Bekijk het origineel

Roepen tot bekeering.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Roepen tot bekeering.

8 minuten leestijd

Amsterdam, 12 Maart 1897

Naar aanleiding van onze opmerking, hoe het roepen tot bekeering onderstelt, dat men acht dat de toegesprokene kunne hooren, terwijl toch een geestelijk doode niet hooren kan, ontvangen we van Ds. Felix dit schrijven, dat "wegens plaatsgebrek tot nu toe moest worden uitgesteld.

Mag ik u beleefd verzoeken het volgende in het e. k. nommer van de Heraut te willen opnemen ?

In het No. van de Heraut van 14 Febr, 1.1. komt aan het slot van het stuk »RDepen tot bekeering" het volgende voor: > En dan, dunkt ons, zal ook Ds. Bos moeten zeggen: Dat een prediker een mensch die nog dood is, tot bekeering zou roepen, heeft geen zin. Die hoort niet en kan ook niet hooren, " enz.

Dit is ten deele het antwoord op hetgeen Ds. Bos o. a. geschreven heeft: »dat deleeraren niet mogen nalaten op de catechisaties en op den kansel ernstig te vermanen tot het oprecht geloof en tot de waarachtige bekeering des harten en des levens".

Met de meeste bescheidenheid vraag ik, of de bewering juist is, dat bekeer ing te prediken aan wie nog dood is, geen zin heeft, wijl die niet hoort ? Ik wil hier geen eigen meening neerschrijven, maar wel Gods heilig Woord laten spreken en haal slechts het volgende aan:

Johannes de Dooper treedt op, zeggende: Bekeert u en gelooft het Evangelie", Matth. 3:1. Sprak deze boetgezant den eisch van bekeering tot wedergeborenen en levendgemaakten, of tot Farizeën en Sadduceën, die hij als adderengebroedsels teekende ? Trad Jezus Christus niet met dezelfde prediking op, Marcus i : 15, en waren het levendgemaakten tot wie Hij sprak ?

En als onze Heiland de aarde verlaat en bevel geeft, dat bekeering gepredikt moet worden onder alle volken, Luc. 24 : 47, zijn dan die volken wedergeboren en levendgemaakten, of veeleer dooden, »door de misdaden en de zonden", Efeze^^2 : i ?

En nog eens, als Paulus te Athene komt, doet hij het ernstig woord hooren: God verkondigt nu allen menschen alom, dat zij zich bekeeren." Hand, 17 : 30. Die • nog onhsk^erden, waren die wèl wedergeboren, of zou dit verondersteld mógen worden ?

Het dochtertje van Jaïrus, dat dood was, «hoorde niet en kon niet hooren"; maar toen de stem van den Levensvorst sprak: »Talitha kümi!' week de dood en kwam het leven in haar. Zóó bij den jongeling te Nain en bij Lazarus,

Maar zal men mij toevoegen: hier was Jezus Christus werkzaam, wiens woord met macht was, doch dan antwoord ik: de bedienaar van Gods heilig Woord, heeft die niet de heerlijke taak en heilige roeping, om »dat levende en eeuwigblijvende Woord van God" te prediken, dat ïonvergankelijk zaad" te strooien, met allen ernst en biddende en alles voorts overlatende aan Hem, die den wasdom geeft en wiens woord zal doen wat Hem behaagt ? "

Gelijk Jezus Christus tot die drie dooden sprak, en zij werden door zijn woord levend., zoo spreekt de dienaar des Woords (wel tot levendgemaakten p tot opbouwing en wasdom in het nieuwe leven) ook tot geestelijk doode zondaren, den eisch van bekeering op Gods bevel. En die bekeering zal God geven, op zijn tijd, door zijn macht en naar zijn wil. Want, het is » God die de dooden (in elk opzicht) levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij waren", Rom, 4 : 17c. De opwekking daarom tot bekeering is voor den dienaar des Woords noodig, ja plichtmatig en geheel naar den eisch van Gods Woord, ook voor hen, die nog in doodslaat verkeeren.

Deze letteren dienen niet (vergun mij, dit hier nog aan toe te voegen) om een lans voor Ds. Bos te breken, o neen! deze prediker is mans genoeg, om zichzelf te verdedigen en heeft geen advocaat hier noodig, en allerminst zou schrijver dezes zich hiervoor aanmelden; maar het slotwoord van de redactie geldt eiken dienaar des Goddelijken Woords, want, wie niet handelt zooals & é.éx gezegd is, is (naar hare overtuiging) jvolstrekt onwaardig zijne bediening".

Met heilbede en broedergroete, D. FELIX, V, d, m. Roden., (prov. Drenthe) Febr, 1897.

Voor deze opmerkingen betuigen wij aan broeder Felix onzen dank, overmits ze strekken kunnen, om misverstand uit den weg te ruimen.

Is door ons gezegd, dat men niemand tot bekeering kan of mag roepen, dan denzulke van wien men weet, dat hij uit den geestelijken dood in het geestelijke leven overging ?

Hadden we dat beweerd, dan zou-de tegenspraak volkomen juist zijn.

Immers of iemand wedergeboren is, kan voor ons nooit anders dan uit zijn bekeering blijken, en zelfs uit de verschijnselen van bekeering wordt voor ons nooit volle zekerheid ten opzichte van anderen geboren, overmits er ook hypocrieten, d. z. schijnbekeerden, voorkomen.

Moest dus een prediker met het roepen ot bekeering wachten, tot hij die zeker-j heid bezat, zoo zou hij van alle prediking moeten afzien.

Doch dit is dan ook niet door ons beeerd. Beweerd is alleen, dat roeping ot bekeering van de zijde van den prediker an alleen denkbaar is, zoo hij aanneemt n onderstelt, dat er zijn die hem hooren.

Denk u b. v. dat in een kring twintig bsoluut doove personen aanwezig zijn, wie al dan als hij dat weet en merkt, keer op eer in dat gezelschap van dooven een ur lang gaan staan preeken?

Dat zou geen zin hebben, en dit alleen eweerden we, naar den regel door Jezus elf gesteld : Wie ooren heeft om te hooen, die hoore wat de Geest tot de geeente zegt.

Hierbij zij Ds. Felix nu intusschen zoo oed tweeërlei op te merken.

Ten eerste dat wij spraken van den d ienst des Woords in de vergadering der \ b eloovigen, en dat hij verwijst naar uitspra­ g en der Schrift die op heel iets anders, amelijk op het getuigenis aan de ongeoopte wereld doelen.

Johannes de Dooper sprak niet in de 1 b ergadering der geloovigen, maar riep tot den h oop. Zoo ook deed Jezus in zijn eerste k ptreden, alvorens hij zijn discipelen verga­ b erd had. En daarop slaat dan Luc. 24 : 47, a alsook de prediking bedoeld in Hand. 12:30.

Dit alles raakt prediking niet tot gedoopten, maar prediking die uit de wereld tot den Doop noodt, roept, lokt en trekt.

Overmits nu in onze bespreking met Ds. Bos uitsluitend sprake was van den Dienst des Woords in de gedoopte gemeente, zal hij ons toegeven, dat de verwijzing naar deze uitspraken der Heilige Schrift hier geen doel treft.

Ook de doQdenop\yekkingen van Jezus moeten hier buiten het geding blijven, gelijk Ds. Felix zelf gevoeld heeft. Niemand zal, althans niet onder Gereformeerden, aan den Dienaar des Woords en zijn predikatie die almachtige werking toekennen, dat hij door zijn woord in den dood het leven kan wekken ; en althans de woorden van i Petr. i zeggen hier niets, wijl er wel staat tket levende woord' maar niet het levenwekkende woord, en bovendien deze geheele plaats reeds door Guido de Bres, den opsteller van onze Belijdenis, zeer terecht is uitgelegd, als niet slaande op het door menschen, maar op het van God uitgaande Woord met scheppende kracht.

Hiermede is alzoo aangeduid, dat het beroep van Ds. FeUx op de Schrift onze bewering niet raakt, maar er buiten omgaat, en hierbij konden we het dus laten. Toch willen we er tweeërlei aan toevoegen.

Ten eerste, dat het ook o. i. roeping der kerk is om onder Joden, Heidenen en Mahomedanen het Christendom te prediken en alzoo te roepen tot bekeering. Dan staat men tegenover ongedoopten. En alsdan heeft deze prediking tot uitkomst, dat het eensdeels een getuigenis ten oordeel, een rcuke des doods ten doode wordt, en anderdeels dat ze alleen kan gehoord worden door hen in wie God, voorafgaande of volgende, het oor der ziel hoorend maakt, d. i. wederbaart.

We zeggen er opzettelijk bij: voorafgaande of volgende, omdat het onder deze omstandigheden voorkomt, dat iemand in nog onwedergeboren staat, door geheugenwerk, bloot verstandelijk de prediking in zich opneemt, en dat straks na de wedergeboorte, dat verstandswerk ook zielswerk wordt en tot bekeering leidt.

En onze tweede opmerking is, dat de voorstelling, alsof de Dienst des Woords zekere sacramenteele werking zou hebben, wel door Luther is voorgedragen, en ook nu nog door vele Lutherschen wordt voorgestaan, maar van Gereformeerde zijde steeds bestreden is, gelijk ook Ds. Felix dit wel afkeuren zal.

Wat wij Gereformeerden belijden is en blijft, dat de prediker de uitwendige roeping brengt, en dat deze dan alleen tot effect kan leiden, als God de Heere er de inwendige roeping tevens bij doet plaatsgrijpen, aan laat voorafgaan of op doet volgen.

Ook dan echter heeft de uitwendige roeping niets te maken met de wedergeboorte, maar strekt organisch alleen tot bekeering van den wedergeborene.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Roepen tot bekeering.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken