Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

20 minuten leestijd

DERDE REEKS.

Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door den profeet, zeggende: k zal mijnen mond opendoen door gelijkenissen; ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld. Matth. 13:35.

XII.

Tegenover de min of meer dualistische verhouding tusschen noMur en genade, gelijk zij van Roomsche zijde eerst al meer werd vastgezet, en daarna op averechtsche wijze door de Dooperschen nog verscherpt, handhaaft alzoo de Gereformeerde belijdenis de voorstelling van een door God gewilde correspondentie tusschen natuur en genade, die in de Schepping zelve, en dus ook in het Scheppingsbesluit als zoodanig, gegrond ligt. Gelijk Math. 13:35 ons zegt, dat de symboliek, d. i. de zinbeeldige overeenstemming, tusschen het leven der natuur, waaraan Jezus zijn gelijkenissen ontleent, en de mysteriën des Koninkrijks, die hij erin hult, reeds van vóór de grondlegging der wereld opkomt, zoo ook bestaat er volgens onze Gereformeerde belijdenis oorspronkelijk verband en oorspronkelijke samenhang tusschen de ons door God toebedachte natuur, en de door Hem ons verleende genade. Gelijk ons oor op de tonenwereld is aangelegd en de tonenwereld op ons oor, zoo ook sluiten natuur en genade op elkander. En al is bet, dat de kinine die het koortsvuur in ons bloed moet blusschen, van een bcom genomen en ons van buitenaf toegebracht wordt, toch zou deze medicijn ons geen baat kunnen brengen, als deze medicijn niet met onze natuur, en zoo ook onze natuur niet met deze medicijn, in verband stond. Dit beginsel nu beheerscht onze belijdenis van den mensch in den staat der rechtheid, bij wienwegeen i; z£/< f^/; «ö? kunnen aannemen; zoodat ontkennen dat hij in zijn natutir alleen een leven zou ontvangen hebben dat met de gegevens van deze aardsche existentie overeenstemde, onderwijl dan de geschiktheid voor het hemelsche leven hem als een kooger iets aan zijn natuur zou zijn toegevoegd. En dit zelfde beginsel beheerscht evenzoo onze belijdenis van de gemeene gratie, waarin we uitspreken, dat onzemenschelijke natuur niet verminkt, maar verdorven is; wat zeggen wil, dat de haar oorspronkelijk inwonende krachten en vermogens haar niet zijn ontnomen, maar deels tot werkeloosheid zijn gedoemd, deels, v/at haar werking betreft, in haar tegendeel zijn omgezet. Haat is niet een andere kracht dan de liefde, maar geheel dezelfde kracht, alleen maar in haar tegendeel omgezet.

Nu blijven in tusschen deze in haar tegendeel omgezette krachten, ook in dien zondigen staat, aan God onderworpen. Hij kan er de werking van inbinden, intoomen, temperen en stuiten, of ook Hij kan haar werking ongehinderd en onbelemmerd laten doorgaan. Het leerstuk der gemeene gratie nu drukt uit, dat het Gode beliefd heeft, in het gemeen, d.. w. z. bij de menschheid als geheel, en bij eiken mensch in het bijzonder, de onzalige werking dezer in haar tegendeel omgezette l^rachten, niet ongehinderd te laten doorgaan, maar ze te temperen en te stuiten. En in dien zin is het, dat wij eenerzijds het volstrekte bederf van onze natuur door de zonde leeren; wat zeggen wil, dat onze natuur in haar verdorvenheid aan zich zelve overgelaten, regelrecht zichzelve den eeuwigen dood ter prooi zou geven; en dat wij anderzijds in het feitelijke leven der menschheid een Open oog hebben voor de nog zoo rijke ontwikkeling, waartoe ze in staat bleek en voor zooveel liefiijks als in haar uitkomt. Het dogma vau het bederf onzer natuur door de zonde, zegt ons, wat er van ons worden zou, indien God ons losliet; het dogma van de gemeene gratie, wat er nog in ons menschelijk geslacht bloeien kan, en bloeit, 07udat God ons bewaart.

Dat er nu werkelijk zulk een stuiting en tempering van het in ons woelend bederf plaats greep en plaats grijpt, leeren we op grond van de Heilige Schrift. Indien toch de heilige apostel ons zegt, dat God de kinderen der menschen, toen ze Hem almeer verzaakten, ^overgegeven heeft; in een verkeerden zin, om te doen dingem die niet betamen", dan ligt hierin klaarlijk uitgesproken, dat dit oorspronkelijk niet zoo was, en dat er aan dit ^overgeven" voorafging een periode, waarin God de kinderen der menschen in sterkeren zin bewaarde. Alsook, dat bij volken en in kringen, waarin het jiiet tot zulk een uitgieting van ongerechtiigheid-is gekomen, als Paulus die in Rocn. i beschrijft, dit alleen daaruit is te verklaren, dat zij door God gehouden werden. Evenzoo volgt dit leerstuk der gemeene gratie voor ons daaruit, dat het gebeurde na den val niet de vervulling brengt van wat vóór den val, als noodwendig gevolg der zonde, werd aangekondigd. Dit noodwendige gevolg zou geweest zijn, dat Adam en Eva op den dag zelf waarop ze van den verboden boom aten, naar ziel en lichaam in den eeuwigen dood zouden verdorven zijn. In stede daarvan nu vinden we, dat dit gevolg in die ontzettendheid niet aanstonds intreedt, maar wordt uitgesteld tot na het afsterven uit dit leven, deels zelfs tot na den oordeelsdag; en dat daarentegen het leven op aarde aan Adam en Eva verlengd wordt tot in bij de dertig geslachten, dat hun lichaamskracht wordt opgehouden, dat schaamte, in stee van overmoed, hen over hun zonde aangrijpt, en dat over een reeks van eeuwen zich een rijk menschelijk leven uit hen ontwikkelt.

Ook dit nu is niet anders te verklaren, dan daaruit, dat God zelf de gevolgen van de zonde, en de doorwerking der zonde, gestuit heeft. Voorbeelden als we van Achimelech aanhaalden, toonen voorts, hoe en op wat wijze deze stuiting of verhindering van zonde toegaat. Hetgeen de Heilige Schrift ons van de verharding en de verstokking leert, is niet anders dan uit het zich terugtrekken van de eerst temperende en bewarende genade te verklaren. In overeenstemming hiermede, toont de historie van ons geslacht ons klaarlijk, hoe er eenerzijds een boosheid in ons menschelijk geslacht woelt, die een helsch en demonisch karakter vertoont, en hoe toch anderzijds in datzelfde menschelijk geslacht, een menschelijk leven tiert, dat, ook buiten het terrein der particuliere genade, u vaak verheffend aandoet. En eindelijk zegt het getuigenis van. ons eigen hart ons, dat er nog steeds een onzalige fontein van zonde in ons hart opborrelt, en dat het alleen de bewarende genade onzes Gods was, die ons, ook toen we onzen Heiland nog niet kenden, voor de grove uitbrekingen dier zonde heeft bewaard. Schrift, geschiedenis, en eigen zielservaring dwingen ons alzoo om strijd, om aan het dogma dex genteene gratie onveranderlijk vast te houden.

Ook die gemeene gratie nu staat voor ons in rechtstreeksch verband met onze schepping. In dien zin namelijk, dat reeds in onze schepping onze menschelijke natuur er op aangelegd moet geweest zijn, om zulk een werking van de gemeene gratie mogelijk te maken. Want wel is het begrijpelijk, dat de gewone opvatting zich de onderscheiden daden Gods, in zijn scheppttig en in zijn genade beide, als twee op elkander volgende bedrijven opvat, die los naast elkaar zouden staan; maar wie aan de Schrift zich houdt, mag geen oogenblik in zulk een voorstelling berusten. Dit mag zelfs niet ten opzichte van de particuliere genade. Niemand kan of mag, met de Heilige Schrift voor oogjen betuigen, dat God eerst de wereld schiep, toen afwachtte hoe het in die wereld loopen zou, en eerst daarna, toen Hij zag, dat ze gevallen was, een plan, een raadslag des heils bedacht heeft, om de gevallen wereld te redden. Alle plan, en alle raadslaig, en alle voornemen Gods gaat volgens de Heilige Schrift altoos terug tot vóór de grondlegging der wereld. Niet eerst na de schepping en na den val, maar eeuwiglijk vóór den val en vóór de schepping ligt het raadsbesluit des Almachtigen. Zoo belijdt het dan ook heel de Christelijke kerk in al haar schakeeringen. Er mag verschil over bestaan, of in dit raadsbesluit de kennisse van den val een toorgeziene of vooraf bepaalde was. Maar er bestaat geen verschil over, dat geheel het raadsplan Gods een eeuwig karakter draagt, en tot achter de .'schepping, ja tot achter de grondlegging der wereld teruggaat. Jezus zelf betuigt dat hij eens tot de gezaligden zal zeggen; »Komt, gij gezegenden des Vaders, beërft dat Koninkrijk dat u bereid is van vóór de grondlegging der wereld." Van zijn heerlijkheid als Middelaar betuigt hij in Joh. 17 : 24, dat ze hem gegeven was van •uvaór de grondlegging der wereld." En de heilige apostel betuigt ons evenzoo, »dat we uitverkoren zijn van - nvóór de grondlegging der wereld' (Ef. 1:4), Hier is alzoo zelfs geen afwijkende zienswijze denkbaar. Wie nog op den bodem der Heilige Schrift staat, belijdt dit alles met ons. En nu is het toch hoogst opmerkelijk, dat de Heilige Schrift, zoo dikwijls ze deze gedachte openbaart, niet spreekt van vóór de schepping der wereld, maar zoo uitdrukkelijk van »vóór de grondlegging der wereld", daar toch deze beide uitdrukkingen volstrekt niet hetzelfde zeggen. Schepping noemt de zaak op het oogenblik der tot­ standkoming, de grondlegging daarentegen wijst op de gedachte, die het plan der schepping vaststelde en bedoelde haar te verwezenlijken.

In Job 28 komt dit onderscheid zelfs klaarlijk uit. Job geeft in dat bekende kapittel eerst getuigenis van de roeping die de mensch van God ontving, om de verborgenheden van Gods schepping te voorschijn te brengen. God besloot het goud en het zilver, alle edel metaal en edel gesteente in het hart der aarde, en indien er geen menschen waren geweest, om die schatten te voorschijn te brengen, en den glans van het goud te doen blinken, en het water in den brilliant door slijpen te voorschijn te brengen, zou Gode nimmer de eere en de prijs van deze zijn fijnere schepping in het delfstoffenrijk zijn toegekomen. Maar de mensch, zoo zegt Job, is hiertoe besteld, en zoo is er »voor het zilver een uitgang, en een oven waarin het goud wordt gesmolten". Het ijzererts wordt van zijn stof ontdaan en het steen van het koper afgesmolten. De mensch brengt den saffier te voorschijn, en beklimt paden waar geen roofvogel doordringt, om het kristal te zoeken (vs. I—11). Kortom de mensch is er op aangelegd en er op aangewezen, om wat God in de aarde verborgen heeft, op te delven en er Gods grootheid in te verheerlijken. Maar, zoo gaat dan Job, onder de insprake des Heiligen Geestes voort, »de Wijsheid van waar is ze? en de mensch weet hare waarde niet". En dan gaat hij geheel in denzelfden gedachtengang over, dien we zoo rijk en sterk uit Spreuken 8 kennen, en die voor ons oog de geheimnissen ontdekt, die achter de schepping liggen, toen »God een cirkel over het vlakke van den atgrond beschreef, en de opperwolken vastzette omhoog en de fonteinen in den afgrond boorde, en der zee haar perk zette", en zoo verklaart hij ons, hoe in en bij dit alles de Wijsheid de Raadsman des Heeren was, en hoe in de grondlegging zelve va.a de Schepping de eeuwige Wijsheid zich uitspreekt, want alle dingen, gelijk de apostel betuigt, zijn ïdoor Hem", en nzonder Hem is er geen ding geschapen, dat geschapen is".

De uitdrukking van sivóór de grondlegging der wereld" dwingt ons derhalve, om achter de Schepping op dit heilig Scheppingsplan terug te gaan, en indien nu de mysteriën des Koninkrijks door Jezus zelven in zijn gelijkenissen met de ^grondlegging der wereld" in verband worden gebracht, hoe zou het ons dan vrij staan, de sfeer van het natuurlijke leven af te stuiten van de sfeer van het genadeleven, alsof de ééne met de andere niets uitstaande had? Reeds de bouwmeester, die een monumentaal gebouw optrok, of een toren zijn spits in de wolken deed verheffen, was bij zijn bestek, en bij de uitvoering van zijn bestek, er op bedacht, om aan wie na hem komen zou, en herstelling zou moeten aanbrengen, in zijn constructie de mogelijkheid van v/elslagen te openen, door den bouw zóó aan teUeggen, dat de hersteller bij alle deelen en stukken van paleizen, kathedralen of torens bij zou kunnen komen; en een architect, die, zonder\»sxo'^ bedacht te zijn, eenvoudig' muren en torens optrok naar welgevallen, maar zoo, dat als er een mikmak kwam, niemand de bedreigde punten genaken kon, zou terecht als onbezonnen en onnadenkend worden veroordeeld. En hoe zou men ons dan willen doen gelooven, dat God de Heere, de opperste Bouwmeester en Kunstenaar van zijn wonderbaar heelal, de grondlegging en de schepping van zijn wereld onbedachtelijk bad laten toegaan, zonder dat daarin voorziening aanwezig ware voor het geval, dat herstelling moest worden aangebracht? Die voorziening is alzoo van het raadsplan der Schepping niet af te scheiden. En juist wijl de gedachte aan deze voorziening tot in de grondlegging en tot in de schepping zelve uitkomt, daarom is het, dat de Schrift ons bij ai deze genadige voorziening en steeds tot achter die grondlegging zelve der schepping terugwijst.

Wat we ten deze onder die voorzieningen te verstaan hebben, is niet moeielijk in te zien. Iets kan zóó geschapen worden, dat het voor herstelling vatbaar is, maar ook zoo, dat aan geen herstelling, zoo het koakt of breekt, valt te denken. Reeds in het gewone leven kennen we dit onderscheid. Een schaal van fijn Chineesch blauw, die u uit de hand glipt, en in drie vier stukken splijt, is eenvoudig weg. Want wat ge ook kramt en lijmt, de bersten en scheuren blijven, en herstelbaar in oorspronkelijke gaafheid gebroken is de schaal nooit meer. Ge kunt misschien een nieuwe ditcj-'iaten vervaardigen, maar de gebroken schar> i weer maken tot wat ze .van te voren gewe ist was, kunt ge niet. Geheel anders daarente|, en staat het rnet wat uit smeltbaar metaal is ver­ vaardigd. Een gouden keten die brak, is, bij fijne bewerking, zóó herstelbaar, dat de breuke feitelijk geheel verdwijnt. Porcelein en metaal staan hierin dus tegenover elkander. Wat uit porcelein is weigert hersteld te worden, wat uit metaal geslagen is, roept er om. En dit onderscheid nu komt niet eerst later tusschen het porcelein en het metaal inschuiven, maar ligt gefundeerd in beider schepping, ja, in de grondlegging van beider aard en natuur. De natuur van de fijne aarde waaruit het porcelein gebakken wordt, is een andere dan de natuur van de smeltbare metalen. Die uiteenloopende natuur van beide is niet toevallig, is niet doelloos, maar is alzoo door God uitgedacht, en in de grondlegging der dingen gewild. Dat een gouden stift, een gouden keten, een gouden beker hersteld kan worden, is niet iets wat bij de natuur van het goud bijkomt, maar een eigenschap die er in zit. De natuur van het goud is op de mogelijkheid van herstelling gericht en berekend. Niet alsof gebroken gouden sieraden uit zich zelf hersteld worden. Alleen de hand van den vaardigen kunstenaar, die bij het goud bijkomt, maakt de herstelling tot een feit. Maar dit neemt niet weg, dat de grootste kunstenaar tegenover hel gebroken gouden sieraad machteloos zou staan, indien niet de aard van het goud op de mogelijkheid van herstelling was aangelegd.

Breng dit nu op de geestelijke schepselen over, en ge gevoelt terstond dejbeteekenis ervan voor de herstelling der gevallen natuur door genade. Immers we kennen uit Gods Woord twee soorten geestelijke schepselen, waarvan het ééne na val herstelbaar bleek te zijn, het andere niet. Mensch en engel staan hier juist zoo tegen elkander over als het porcelein tegenover het goud. De engel is een heilig wezen, maar valt hij, dan is alle weeropstaan voor den engel onmogelijk. Nergens duidt de Schrift ook maar met één woord aan, dat er voor den gevallen engel een weg ter ontkoming zou zijn. Van verzoening voor de zonde der engelen is nergens sprake. Van de wedergeboorte van een dooden engel evenmin. De engelen zijn goed of ze zijn boos. Die goed zijn, zijn nooit zondaar geweest, die boos zijn, kunnen nimmer goed worden. Juist dus als bij het porcelein. Hoog van waardij, maar breekt het, dan is het voor altoos verloren, en zoo ook zijn de engelen onredbaar, als eenmaal de schaal hunner heerlijkheid breekt. De mensch daarentegen is aan het goud gelijk. Ook hij kan vallen, en ook hij zou, als hij gevallen is, zonder een herstellende hand van buiten, in zijn gebroken toestand blijven liggen. Maar bij den mensch is het toch alleszins mogelijk, dat de breuke in zijn hart geheeld worde, en dat door de zelfvernietiging in de opsmelting henen, wat verloren scheen hersteld worde in vroegere heerlijkheid, ja, tot liooger dan oorspronkelijken glans. Maar hieruit volgt dan ook, dat deze redbaarheid en herstelbaarheid van den mensch hem niet eerst na zijn val van buiten af kan zijn toegekomen, maar dat zij reeds in de grondlegging zelve van zijn menschelijke natuur moet gefundeerd zijn geweest. Had hij in zijn schepping een geestelijke natuur als die der engelen ontvangen, zoo zou ook zijn verlossing ondenkbaar zijn geweest. Nu daarentegen de mogelijkheid van herstel en van verlossing voor den mensch bewezen is, nu blijkt dan ook indirect, dat reeds in de grondlegging zijner natuur, hierop gerekend was, dat reeds in het raadsbesluit van de schepping des menschen deze factor der herstelbaarheid was opgenomen, en dat zoowel de gemeene gratie als de particuliere genade haar aanknoopingspunt tot in de natuur zelve en in het wezen van den mensch als zoodanig vinden. Zoomin als het gebroken gouden sieraad zich zalven kan herstellen, zoomin kan natuurlijk ook de gevallen mensch 5/c, 4x: f& «« weer oprichten en herscheppen. Voor het gebroken goud en voor den gevallen mensch is beide malen de reddende hand van den kunstenaar onmisbaar, en zoo belijden we dan ook, dat alleen de reddende hand Gods hem uit zijn val kan oprichten. Maar ook, God zou dit niet kunnen, indien niet in de schepping zelve van de menschelijke natuur de gegeveus hiervoor waren ingeschapen. God kan wel een gevallen mensch zaligen, maar niet een gevallen • engel, en indien onze natuur aan der engelen natuur gelijk ware, zoo zou God, het zij met allen eerbied uitgesproken, ons ook niets ter zaligheid kunnen toebrengen. Dit nu is geen band die Gode uitwendig wordt aangelegd, want het is God zelf, die het alzoo verkoren heeft, ons anders dan engelen te scheppen. Maar dan ligt ook de mogelijkheid van onze verlossing en herschepping alleen daarin, dat God in zijn eeuwig voornemen onze menschelijke natuur anders heeft gedacht, anders heeft gewild en anders heeft besteld; en het is uit dien hoofde, dat het ongeoorloofd is en blijft, om het werk der genade van de schepping zelve onzer natuur los te maken. Beide hangen principieel samen. In onze schepping zelve, zijn we op de mogelijkheid om verlost, herschapen en hersteld te worden, aangelegd.

Het is alzoo geen bijkomstig iets, dat de Schrift zoo telkens tot zelfs de verkiezing, met de grondlegging der wereld, in verband brengt. Ook de verkiezing toch, zou evenals de voorverordineering, volslagen ondenkbaar en onmogelijk zijn geweest, indien niet de schepping zelve van onze natuur de mogelijkheid voor de heiliging van zondaar geopend had. Alle zaliging van den zondaar is het resultaat van twee factoren, ten eerste van wat in onze natuur, bij de grondlegging der schepping, gelegd was om herstel mogelijk te maken, en ten tweede van wat God daarna deed om voor zijn genadewerk van die dispositie in onze natuur gebruik te maken. Het is er juist zoo mede, als met onze medicijnen. Zeker, de dispositie van de natuur in ons lichaam geneest ons niet, wat geneest is het geneesmiddel, maar dat de medicijn op ons werken en ons genezen kan, ligt aan de dispositie van onze natuur. Ware die anders, zoo zou geen medicijn ons baten kunnen. Dat ze baat brengt, is alleen omdat onze natuur op de medicijn, en de medicijn op onze natuur is aangelegd. Het best ziet men dat aan ellendelingen die door een diep zondig leven deze dispositie van hun natuur zoo verdorven hebben, dat ten slotte geen medicijn meer vat op, hen heeft, en elke medicijn haar uitwerking op hun verpeste natuur weigert.

Gaat dit nu door voor de particuliere genade, en belijdt de Gereformeerde kerk deswege terecht tegenover Luthersche excessen, dat de zondaar geen 2stok en blok", maar een redbaar mensch is, redbaar omdat hij ia de grondlegging van zijn existentie op redbaarheid is aangelegd, zoo geldt even datzelfde ook voor de gemeene gratie, zij het ook op gewijzigde manier. De gemeene gratie vindt haar beeld niet in de medicijn van den arts, maar in de wondere kunst van den dierentemmer, een kunst die haar zwakkere uiting greeds vindt, zoo in het talent waarmee de vaardige ruiter zijn paard beheerscht, als in de 'kunst waarmede de mensch in de eerst wilde dieren, gelijk onze huisdieren waren, den oorspronkelijk woesten aard getemd heeft. De intooming van de wilde natuur komt bij het dier alzoo in drie graden voor:1°. in de domesticatie, of de tammaking van eerst wilde dieren tot huisdieren; een effect dat men het best kan waarnemen, door in een dierentuin de wilde kat gade te slaan, en haar te vergelijken met onze huispoesen; 2". in de dressuur, d. i. de kunst om een sterk en eerst ongewend dier aan onzen wil te onderwerpen; en 3". in de temkunst, die nog steeds een mysterie blijft, en aan enkele personen het vermogen geeft, om verscheurende wilde dieren te biologeeren. En het is nu op het breede terrein van deze drieërlei actie, door menschen op dieren uitgeoefend, dat we de analogie voor de gemeene gratie hebben te zoeken. De zondaar is een wild geworden mensch, en de gemeene gratie is de heilige kunst door God aangewend, om die wilde natuur in den zondaar, hetzij generaal, hetzij tijdelijk, hetzij persoonlijk, in hem te bedwingen. Ook op het terrein der gemeene gratie toch is er én domesticatie, gelijk die ia het gemeen bij de beschaafde heidensche volken uitkomtt. Er is dressuur, gegelijk ge die vindt in de bewarende genade, die ge in uw persoonlijk leven ervaart. En er is een heilig temmen van onze boosheid, gelijk die zoo dikwijls op sprekende wijze in de inbinding van onverlaten is gezien.

Maar ook hierbij nu werkt onder dieren volstrekt niet alleen de actie van v/le tam maakt, dresseert of temt., maar even beslist de dispositie in de natuur van het dier, naar gelang het al of niet op tam wording, op dressuur of tembaarheid is aangelegd. Niet alle dieren kunnen huisdieren worden, maar alleen die dieren, die in hun aard hiervoor geschikt waren. Niet alle dieren laten zich dresseeren, maar alleen die dieren, wier aard daarop in hun schepping was aangelegd. En' evenzoo niet alle dieren kunnen getemd v\rorden, of althans enkele dieren niet dan bij hooge uitzondering. De leeuw en de beer zeer gewoon, de tijger en de hyena in den regel niet. De bruine beer wel, niet alzoo de ijsbeer. En zoo nu ook staat de zaak bij de gemeene gratie, als het aankomt op intooming, op tempering, op temming van de wildheid in den ge-

valleu mensch. Ook dan toch hangt de vraag, of temming mogelijk zal blijken, aan die geheel andere vraag, of namelijk de aanleg hiervoor in de oorspronkelijke natuur aanwezig was, m. a. w. of God onze menschelijke natuur oorspronkelijk zóó had geschapen, dat ze, na wild te zijn geworden, weer tam kon gemaakt ^worden. Er zijn personen bij wie dit kan, anderen bij wie dit niet kan. Er ligt hier een grens van mogelijkheid en niet-mogelijkheid, en het is die grens, die bepaald ligt tot in onze schepping.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 juni 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 juni 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken