Bekijk het origineel

„Dragende de specerijen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Dragende de specerijen.”

10 minuten leestijd

En ójp ffëh eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar. Luk. 24 : j.

Niet slechts de nieuwsgierigheid der liefde dreef op den eersten dag der week, vroeg in den morgen, die vrouwen naar het graf van Jezus uit.

Ze hadden met haar uitgaan naar dat graf ook een doel.

De jgratlegging" was geen voltooide ïLegrafenis" geweest. Ze was zoo overhaast toegegaan om het late uur. De Sabbat die volgde gebood onthouding van bemoeiing. En daarom was het eenige dat men had kunnen doen — zoo althans waanden deze vrouwen — het doode lichaam te wikkelen in een zeer fijn lijnwaad.

En daarom liepen ze nu zoo vroeg de stad uit, teen het pas even dag werd, om het graf weer op te zoeken, ten einde zoo spoedig mogelijk aan het > lijk" te doen, wat verzuimd was, t. w. het te overstrooien en te omspreiden en te zalven met specerijen.

De vrouwen kwamen aanloopen tdragende de specerijen".

Haar zorge en moeite ten deze was overtollig, want het graf was reeds met specerijen verzadigd geworden bij de graflegging.

Hetgeen toch Mattheus, Marcus en Lucas blijkbaar niet wisten, en dan ook niet vermeldden, meldt Johannis ons, die met Jozef van Arimathea en Nicódcmus bekend was, t. w. dat Nicodcmus in der haaste een tmmgsel van mirre en aio'd, omtrent honderd ponden gewichts'\ had laten aandragen, en deze specerijen reeds in het graf gelegd had. Een veel grootere massa dus dan de vrouwen met zich brachten. Een ware schat dien Nicodeinus als man van vele goederen had liggen gehad, en dien hij, na Golgotha, terstond voor het graf bestemde, gelijk Jozef van Arimathea zijn schat fijn lijnwaad.

In die dagen toch was het winkelwezen nog minder ontwiiikeld, geldbelegging op onze manier bestond nog bijna niet, en zoo bestond de schat der rijken, behalve in land en in huizen, meest in een voorraad van allerlei kostelijk goed, gerei van goud en zilver en koper, maar ook s; ukgoederen, lijnwaden en kostbare specerijen.

Daardoor hadden Jozef en Nicodemus in eigen huis wat ze voor de graflegging van noode hadden, en zoo had de voorziening van het slijk" van specerijen reeds plaats gehad terstond na het sterven, doch zonder dat de vrouwen het gemerkt hadden.

Vandaar dat ze nu met haaste aanliepen, om

alsnog het »lijk van Jezus" te verzorgen, en zoo kwamen ze ^dragende de specerijen."

Hierop is vroeger wel, maar in later tijd niet, of althans niet genoegzaam gelet.

Immers dat aandragen van specerijen bij een verstorven lijk bedoelde inperking van de macht van den dood, de vernieling van den dood tegen te gaan. Er lag een zwakke poging in, om het lijk aan den dood te betwisten. Het sprak als in profetie van opstanding.

Hoe Jezus zelf hieraan hechtte blijkt uit wat hij sprak van de vrouwmetdeflesch »kostelijken nardus" zeggende: »Laat af van haar, want ze heeft dat bewaard tegen den dag mijner begra-Jenis".

Reeds spoedig na het sterven begint zich soms zeer sterk voor onze reukorganen de lijklucht te openbaren, en die »reuke des doods" wil de rouwende liefde dan te keer gaan. Komt de dood met stank, de liefde t^oor den doode poogt die ireuke des doods" met welriekenden geur te bestrijden.

Van benauwde luchten voelt ge u beklemd, houden ze aan dan stikt ge, en daarentegen prikkelende, welriekende geuren verhoogen als ge inzinkt uw levensbesef. Wie van zich zalven viel wekt men er door op, - wie dreigt in te slapen als hij niet slapen mag, prikkelt er zich door wakker.

Zoo ligt, voor het menschelijk gevoel, in die specerijen een opwekkend.^ een levenprikkelendm\6Aé.^ en hfct was in dien gedachtengang dat men j/i; «rijen bij het lijk aandroeg, om al ware het dan slechts voor een wijle, de bverheersching van den dood van het teeder overschot af te wenden.

In Egypte was dit, toch niet buiten 's Heeren bestel om, tot onovertrefbare ontwikkeling gekomen. De Egyptische lijkbalseming ging toch uit van geheel dezelfde gedachte, en wat bij Israël in zwang was, zal door Israël wel uit Egyptisch gebruik zijn overgenomen.

Jacob en Jozef zijn geheel op Egyptische wijze tot mummies gemaakt, en de kunst der Egyptenaren was hierin zoo vaardig, dat vond men, wat niet volstrekt onmogelijk ware, het lijk van vader of van zoon nog terug, men beider gelaat nog blank van tint en met alle trekken er op zou kunnen terugvinden. Beiden toch zijn gebalsemd even vóór de dusgenaamde i8e Dynastie, toen de kunst van inbalseming in Egypte op het allerhoogst stond.

Doch al ging nu dit inbalsemen van het lijk veel verder, in zoover men inwendig het lijk schond, om de uitwendige gedaante te ongeschondener tegen verderf en ontbinding te behoeden, de hoofdgedachte bleef bij het kruiden zoowel als bij het balsemen van het lijk toch één, en was geen andere dan om de vernieling van den dood door de wondere werking der specerijen tegen te gaan.

Opmerkelijk is het dan ook, dat we Jezus bij zijn ingang en bij zijn uitgang uit dit aardsche leven met specerijen ontmoet zien. Bij de kribbe van Bethlehem komen de wijzen uit het Oosten hun schat van mirre en van wierook nederleggen; als het sterven nadert overgiet de liefhebbende vrouwenhand hem met kostelijken nardus; als zijn dood lichaam wordt uitgedragen legt Nicödemus honderd ponden specerijen in het nieuwe graf neder; en als na den Sabbat de zon weer over Jeruzalem opgaat, komt nogmaals vrouwlijke liefde, en gaat grafwaarts - ^dragende de specerijen".

Herinnert ge u hierbij nu, wat beteekenis de specerijen in Israels heiligen dienst bij de zalfolie, en bij de offerande, eabij heel den eeredienst erlangden, en kimt ge er dan met uw nadenken inkomen, dat toch ook de specerijen er niet vanzelf gekomen zijn, maar dat God óók die specerijen schiep, dat de wonder prikkelende geur die er in schuilt een openbaring van Goddelijke scheppingskracht is, en dat ook deze schepping niet doelloos kan geweest zijn, dan komt het u niet vreemd meer voor, dat ook dit stukske uit Gods rijke schepping in het leven en na het sterven van uw Heiland zijn beteekenis heeft gehad.

Specerijen bij het lijk doelen er op, om het lijk aan den dood te betwisten. Vandaar de haast der vrouwen opdat het bederf niet reeds mocht begonnen zijn.

En daarom als zij naar het graf komen aanloopen, dragende haar specerijen, om het bederf_ des doods van het lijk af te weren, en inmiddels Jezus den dood reeds heeft afgeschud, en uit den dood verrezen is, dan spreken die specerijen der vrouwen en die opstanding van Immanuël immers elkander toe.

Wat zij in haar zwakheid beoogden, zie hoe volheerlijk God zelf het ia zijn majesteit voleind had.

Niet alleen het lijk voor bederf behoed, maar heel het levend lichaam voor eeuwig aan alle macht des doods onttrokken.

Ge hoort bij operation in onze dagen veel van antisepiische middelen. Een geschenk van Gods liefde aan onze eeuw. Een inzicht den mensch geschonken in de kracht in scherpe stoffen schuilend, om alle kiem van bederf in lucht of vezel terstond te dooden, en alzoo het bederf van de open wonde af te keeren.

Duizenden bij duizenden zijn ze, die, in vroeger dagen geopereerd, ook als die operatie zelve gelukkig voleind Tvas, nochtans spoedig daarna aan wondziekte bezweken, omdat giftige bestanddeelen de wonde verdorven hadden. Dat dit thans bijna nooit meer voorkomt, is de vrucht van het inzicht dat God aan Lister gaf. De kiemen des doods die uit de atmosfeer in de wond zouden dringen, worden thans tijdig zelf gedood, en de gewonde blijft leven.

Ook dit nu wordt in den grond der zaak door hetzelfde denkbeeld beheerscht.

Het spreekt ons alles van door God in zijn schepping bestelde middelen, waardoor intredend bederf gestuit wordt.

En nu is zeker God de Heere machtig de opstanding des vleesches door te zetten, ook al is de ontbinding tot het uiterste voortgeschreden, ja, al is het lijk door een boos dier verscheurd of in de diepte der zee verionken of verbrand met vuur.

Maar let er op, dat het bij Jexus' opstanding anders moest wezen.

In Jezus'_ opstanding moest zoozeer de ongeschondenheid van het verstorven lichaam uitkomen, dat de wonden in handen en voeten, ja de wonde ia de zijde nog herkenbaar waren.

Niet alleen het wezen van het lichaam moest aan den dood ontrukt, gelijk het bij Gods kinderen in den dag der opstanding zijn zal, maar het eigen zelfde lichaam, gansch onveranderd, geheel zooals het in het graf gelegd was, moest, zonder dat eenige ontbinding intrad, of eenige reuke ook maar des doods er aan kwam, opnieuw met leven bezield worden. k h t m

En in dat verbind houdt zelfs dat ncderlci> cren in het graf van de mirre en de aloë op bloot bijkomstig te zijn. v p d

Terecht zegt de Christelijke overlevering dan i ook, dat ge nimmer van het i> Ujk" van Jezus e moet spreken.

Het was zijn dood, zijn zielloos, zijn door de ziel verlaten lichaam, maar zelfs die allereerste physieke uitwerking die de dood in het lijk werkt, bleef bij Jezus persoonlijk uit.

Bij ons viel deze offerande der specerijen bij onze dooden uit.

Er bleef een overblijfsel van hangen bij het lijk van keizers en koningen, van vorsten en prinsen. Die balsemt men nog. Niet meer uit geloof maar uit hooger eerbetoon. Niet profetisch, maar uit menschelijke ijdelheid.

Waar eenmaal het vast geloof aan de iwederopstanding des vleesches" doordrong, en alzoo beleden wordt, dat het »de almogende kracht Gods" is, die het wezen van het lichaam eens in heerlijker vorm door herschepping terugbrengt, laat menschelijke hand van die twisting met den dood over het lijk af.

Wij, verlosten des Heerer, geven willig ons lichaam aan het stof terug waaruit het genomen is, wetende dat God de Heere eens ook over dat stof zal triomfeeren.

Natuurlijk moet dit niet overslaan in zekere minachting voor het lijk, dat altoos een product Gods en het lijk van een mensch blijft, en misschien zou het wel goed zijn, indien in menigen kring met een boven aarde staand lijk iets teederder gehandeld werd.

Maar toch, van elke poging om de ontbinding van het lijk tegen te gaan, of ook maar op te houden doet de Christen afstand, en zoo ook wij nog de lijklucht keeren, doen we dit niet om van het lijk de ontbinding tegen te gaan, maar ter wille van de levenden.

Zoolang dat geloof niet doorbrak, kon de profetie tegen den dood zich niet anders openbaren dan in de poging om het lijk tegen de ontbinding van den dood te verweren, en onder dat oogpunt blijft de Egyptische doodenstad van overheerlijke beteekeuis.

Er sprak zich het overgebleven geloof der raenschheid den dood ten spijt in uit.

Totdat de Christus verscheen, en hij stierf en als Immanuël uit het graf verrees en door Gods almacht betoonde, wat geen Egyptische kunst of vaardigheid vermocht had: Niet alleen het lijk te behouden, maar het lijk te doen leven^ te doen leven onvergankelijk.

En daarom als die vrouwen haar specerijen nog uitdragen, en het niet meer noodig is, omdat Jezus reeds uit het graf verrees, dan vloeien de twee lijnen hier ineen.

In die specerijen weerklonk de laatste nagalm, van wat menschelijke kunst tegen den dood beproefd had.

In den verrezen Heiland wordt aan hemel en aarde verkondigd wat Goddelijke almogende kunst tegen en over den dood had vermocht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Dragende de specerijen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken