Bekijk het origineel

Onze Koloniën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Onze Koloniën.

6 minuten leestijd

Van een Zendingsvriend uit Indië ontvingen we een belangrijk schrijven, waaruit we zonder zijn naam te noemen, het volgende onder de oogen onzer lezers wenschen te brengen.

Wat den zedelijken steun betreft, de Regeering zelve was in de laatste tientallen jaren, meen ik, de Zending goed gezind. Bij vele van hare dienaren, ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur was dit helaas niet altijd het geval. Ik hoorde van bekrompen ambtenaars-zielen, wien het tegenstond, dat de Christen-Inlanders zich niet zoo onderdanig betoonden als, laat mij liever zeggen, zich meer mensch voelden, dan hun Mohammedaansche of Heidensche rasgenooten, en die daarom de zending tegenwerkten. Waar echter dergelijke onwil tegenover de Zending zich nu nog mocht voordoen enter oore komen van den tegenwoordigen landvoogd, daar zouden dergelijke ambtenaren spoedig op afdoende wijze tot de orde worden geroepen. Het zou wellicht goed zijn dat de zendelingen dit positief wisten.

Wat den stoffelijken steun betreft door de Regeering te verkenen, ik lees in uwe rede dat de Regeering de Zending niet rechtstreeks mag noch kan steunen en dit ziet ook op steun door middel van subsidie: referte ook blz. 227 der Handelingen der Kamer onderaan de blz. U gaf dit den minister uitdrukkelijk toe. Ik kan hier niet Uwe zienswijze deelen. Dat de Regeering niet zelve door hare ambtenaren beheerend kan optreden, dat zij zelfs bij het steunen van de Zending met bedachtzaamheid moet te werk gaan, wie zal dit ontkennen. Zoo zal Zij niet de zendelingen zelve moeten aanstellen of uitzenden, noch hun een traktement geven, waardoor zij ambtenaren zouden worden. Zoo zal Zij zelfs wellicht uit een politiek oogpunt beter doen met zich te onthouden van het subsidie verkenen aan het bekeeringswerk van zendingsgenootschappen, waar dit werk plaats heeft onder lieden, die reeds een meer ontwikkelden godsdienst als den Mohammedaanschen of Hindoeschen belijden, waaraan zij gehecht zijn, en die in den steun door de Regeering verkend tot bestrijding van hun godsdienst aanstoot zouden kunnen geven en politieke verwikkelingen veroorzaken. Maar is het zoo vreemd te achten, dat, waar de vrije maatschappij ten onzent te kort schiet in het zendingswerk onder de Heidenen, de Regeering dat zendingswerk door subsidies zoude in de hand werken ? Vooreerst het effectief steunen der zending door gitten of subsidiën, hetwelk volgens den Minister (blz. 226 der Handelingen) niet op den weg der Ke-^eering zoude liggen, heeft in werkelijkheid sinds tientallen van jaren reeds plaats, wat aangaat de zending op de Sangi-en Talauer-eüanden, vroeger ook wat aangaat de zending elders. Ik veroorloof mij U te wijzen op den post voorkomende op hoofdstuk II der Indische begrooting van dit jaar, afdeeUng V, onderafdeeling 60, letter e (toelagen en onderstanden van zendeUngen en zendeling-leeraren; de leeraren zijn sinds eenige jaren (sinds 1885) weggevallen), een post welke reeds op de begrooting voor 1866 voorkomten vroeger hooger was dan tegenwoordig: in 1866 ƒ 34060, in 1876 / 17200.

En waarom zou het steunen der zending onder de heidenen niet plaats hebben? De Staat steunt vele instellingen en werken waarvan hij, zonder dat hij daarom zelf het werk in handen wenscht te nemen, het doel op prijs stelt en bevorderen wil. Kan het den Staat nu onverschillig zijn in het binnenland van Borneo, op Celebes, op Noord-Halmaheira, op Boeroe, op Ceram, op Timor, op Flores, op Nieuw-Guinea in de plaats van wilde en woeste volksstammen, vreedzamen Christenen te hebben wonen ? Het belang van den Staat bij de kerstening ligt voor de hand. Waarom zou dus de Staat geen subsidies kunnen geven aan zendingsgenootschappen, welke zich die kerstening tot taak stellen ? Dergelijke subsidies zullen het tiendubbele bedrag uitsparen, anders aan politieambtenaren en soldaten uit te geven.

Ten slotte wilde ik uwe aandacht verzoeken voor_ deze vraag: Is er tot op dit oogenblik niet in verhouding te veel werk gemaakt van de zending op Java en veel te weinig van die op de buitenbezittingen ? Wanneer ik de zendelingen in India optel, dan vind ik er een groote 80 op de uitgestrekte buitenbezittingen (waarvan alleen 52 zegge 52 van het buitenlandsche Rhijnsche Zendingsgenootschap) en een 40 tal zendelingen op Java. Nu is het van algemeene bekendheid dat het bekeeren van Mohammedanen, waar de gansche bevolking eener streek Mohammedaansch is, om allerlei redenen zeer moeilijk en slechts uiterst langzaam gaat. Daarentegen is het kerstenen onder de Heidenen veel gemakkelijker, levert onmiddelijk veel grootere resultaten op. Uit bijlage Z van het Koloniaal Verslag van 1896 putte ik de volgende cijfers. In de_ buitenbezittmgen, waar men kan zeggen dat uitsluitend gewerkt wordt onder de heidenen, komen op eene gezamenlijke bevolking van 6.112.698 zielen 338.240 Protestantsche inlandsche christenen voor. Op Java, waaralleen Mohammedanen wonen en uitsluitend onder Mohammedanen gewerkt wordt, komen op eene bevolking van 25.372.247 zielen 20.281 Protestantsche inlandsche christenen voor, onder welke laatsten dan nog een ± 2000, behoorende tot de gezinnen van Amboineesche soldaten. Voor de Roomsch-Katholieke inlandsche christenen (ad 29.062 zielen) is uit de aanwezige opgaven moeilijk een verdeeling tusschen Java en de buitenbezittingen te maken.

Naar het mij voorkomt is het onverwijld werk maken van de evangelisatie op grootere schaal onder de heidenen op de buitenbezittingen van overwegend belang.

1°. Wachten wij nog langer, zoo zullen de Mohammedanen ook onder die heidenen weer meer en meer proselieten maken, vooral op Sumatra, op Celebes, op Halraaheira, en dit zal het arbeidsveld voor de Christenen alweer moeilijker en kleiner maken. Zoo is ons indertijd ook het stuk van Noord-Celebes, grenzende aan de Minahassa, ontgaan.

2°. Krijgt men daar onmiddelijk grooter krachtsontwikkeling op de buitenbezittingen een groote Christenbevolking in onzen Archipel, zoo zal die dadelijk een tegenwicht tegenover de Mohammedanen vormen en zullen van zelf de propagandakansen voor het kerstenen ook in Mohammedaansche landen veel gunstiger worden, ook door waarschijnlijke immigratie van Christenen.

3°. Wordt het resultaat der zending dadelijk tastbaar grooter, zoo zal men er in Nederland ook meer voor over hebben.

Zou het dus geen overweging verdienen dat de groote zendingsgenootschappen ten onzent als daar zijn: de Nederlandsche Zendingsvereeniging en het Nederlandsch Zendingsgenootschap, beiden te Rotterdam, het Java-Comité gevestigd te Amsterdam, de Zending van de Gereformeerde kerken in Nederland onder de Mohammedanen en Heidenen, W(7r/(7o/? ; g'minder krachten wijdden aan het maken van verdere propaganda op het Mohammedaansche Java, doch zich daarentegen met alle kracht toelegden op de kerstening op de heidensche buitenbezittingen. Natuurlijk is het niet mijne bedoeling dat de eenmaal gekerstende Javanen daarom aan hun lot zouden worden overgelaten: alleen zoude voor hen slechts het hoogst noodige afgezonderd moeten worden. Zelfs zoude het niet meer dan rationeel zijn dat, wat betreft die 20.000 inland-1 sche Christenen die er op Java zijn, de Staat! geheel hunne geestelijke verzorging op zich nam, door de aanstelling van hulppredikers of anderszins, dan zouden de Zendingsgenootschappen zich voorloopig geheel van Java kunnen terugtrekken.

Een zeer ernstige, en hoogst gewichtige vraag, die tot nadenken stemt, maar die natuurlijk niet voor onverwijlde beantwoording vatbaar is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Onze Koloniën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 11 juli 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken