Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

De interessante studie van Mr. Anne Anema leiden we bij het fferaut'-^xMiësi het liefst in, met onder deze rubriek over te nemen, wat de N. Rott. Ct. er over schreef.

Het geschrift, waarmee Mr. Anne Anema zijn studiën aan de Vrije Universiteit heeft geëindigd en zijn strijd voor de vestiging van de wetenschap op Calvinistischen grondslag heeft aangevangen, bevat een zeer merkwaardige studie.

Merkwaardig in velerlei opzichten. Om de kracht en de diepte van den inhoud in de eerste plaats, evenzeer als cm den gloed der overtuiging, die uit schier iedere bladzijde spreekt. Maar merkwaardig vooral als werk van een die baanbreker wil worden van een nieuwe wetenschapsleer; als werk van een jongen bezielden geleerde, die op het voetspoor, maar niet aan den leiband van zijn meester. Dr. A. Kuyper, het deel der wetenschap, dat hij zich ter beoefening heeft gekozen, wil grondvesten en wederopbouwen op nieuwe fundamenten, die van het Christelijk geloof naar Calvinistische leering.

Het is met dit boek, dat de jonge schrijver in den bitteren strijd, eindigend met het vertrek van Mr. de Savornin Lohman van de Vrije Universiteit, van heeler harte de partij van Dr. Kuyper kiest. Zijn boek bevat de resultaten van een onder.ïoek naar het wetenschappelijk verschil van inzicht tu# schen die beiden; iets nieuws geeft het in zoover niet. Formeel nifiuw if-slechts de wetenschappelijke methode die hij als de ware er in aanprijst; en iiieuw is de wijze, waarop hij het Calvinistisch streven naar een eigen wetenschap kenschetst.

Van de verschillende doeleinden welke de schrijver zich, blijkens zijn woord vooraf, heeft gesteld, komen deze beide het best uit; i». een overzicht te geven van wat hij noemt »Dr. Kuyper's Wissenschaftslehre" en 2". een eigen methode te formuleeren, welke de Calvinist bij zijn wetenschappelijk onderzoek zal hebben vast te • houden, waarvan hij de uitkomsten zal hebben te beUchamen in maatschappelijk en staatkundig bruikbare vormen.

Tot bereiking van zijn eerstgenoemd doel, zet schrijver allereerst uiteen, hoe de wetenschapsleer (waarom hardnekkig het Duitsche woord gebruikt? ) van Aristoteles het wetenschappelijk ondeirzoek in den ruimsten zin tót Kant's rensachtigen arbeid heeft beheerscht. De »Erkenntniss-theorie" van dezen denker was een werkelijk nieuwe leer, die zich dra van de invloedrijke katheders in Europa meester maakte. De aanhangers der mechanische wereldbeschouwing namen haar over en vulden haar aan, zoodat thans alle wetenschappelijk onderzoek zich aan zijn leer aansluit of . . . zich bewust en principieel tegen hem over moet stellen.

Dit laatste doet de Calvinistische wetenschapsleer. De «belijdende Christenheid" ten onzent verzette zich in Groen van Prinsterer het eerst tegen Kant's systeem. Maar zij had velerlei arbeid van anderen aard en bleef alzoo aanvankelijk in gebreke haar wetenschappelijke taak: het' wrak maken van den grond zélf, waarop de «liberalistische" theorieën rusten, te vervullen. Tot Dr. Kuyper ten onzent de eerste schrede daartoe deed »van de zijde dergenen, die de eere Gods ook op het terrein der wetenschap wenschen hoog te houden", door het samenstellen van zijn tweede deel der Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid. Door hem kwam de hoofdgedachte van het Calvinisme, het God alleen zij de eer, tot zijn recht, krachtens welke heel de wetenschap dienstbaar moet gemaakt worden aan dit ééne doel: »in des menschen logos, als Abbild van den Logos in het Goddelijk Wezen, Diens heerlijkheid en majesteit, zij het dan ook in door de zonde gebroken glansen, te doen schitteren."

Het eerste hoofdstuk bevat alzoo een uiteenzetting van de wetenschapsleer van Aristoteles, van die der Scholastiek, van die van Kant en van die van Dr. Kuvper. In zijn overzicht van laatstgenoemd systeem is de schrijver verreweg het gelukkigst. Het systeem van Dr. Kuyper, als het jongste in jaren en uiteraard zuiver van vreemde bijmengsels, leent zich trouwens het best tot een beknopt overzicht. De andere gedeelten hebben naar onze meening onder de groote zelfbeperking, waarvan des schrijvers arbeid getuigenis aflegt, geleden. In zijn uiteenzetting vooral van Kant's leer is het den lezer vaak onmogelijk den draad te houden, een enkele maal zelfs den zin van het gezegde te vatten. De voorliefde welke de schrijver voor lange zinnen koestert — men vindt er van een bladzijde — en de kwistigheid waarmede hij van Grieksche, Latijnsche, maar vooral Duische woorden, dikwijls onnoodig, gebruik maakt, verergert het euvel van onduidelijkheid in dit deel van zijn werk. Wij vreezen dan ook, dat slechts een Ideine keurbende van broeders uit het Calvinistisch publiek, waarbij de schrijver zijn werk inleidt, het naar waarde zal genieten.

Het gaat onze grenzen ver te buiten een proeve van critiek of zelfs een overzicht van Mr. Anema's werk te leveren; de enkele opmerkingen welke wij ons bij de verschijning dezer studie veroorloven, zijn van uiterlijken aard, zij behooren in het kader van een aankondiging. En dan zouden wij willen zeggen, dat den jurist die uit dit werk zou willen leeren, hoe de Calvinisten zich de rechtswetenschap naar hun stelsel wenschen op te bouwen, teleurstelling wacht. De titel van het Tweede hoofdstuk, maar vooral de titel van het geheele werk: Calvinisme en rechtswetenschap, is, ofschoon ongetwijfeld te goeder trouw gekozen, niet eerlijk. Om deze uitspraak te bewijzen behoeven wij slechts de aandacht te vestigen op de eerste paragraaf van het Hoofdstuk dat dezen titel draagt. Die paragraaf eindigt met de stelling: «dat, in tegenstelling met de beginselen der wetenschap door het niet herboren bewustzijn beleden, voor de zonen der palingenesie (de Calvinisten) als belijders eener eigen levensbeschouwing een eigen Erkenntniss-theorie en in aansluiting aan haar een eigen stel beginselen voor elke speciale wetenschap, dus ook voor de Rechtswetenschap, eisch is." —Deze stelling heeft de auteur iii het voorafgaande trachten te bewijzen en aan haar sluit hij zijn toetsing van de wetenschappelijke methoden aan; daarin bestaat zijn arbeid, de gespatieerde woorden hadden achterwege kunnen blijven.

Na de critische en de genetische methode van wetenschappelijk onderzoek aan zijn critiek te hebben onderworpen, geeft de schrijver als de voor hem eenig ware, de »historisch-revelatieve methode." Vooropgesteld wordt volgens deze de Calvinistische levensbeschouwing omtrent Schepping, souvereine regeering Gods over de wereld, den zondeval en de wedergeboorte. Het verwijt dat deze praemisse onwetenschappelijk is, wijst hij af met de stelling, dat elke methode van een zeker geloof, althans van zekere onderstelling uitgaat. En dat de praemisse voor het denken zelf onaannemelijk is, laat niemand het den schrijver tegenwerpen! Hij zou tevergeefs een antwoord wachten en zich in zijn eisch tot rechtvaardiging van die beginselen niet ontvankelijk hooren verklaren: »het alles beheerschend feit der palingenesie maakt alle polemiek en debat hierover onvruchtbaar."

Het paragraafje, ten slotte aan het door den titel van het geheele werk aangeduide begrip gewijd en handelend over «Rechtswetenschap op Gereformeerden grondslag", is zeven bladzijden groot. Het geeft een uiterst vaag antwoord op de vraag op welke wijze de rechtswetenschap n; iar Calvinistisch begeeren »do plaats in het algemeene organisme der wetenschap weder (? ) zal innemen, die haar door den verschillenden aard der momenten en relaties in het object is aangewezen." Op dit gedeelte moest eigenlijk de volle nadruk vallen en juist dit gedeelte getuigt van miskenning van de hoogte welke de rechtswetenschap in onze dagen bereikt heeft en van gemis aan inzicht in de eischen van praktijk welke zij haren beoefenaars onafwijsbaar stelt. Met Dr. Kuyper's wetenschapsleer en met de ontwikkeling zijner historisch revelatieve methode had de schrijver zich tevreden moeten stellen; zoo hij dat niet wilde, ware een boek van minstens even grooten omvang als hij thans samenstelde, niet te ruim een vat geweest om den nieuwen wijn dien hij verklaarde te willen schenken, in te bergen.

Een Naschrift van buitengewone kracht besluit dit boek met zijn zonderling, den »niet-wedergeborene" volkomen utopistisch schijnend streven, maar dat op bijna iedere bladzijde getuigenis aflegt van de onwrikbare overtuiging en het stalen geloof die het deel zijn van dezen vijf-en-twintigjarige. In dat naschrift barst de jubel van den jongeling los die de herleving van het Calvinisme ten onzent met instemming van heel zijn wezen heeft begroet, en die strooming der geesten in zijn hooggespannen verbeelding ziet aanzwellen tot een alles zuiverenden en bevruchtenden stroom. Met dat oog beschouwt hij staat en maatschappij, beziet hij de practische politiek, het parlementaire stelsel, de plichtverzaking van hoogere en lagere standen beide, de droevige levensopvatting der individuen, om dan in het Calvinisme de elementen voor een gezofid leven, staatkundig, maatschappelijk en persoonlijk, te bespeuren. En het stormloopend naschrift eindigt in een geweldige uitbarsting van innerlijke kracht; eenjuichlied ter eere van zijn God, dat een lofpsalm is en een strijdzang tevens.

Óf de Vrije Universiteit buiten 2, uiver theologisch terrein meer zulke leerlingen gekweekt heeft? Zoo ja, dan zal Dr. Kuyper eens het hoofd even gerust kunnen neerleggen, als Groen, zeker van zijn opvolger, het deed. Maar dan zal ook dezerzijds een schaar van jongeren zich moeten voorbereiden om de rechtswetenschap te verdedigen tegen haar ergste belagers, tegen hen die, zich krachtens een kerkeBjkgeestelijk begrip bij uitsluiting »wedergeboren" wanend, haar in metaphysische nevelen trachten te hullen en, aldus door de duisternis beschermd, te ontvreemden aan degenen die haar dienen om haarszelfs wil.

Reeds het feit zelf, dat een orgaan als de N. Rott. Cour. aan deze studie van een zoo jeugdig man genoeg beteekenis toekende, om er zulk een breed stuk ovei te plaatsen, toont wel, dat we hier met een interessante proeve van wetenschappelijk onderzoek te doen hebben.

Dat de hoofdaanmerking van N.Roit. Cour. niet onjuist is, wordt waarschijnlijk, als men er op let, dat ook de Stand, reeds drie dagen vroeger geheel dezelfde opmerking maakte.

Zij schreef:

Mr. Anne Anema gaf bij Kirchner te Amsterdam een interessante studie uit, onder den titel: Het Calvinisme en de rechtswetenschap.

Deze studie noemen we interessant, niet alsof wie de belofte in den titel in vollen omvang opvat, zich na lezing niet teleurgesteld moet vinden.

De titel had een heel andere moeten zijn, want het onderwerp is uitsluitend methodologisch opgevat, en zelfs dan nog zoo min Calvinistisch als juridisch uitgewerkt.

Maar laat men den titel glippen, en neemt men den inhoud, gelijk die geboden wordt, dan dunkt het ons in hooge mate interessant, dat een jeugdig rechtsgeleerde van wijsgeerigen aanleg, helderen zin, diepe opvatting en bondigen stijl, hier het pleit opneemt om het deugdelijk recht van het Calvinistisch uitgangspunt ook op het terrein van de rechtswetenschap te vindiceeren.

Het is zoo zeldzaam, juridische studie en wijsgeerigen aanleg vereenigd te vinden; en nog zeldzamer, bij zulk een aanleg niet alleen drang totwijsgeerig pleidooi, maar ook in dat pleidooi helderheid van voorstelling en boeienden stijl te vinden.

Voor onzen kleinen Calvinistischen kring is deze studie dan ook ongetwijfeld een belangrijke aanwinste.

Het is geen geïsoleerde détailstudie, maar een poging om het uitgangspunt zelf van de rechtswetenschap, in verband met het algemeene in het uitgangspunt van het Calvinisme zelf, aan te wijzen; en dit te doen niet als proeve van private liefhebberij, maar als wetenschappelijk volkomen gerechtvaardigd.

We hopen dan ook zeer, dat de geachte schrijver het niet bij deze eerste studie laten zal, maar dat hem, na herstel zijner geschokte gezondheid, kracht en tijd mogen gegund worden, om, nu het uitgangspunt door hem gegrepen is, van daar uit de lijnen, zoowel eenerzijds in het Calvinistisch-historische, als anderzijds op het juridische erf, voort te trekken.

Ook zoo echter danken we nu reeds den moedigen schrijver voor zijn eersteling, en verklaren gaarne, dat ons op i April van dit jaar geen schooner verrassing op wetenschappelijk terrein kon toekomen, dan hij, met verwijzing naar dien dag, ons op den morgen van ons Jubileum toezond.

Voorshands mogen we er ons in verblijden, dat we een Calvinistisch jurist van geen gering talent rijker zijn geworden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken