Bekijk het origineel

Belijdenis doen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Belijdenis doen.

5 minuten leestijd

Een ernstig jong man schreef ons, in verband met het ^belijdenis doen" deze alleszins begrijpelijke klacht:

Met de meeste belangstelling heeft schrijver dezes uw stukje »Belijdenis" in de Heraut gelezen, vooral ook, omdat hij eerlang Belijdenis des geloofs wenscht af te leggen.

Uit dien hoofde dient deze, om UEd. beleefdelijk te verzoeken, eenig licht te verspreiden over zaken, waar velen met mij over tobben. De vraag: Mag ik ten Avondmaal gaan, staat toch in 't nauwste verband met het doen van Belijdenis.

Die 't eene niet mag, mag 't andere ook niet. Om toe te treden tot den disch des Verbonds, moeten wij geloovigen zijn. Dit alles is nog eenvoudig m. i.

Vraagt men nu echter zichzelf af: maar ben ik een geloovige, en raadpleegt men daarover met anderen, dan krijgt men zeer verschillende antwoorden.

De een zegt: »Hebt ge begeerte naar Jezus ? Hongert uw hart naar Hem? Reeds dat is geloof; reeds dat gerechtigt u tot aanzitten. Al weet ge nog niet, dat uw zondenlast op Jezus rust, zoo slechts uw hart naar Hem uitgaat en ge slechts begeert om voor Hem te leven, zie, dan hebt ge vrijheid om Avondmaal te vieren. Reeds dat begeeren is geloof.

En laat u niet afschrikken door de krasse woorden van 't formulier: »Ten andere 'énderzoeke een iegelijk zichzelve, of hij ook deze gewisse belofte Gods gelooft" enz. Dat staat er nu wel, zoo zegt men, maar 't is zoo streng niet bedoeld, als 'ter staat. Al durft ge dat, en kunt ge dat nu zoo beslist niet gelooven, zoo er slechts verlangen naar Jezus en zijne gerechtigheid bij u is, dan is dat voldoende, om Avondmaalsganger te zijn." Zoo redeneert men aan de eene zijde, maar anderen zijn er, die dit gevoelen verwerpen. Gaat men bij die om raad, dan is hun advies: »Wel terdege dient ge te gelooven, dat Jezus uw Borg is en dat al uw zonden door Hem zijn gedragen, 't Formulier bedoelt precies, wat 't zegt; niets meer, maar ook niets minder; want al dat begeeren, al dat hongeren, al die liefde tot God en zijn dienst, kunnen nog vruchten zijn van eigen akker, vruchten der gemeene gratie. Jezus en Hem alleen moet gij bezitten. Hij alleen moet de grond zijn uwer vrijmoedigheid, om aan te gaan aan de tafel des Heeren. Als ge Hem hebt, bezit ge ook al 't andere, maar zoo ge al 't andere hebt, dan volgt nog niet, dat gij Jezus eigen zijt. Ook kan, zonder het vertrouwen op Hem, dat Hij ook voor u stierf, het Avondmaal u niet van nutte zijn. 't Zou op u niet de uitwerking hebben, waartoe het dient. Gij kunt immers niet gelooven, wat Jezus tot u zegt aan zijn disch n. 1. dat Hij zóó zeker voor u stierf, als gij brood en drank nuttigt. Dit geloof kan het bij u niet versterken, want gij hebt het niet." Zegt men dan: Maar er zijn toch ook kleingeloovigen, dan wordt dit toegestemd, maar tevens er bij ge/oegd: Kleingeloovig zijn zij, die wel wis en zeker deze gewisse belofte gelooven, maar wien dit geloof telkens dreigt te ontglippen; die er niet meê kunnen werken — doch gelooven^ doen zij 't — maar kleingeloovigen zijn niet, die enkel maar over begeeren kunnen spreken, zonder meer.

Dit lijdend worstelen der ziele verstaan we.

De jaren van ellende der kerken, heel deze eeuw voortgegaan, scheurde uiteen, wat saamhoort: het leven der innerlijke gemeenschap met Christus, en het uitwendig verbondsleven in het kerkelijk instituut.

Daardoor wordt men gedrongen tot één van deze twee, om óf het belijdenis doen als een zuiver institutaire zaak aan te zien, dus uitwendig op te vatten, en buiten persoonlijk geloof en persoonlijke bekeering te laten omgaan. Of wel, om het belijdenis doen los te maken van de verbondsgenade, en er niet toe over te gaan dan nadat men tot de volle verzekerdheid van zijn persoonlijk deel aan Christus' heiligheden gekomen is. Het eerste 'leidt tot de phraseologie der Volkskerk, het tweede tot het Labadisme.

Calvijn, die dit gevaar voorzien had, ried daarom aan, dat men reeds op zijn 14e of iSe jaar ten heilig Avondmaal zou gaan.

Dan ontwaakt die strijd nog minder, en erkent men als kind nog niet, dat de leiding Gods in ons leven hooger staat dan ons eigen bevinden.

Voeg daarbij dat sinds, o, zoo weinig uit den Doop werd geleefd, zoo weinigidaar den Doop werd geleefd, en dat men, op de keper bezien, het belijdenis doen opvatte, als het komen van een Turk of heiden tot de Christelijke kerk.

Gelukkig dat allengs deze denkbeelden zich gaan wijzigen.

Men neigt zich althans weer tot de belijdenis van de eerste Doopvraag, dat we > in zonde ontvangen en geboren, en daardoor der verdoemenis onderworpen waren, maar ook in Christus geheiligd zijn, en alzoo als zijnde leden zijner gemeente behoorden gedoopt te wezen, en dan ook gedoopt zijn.

Dit^ verandert natuurlijk geheel het standpunt.

Men is dan niet meer in de kerkelijke familie als een vreemde indringer, die nu eerst zijn geboortcrecht bewijzen komt, maar als een kind des huizes, dat in de familie nu ook met eigen bewustzijn leven gaat.

God leidde ons, leidt ons, en zal ons leiden.

Eenmaal brengt Hij ons tot de volle verzekerdheid. Misschien eerst in ons sterven. Maar Hij doet het gewisselijk.

En nu geeft Hij ons hiervan reeds iets te gevoelen, en opdat dit iets meerder worde, roept Hij ons aan zijn heilig Avondmaal.

Eli het is in dat heilig Avondmaal; door de institutaire kerk bediend, dat Hij voor ons besef het geestelijke en het uitwendige, het zienlijke ea het onzienlijke ineen doet vloeien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Belijdenis doen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken