Bekijk het origineel

De Martelaren.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Martelaren.

6 minuten leestijd

CCXXXIII.

THOMAS WITLÉ.

De dood van den vromen Eduard VI had den marteldood van menigen trouwen dienaar des Woords ten gevolge. Tot hun getal heeft ook de leeraar van Kirkby, in het graafschap Essex, behoord. Reeds eenigen tijd had Thomas Witlé het onweer, dat hem zou treffen, zien aankomeD. Toch week hij geen oogenblik van zijnen post, noch verflauwde hij ia den ijver, waarmee hij Gods Woord verkondigde. Eindelijk werd hij gevangen genomen door zekeren Thomas Alablaster, een karakterloos man, die op deze wijze zich eenige kerkelijke voorrechten en inkomsten wilde waardig maken. Eerst bracht Alablaster zijnen gevangene naar den kanselier Gardiner, den bisschop van Winchester. Daar deze toen reeds leed aan de ziekte, waaraan hij later stierf, was hij zeer ontstemd, dat de gevangene bij hem gebracht werd. Met bittere woorden overlaadde hij den vervolger, zeggende: sis er buiten mij niemand meer, tot wien gij dat uitschot der menschheid (hij wees hem op Witlé) kunt brengen r Loop naar de galg en val mij niet langer lastig."

Toen Alablaster zich teleurgesteld zag in zijne verwachting, , de gunst van den machtigen kanseUer te verwerven, wist hij niets beters te doen dan zijnen' gevangene naar den bekenden Londenschen bisschop Bonner te brengen. Bij dezen slaagde hij beter. Bonner liet Witlé eerst in den kerker brengen, waarin ook Philpot gezeten had. Kort daarop veranderde hij van handelwijze tegenover Witlé. Hij liet hem namelijk bij zich komen, behandelde hem zeer vriendelijk en wilde niet met hem spreken, tenzij hij zijn hoofd gedekt had. Hij toonde hem den grootsten eerbied voor zijn verstand, zijn kennis, zijn buitengewone bescheidenheid en andere deugden, die hij in hem zag.

Hij achtte hem waardig een groeten stoet van dienaren, een kostbaar huis, een diakonaat of aartsdiakonaat in een groote stad. Zelfs verklaarde de bisschop, dat zijn gevangene hem even dierbaar was als zijn eigen leven. Indien deze nu maar de dwalingen prijs paf, waartoe hij met velen vervallen was, en tot de gemeenschap der kerk terugkeerde, zou herii groote eere gegeven worden.

En niet alleen de bisschop behandelde Witié met onderscheiding, ook zijne ondergeschikten, de priesters, kwamen bij hem en aten en dronken met hem. Ook zijn verblijf was aanlokkelijk, want hem was een keurige kamer in het bisschoppelijk paleis afgestaan, alsof hij tot het gevolg van den kerkvorst behoorde. Kortom, men wendde in het kamp der Roomschen alles aan, om Witié tot wankelen, tot herroepen te brengen. En dit gelukte maar al te goed. Hoe lang ook de martelaar weerstand mocht bieden aan de verzoeking tot verloochening van zijnen Heere, eindelijk werd hij gevangen in het net der vleierijen en des ijdelen lofs. Hij viel en verklaarde zich bereid tot ondetteekening van die artikelen en bepalingen, welke men hem zou voorleggen. Toen deze knecht Gods zich zoo van zijnen Heere gewend had, werd hij een prooi van Satan. De hel juichte. De bisschop en zijne medestanders jubelden, toen zij de stukken voor zich legden, daareven door Witlé geteekend, waarbij hij zijne belijdenis van de waarheid herriep en de soldij der wereld en der Roomsche kerk aansam.

Maar zie, ofschoon Wiüé zijnen God had vergeten, de Heere vergat zijnen knecht niet. Hij bracht den oproerling weer onder zijne gehoorzaamheid. Witlé werd onrustig over zijne verloochening. Tegenover de barmhartigheid Gods jegens hem kwam zijne zonde te scherper uit. Hij weende bitterlijk ais eens Petrus en viel op zijn knieën, om vergiffenis smeekende aan Hem, Dien hij door zijne herroeping had bedroefd en onteerd. Dit was echter niet genoeg, 't Gepleegde kwaad moest ook beleden worden voor den bisschop en de onderteekening teruggenomen.

Tot dit laatste begaf Witlé zich naar den griffier Jonson, onder wiens berusting zijne herroeping was en vroeg hem, het stuk te mogen zien, dat hij geteekend had, alsmede de namen der getuigen, onder voorwendsel, dat hij zich wilde overluigen, dat de griffier zich niet vergist had. Niets kwaads vermoedende, gaf deze hem het gevraagde. Witlé zag dit door, terwijl de griffier met andere dingen bezig was, en toen hij het gelezen had, scheurde hij het in duizend stukken. De woede van Jonson over deze daad kunnen wij ons gemakkelijk voorstellen. Dadelijk liet hij Wide gevangen nemen en naar den bisschop brengen, waaraan de martelaar zich kalm onderwierp. Toen Bonner vernomen had wat er gebeurd was, geraakte hij buiten zichzelven van kwaadheid. Hij viel op den gevangene aan, greep hem bij den baard, trok er al de haartje uit en sloeg hem daarna met vuisten. En niet eerder'hield hij op van den martelaar, dan toen deze als dood aan zijne voeten lag.

Nadat Witlé weer bijgekomen was begon Bonner hem uit te schelden: , »Ongelukkige"; riep hijj, «ik had van u een goede gedachte, maar nu heb ik m'ijn vertrouwen in u verloren! Natuurlijk werd Witlé nu ineene gevangenis ge» worpen, waarin hij tien weken bleet. Dien tijd gebruikte hij, om zijne medegevangenen te troosten en te vermanen. Zelfs overtuigde hij een Arriaan (een verwerper van de Godheid des Zoons) van zijne dwaling en werd hem een leidsman naar Christus. Ook buiten de gevangenis zond Wiüé brieven, waarin hij schreef van zijnen val en van de genadige opbeuring door den Heere. Waar dit heugelijk nieuws in de tenten der vromen werd_ vernomen, was er blijdschap en dankte men God, dat hij zijne önt: ferming aan Witlé had getoond en in hem aan zijne kerk. De zes laatste weken zijns levens bracht de martelaar door in de gevangenis van Newgates, waar hij nieuwe aanvallen van Rome's priesters te dragen had, maar hij bleef staande. Toen nu Bonner zag, dat hij met Wiüé niet meer vorderde, verklaarde hij hem een ketter, ontdeed hem van zij» pauselijk gewaad, dat hem eerst was aangetrokken, ten overstaan van het volk en ontwijdde hem. »Ga, .ongjdukkige, " zeide hij tot hem, «ga van hier, gij zijt geen priester meer, maar een ketter". Hierop antwoordde Witlé: «Houd mij duizendmaal voor een kletter, indien gij wilt, 't raakt mij niet, " daar de Heere mij voor zijnen dienaar houdt.

Kort daarop werd door den rechter het doodvonnis over den martelaar uitgesproken, nadat hij nog 4 uren achtereen voor de waarheid Gods had gestreden. Toen hij weer i» den kerker kwam, bracht hij den hem nog rustenden Iavenstijd door in gebed en met schrijven aan zijne broeders. Den 27en Januari 1556 werd hij met 7 andere martelaren. onder wie ook de bekende Arriaan behoorde, verbrand op een der pleinen van Londen,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

De Martelaren.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken