omdat niet dan bij hooge uitzoadering eea Predikaat stem genoeg bezit, om voor zoo groot gehoor ia zoo kolossaal gebouw zich verstaanbaar te maken. En tea aadere niet, omdat de afstanden in eea groote stad het aoodzakelijk maken, zooveel mogelijk een kerk te hebben in de onderscheidene stadsgedeelten.

Zoo blijkt dus overtuigend, dat niet ^^ifj-•e, maar uitsluitend stoffelijke hinderpalen de moeite veroorzaken ea het bezwaar doen rijzen. Het is de grootte van het gebouw, het te kleine aantal beschikbare zitplaatsen, de te zwakke stem, en de te groote afstand, die tot splitsing ea indeeling van het te groote kerkpubliek noodzaken, ea hierdoor al het ongerief doen opkomen, hoe mea au bij die splitsiag vaa de gebouwen, en in verband hiermede, het gehoor en de predikers verdeelea zal.

Zal er indeeling van gehoor ea preekkracht van kerkeraadswege zijn, of zal de kerkeraad alleen de localiteit indeelen, en de indeeliag van het gehoor overlatea aaa de aeiging van de gemeente, onderwijl de Predikanten rondpreeken. ?

Bij dat laatste stelsel nu, hierin bestaande, at de kerkeraad de indeeling vaa het geoor overlaat aaa dea minderen of meerderen strek" of »loop" van de onderscheidene redikanten, stuit men aanstonds, gelijk ons en vorig maal bleek, op het zeer ernstig ezwaar, dat het uit zijn aard leidt tot roote en te groote ppeenhooping van enschen in de ééne, Si tot te groote eegte in de andere beurt.

Men belroeft zich slechts in den toestand in

te denken, dat dé helft van Amsterdams be volkjng weer Gereformeerd werd, en telken Zondag tweemaal kerken wilde, om terstond in te zien, voor wat feitelijk onmogelijken toestand men zou geplaatst zijn.

Een onmogelijke toestand die dan ook metterdaad een eeuw geleden hier ter stede bestaan heeft, en waaruit men zich alleen kon redden, door eenerzijds het geld in. de kerk den doorslag te laten geven, en anderzijds de armen buiten de kerk te sluiten.

Men verhuurde dan aan wie rijk was vaste plaatsen in de hoofdkerken, en wie dat niet betalen kon, kocht zijn plaats, in volle beurt voor ƒ i, in matige beurt voor/0.25, en in leege beurt voor f o. 10.

Gevolg waarvan was dat de arbeidende bevolking en de armen in geen kerk meer komen konden, en dat op die wijs in onze volle buurten de bevolking letterlijk geheel van de kerk vervreemd, en geestelijk verwaarloosd werd.

En deze bittere, ea uiterst noodlottige gevolgen vloeiden toch metterdaad rechtstreeks uit het stelsel voort; want de omstandigheid, die we toegeven, dat thans namelijk die bezwaren niet meer zóó sterk spreken, is alleen daaraan te danken, dat van de tweemaal honderd veertig duizend Protestanten, die te Amsterdam wonen, honderd zeventig duizend inwoners zoogoed als geheel buiten alle kerk omleven, zoodat er slechts zeventig tó2/23é'«< /kerkgangers overblijven, die zich dan, a, tamelijk gemakkelijk over de twee dozijn kerkgebouwen verdeelen.

De Roomsche kerk daarentegen, die wel iadeelde, beschikt voor haar 90, 000 inwoners over schier even zooveel kerkgebouwen, en mag er zich op beroemen, dat haar kerkgaand publiek zeker evenzoo 70, 000 zielen sterk is; waarschijnlijk nog sterker.

Hieruit blijkt alzoo, dat het stelsel van niet-indeelen maar rondpreken, niet alleen die vele stoffelijke nadcelen opleverde die ons vorig artikel schetste, maar veelmeer nog in de tweede plaats tot het onberekenbaar geestelijk nadeel leidde, dat bijna twee derden der bevolking, die eenmaal tot de Gereformeerde kerken of Luthersche kerken gehoord heeft, allengs ganschelijk verwaarloosd en van alle geestelijk contact vervreemd zijn geraakt.

Bij deze twee geestelijke bezwaren voegen zich intusschen nog meerdere, die zeker niet zooverre noch zoo algemeene strekking hebben, maar nochtans een verre van onschuldig karakter dragen.

Men weet, v/at de kerken hier te lande er onder geleden hebben, dat feitelijk alle kerkelijk besef teloor ging, en geheel het kerkelijk leven dreef op zeker aantal Predikantenkringetjes.

Naar belijdenis noch naar catechisatie vroeg men dan meer. Elk Predikant catechiseerde en predikte op zijn manier en op eigen handje. Daardoor vormde hij in de ééne groote gemeente zekeren kring van volgelingen. En al spoedig was dan de een van Paulus en de ander van Cephas en de derde van ApöUos.

Van lieverlee bleek het dan al verder, hoe er onder deze Prediitanten zekere richtingen scholen, en als er dan een vacature kwam, dan w.is de kerkeraad wel genoodzaakt, wilde hij de gemeente bijeenhouden, om weer een Predikant van dezelfde richting te beroepen. Nu nog staat het aldus in de Synodale kerk te Amsterdam. Al heeft men daar toch de Moderne richting, wijl haar aanhangers toch niet kerkten, laten uitvallen, toch altoos heeft men daar nog de richting van Ds. Lütge, met de Neo-Kolbrüggeanen, de richting van Dr. Vos, met de repristineerende Gereformeerden, de richting van Ds. Hogerzeil, met de Ethischen, de richting van Dr. Barger, met de Methodisten; en alle vier deze richtingen moet men ontzien en te vriend houden.

Hierdoor nu is het individualisme in de kerken ingeslopen, is de Predikant voor de kerk geschoven. Men is menschen na gaan loopen, in stee van saam te komen onder de autoriteit van Gods Woord.

En ook dit kon bij dit stelsel niet anders.

Immers een Predikant die eenmaal den grootsten loop had, werd een man van zoo exceptioneele beteekenis in de kerk, dat tot op zekere hoogte heel de kerk op hem dieef. Hij bracht de plaatshuren aan.

Van hem leefden de kerkelijke bedienden.

In zijn beurten oogstte de Diaconie haar grootste collecten.

In de door hem waargenomen diensten was het kerkelijk leven voor dien tijd geconcentreerd.

Die invloed openbaarde zich natuurlijk evenzoo in den kerkeraad, waar alvast de Diakenen voor het grooter deel met hem gingen.

Werd hij naar elders beroepen, dan leek het wel, of door zijn vertrek heel de kerk te gronde zou gaan.

Hij kon daarom doen wat hij wilde. Van toezicht van den kerkeraad op zijn prediking of catechisatie viel geen sprake.

De kerk volgde, de Predikant was volmaakt autonoom.

Van hem ging die geest op zijn collega's over. Het werd één Predikantenheerschappij heel de kerk door. Een kwaad dat zich wel meestal meer feitelijk, dan theoretisch ontwikkelde, maar dat soms toch ook schaamteloos en opzettelijk gedreven werd.

Althans voor nog niet zoo lange jaren, was er te Amsterdam een Predikant, sinds overleden, die openlijk de collega's opriep om saam te spannen tegen de Ouderlingen en Diakenen, en in den kerkeraad ieder te lijf ging, die aan deze hoogheid raken dorst.

Het stelsel van «zW-indeelen moet er alzoo toe leiden, om de Kerk als geheel op den achtergrond, en den Predikant op den voorgrond te doen treden; aan de Predikanten die tijdelijk den loop hebben, allen invlped en macht in handen te spelen; en als ïMVloeisel hiervan heel de ke4c ten slotte in Prekantenkringetjes op te lossen.

Aan deze drie geestelflre nadeden voegea zich dan ten slotte nog twee andere schaden toe, én voor de Predikanten, én voor de gemeente.

Voor de Predikanten, dat een jeugdig Prediker die „den loop" heeft, onder een ambtsweelde komt, die hij niet dragen kan. Het is te veel, op zoo jeugdigen leeftijd de gevierde man in zoo groote stad te zijn, en week aan week die duizenden en duizenden aan zijn lippen te zien hangen. Geestelijk liepen daarom zulke Predikanten meest spoorslags achteruit. Een natuurlijke zelfverhefHng en zelfingenomenheid begon zich te openbaren. En ten slotte was er niets meer te bespeuren van een Dienst des Heeren die tot Hem opleidde, maar liep het al uit-op zekere zelfverheerlijking in eigen hart en op een onheilige vergoding van de zijde van vele gemeenteleden.

Maar natuurlijk, de collega's die in zijn schaduw stonden, werden geestelijk evenzoo door deze misstanden bewerkt.

Ook zij bleven menschen, en het viel hun natuurlijk hard, zoo telkens bij hun gevierden ambtgenoot achter te staan. Het deed hen zoo telkens denken aan Farao's droom van zekere magere en zekere vette verschijningen in den stroom, waarbij dan het magere steeds aan hun kant viel.

Wie 's morgens moest preeken, en zag dat de man van den loop óók een morgenbeurt had, las op het kerkebrietje reeds zijn oordeel.

Onder dien indruk aan zijn voorbereiding bezig, verging dan al vaak de lust, om zich degelijk voor te bereiden. Zoo ging hij feitelijk in zijn prediken nog meer achteruit. En zoowel zijn Dienst als zijn gemoedsstemming werd veelszins bedorven.

Zeker, er waren er te allen tijde, bij wie meerder genade dit kwaad voorkwam, maar dit goede vloeide dan uit die genade, niet uit het stelsel, en wrong eer tegen het stelsel in.

En ziet men op de gemeente, dan springt het in het oog, hoe dit onrustig op en neer trekken, al naar gelang de beurt uitviel, een keuringsmanie deed insluipen, die ondraaglijk werd. Niet alleen onder de oudjes, maar tot de kinderen toe, wisten ze te zeggen, welke dominees goed, welke maar zoo zoo, en welke niet uit te staan waren; en in die laatste soort werd dan noch het ambt noch de dienst meer gerespecteerd.

Waren er twee dominees met loop, dan streed in de gemeente de groep A tegen groep B.

Bespreking van het gehoorde leidde zoo goed als nooit tot toepassing en heiliging, maar meest tot critiek over kleinigheden.

Het denkbeeld dat men in een «vergadering der geloovigert" was geweest, ging geheel weg, men had een rede, men had de toespraak van een redenaar gehoord, en daarover ging men aan het oordeelvellen.

De verwaarloozing van het Sacrament hield hiermede gelijken tred, of wel tot in het Sacrament drong de Predikantsvoorkeur door. Alleen met den Doop van dien en dien prediker nam men vrede.

Natuurlijk konden de Ouderlingen er onmogelijk oog op houden, of de gemeenteleden met hua kinderen metterdaad onder het Woord kwamen, en zelfs het ideale denkbeeld, om man, vrouw en kinderen in de kerken, huisgezinswijze, bijeen te laten zitten, moest geheel wegvallen.

Vader in een bank, moeder op een stoel, en de kinderen ergens op de galerij weggestopt.

Aldus was ten leste feitelijk de verre van benijdenswaarde toestand, die hier niet uit de verbeelding, maar naar het leven geteekend is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Kerspel of Wijk?

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken