Bekijk het origineel

Buitenland.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Buitenland.

6 minuten leestijd

Chpistenvepwolging ön Slusland.

(Vervolg.)

Dat de Duchobarzen niet altijd de behoorlijke maat hielden in hun tegenstand tegen de macht der Overheid die hen dwingen wilde de wapenen te dragen en hen verlaagde te straffen over het verbranden van hun geweer, blijkt uit het volgende :

De Overheid hield het er voor, dat de menschen, die in grooten getale waren saamgekomen, om door vuur hunne wapenen te vernietigen, in opstand waren geraakt. Zoo werden dan twee bataillons infanterie uit Alexandropol en tweehonderd kozakken uit Ardakan ontboden.

Nu werden er boden gezonden dat alle leden van de nederzettingen der Duchobarzen zich naar Bogdanowka moesten begeven, om zich voor den gouverneur te verantwoorden. Sommigen gingen er heen, maar de meesten vercenigden zich in gemeenschappelijk gebed. Tot de verzamelde menigte kwam opnieuw hetzelfde bevel. Daar zij besloten hadden, geen Overheid maar alleen God te gehoorzamen, gaven de ouden ten antwoord : «Wij doen in dezen tijd onze gebeden en willen, vóór deze geëindigd zijn, nergens heengaan; wanneer de gouverneur ons zien wil, moet hij maar tot ons komen. Wij zijn duizenden en hij is alleen." De boodschapper verwijderde zich, en de Duchobarzen gingen voort psalmen te zingen. Een tweede bode ontving hetzelfde antwoord; men zong verder, maar besloot te gelijk, wanneer het gebed geëindigd was, gemeenschappelijk naar den gouverneur te gaan om te vragen wat hij begeerde. De godsdienstoefening was echter nog niet afgeloopen, toen de uitgezette wachten meldden, dat er kozakken in het gezicht waren.

De Duchobarzen vereenigden zich tot eene opeengedrongen massa. Aan het hoofd der kozakken was een commandant, die, toen hij de aaneengesloten menigte naderde, hoera! riepen met zijn honderd man zich op de Duchobarzen wierp. De kozakken hieuwen er blindelings op in, en lieten de Duchobarzen door hun paarden vertreden, zoodat degenen, die vooraan stonden, jammerlijk mishandeld, zij, die zich in het midden bevonden, door het gedrang bijna doodgedrukt werden.

Langen tijd sloegen de kozakken hen, totdat de commandant beval: smarsch! allen naar den gouverneur." Toen zeiden de ouden tot hem: > Waarom hebt gij ons dat niet dadelijk gezegd ? Wij maakten ons al gereed om te gaan. Waarom hebt gij ons laten slaan? " »Zoo, wilt ge nog praatjes maken ook, " schreeuwde de commandant, en andermaal wierp hij zich met zijn kozakken op derDuchobarzen, die met hunne uit ieder gevlochten zweepen werden afgeranseld. Enkele kozakken wilden niet aan de mishandeling deelnemen en sloegen met hunne zweepen in de lucht. Toen de wachtmeester zulks bemerkte, meldde hij het den commandant, die den weerstrevenden toevoegde: »Gij bedriegt den Czaar", en hen met de zweep in het aangezicht sloeg.

Eindelijk hield de mishandeling op en ging men naar den gouverneur. De vrouwen gingen mede, doch de kozakken wilden dit verhinderen en riepen, dat zij de vrouwen daarbij niet noodig hadden. Dezen verklaarden, dat zij hare geestelijke broeders overal zouden volgen. De commandant liet ze met de zweep slaan ; toen riepen de vrouwen, dat men haar in stukken mocht houwen, maar dat zij toch zouden medegaan. Toen lieten de kozakken van haar af. Onderweg zongen de Duchobarzen een psalm; de commandant verbood het hun en liet zijne kozakken de e schandelijkste liedjes zingen. Toen men in de , nabijheid van Bogdanowka kwam, liet de commandant, op het zien van het rijtuig van den gouverneur, bevelen »de Mutsen af!" De ouden antwoordden hem : s Waarom zouden «wij de mutsen afnemen ? Wanneer hij tot ons komt en ons begroet, zullen wij weten, hoe zijn groet te beantwoorden. Het is toch mogelijk, dat hij ons niet groet, en waarom zouden wij dan de mutsen afnemen ? "

De commandant riep hoera 1 en gebood den kozakken op de Duchobarzen in te slaan. Dezen gehoorzaamden, zoodat het gras, waarop de menigte stond, roodgeverwd werd met bloed.

De gouverneur kwam aangereden, en toen deze zag hoe de Duchobarzen er uitzagen, zeide hij tot den commandant: »Waarom slaat gij deze lieden? Dat heb ik u toch niet bevolen." De aanvoerder antwoordde: »Ik beken schuldig te zijn, Excellentie", en liet niet meer slaan.

De gouverneur ging verder naar Bogdanowka om daar de lieden te hooren, die geen deelgenomen hadden aan het gemeenschappelijk gebed. Hij begon hen verwijtingen te doen, maar toen haalde een van hen, met name Fedor Michaüow Schljachew, zijn rood soldatenbiljet te voorschijn, gaf het den gouverneur en verklaarde niet meer te willen dienen. De gouverneur maakte zich toen zóó boos op den man, dat hij een stok nam en persoonlijk op hem losranselde. Toen verklaarden ook de andere lieden, dat zij niet meer wilden dienen en zich in geen enkel opzicht naar de regeering zouden voegen. De gouverneur beval, dat de kozakken de geweren uit de foedralen zouden nemen. Toen zij zagen, dat zij op hen schieten zouden, riepen de Duchobarzen, zich op hun knieën werpend: »God vergeve u. God vergeve ons". Toen liet de gouverneur de geweren terzijde leggen en beval de lieden met zweepslagen te tuchtigen.

Nadat zij in Bogdanowka aangekomen waren, werden de woonplaatsen van allen opgeschreven, waarop de lieden naar huis konden gaan.

Daarop werden bij de koloniën der Duchobarzen kozakken ingekwartierd. Wat dit in heeft, kan men zich indenken, wanneer men weet, dat de ingekwartierden het recht krijgen, om over het goed der lieden te beschikken, en in het dorp als in een vijandig land om te springen. Een tweehonderdtai kozakken werd aldus over de koloniën der Duchobarzen losgelaten, die alles medenamen wat hun goeddacht; en als er iets niet naar hun zin was, sloegen zij met de zweep. Wanneer iemand hen niet groette, werd er maar weder opgeslagen. Er kwamen zelfs gevallen van het schenden van vrouwen voor; maar de Overheid trad niet tusschenbeide.

Ten slotte ging men de Duchobarzen noodzaken, om hunne woonplaatsen te verlaten. Wanneer een gezin een bevel kreeg om te verhuizen, werd slechts een tijd van drie dagen toegestaan om op te breken. In dien tijd moest alles geregeld en behoorde alle'goederen te worden verkocht. Soms konden de lieden geen lode deel van het geld voor hun goed maken, dan anders het geval zou geweest zijn, zoodat zij zoo goed als geruïneerd werden.

Ofschoon wij de houding der Duchobarzen niet kunnen en ook niet willen verdedigen, meenen wij toch, dat de Russische regeering al te onmenschelijk tegen deze lieden is opgetreden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Buitenland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken