Bekijk het origineel

Napleiten.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Napleiten.

4 minuten leestijd

In de Heidenbode, het Zendingsorgaan der Gereformeerde kerken, wordt steeds meer gepoogd, de besluiten der jongste Synode in zake de Zending van achteren te bestnjtlen.

Het wordt voorgesteld, alsof reeds een jaar na het nemen dier besluiten de gouden eeuw der Zending kon zijn ingetreden. Uit een terloops neergeschreven zeggen van één enkel predikant, dat wel twaalf Dienaren des Woords gereed stonden, om naar Java te gaan, wordt afgeleid, dat deze jonge mannen zich dan nu ook moesten hebben aangemeld. En uit den tegenspoed waarmee op meer dan één station, met de oud-gedienden, te worstelen valt, trekt men de conclusie, dat alles misgaat.

Zelfs gaat de redactie zooverre van te beweren, dat als alles maar bij het oude ware gebleven, en de vroegere Zendingsdeputaten er nog waren, aanstonds in den schreienden nood voor Pekalongan zou voorzien zijn.

Wat is hiervan aan?

De man die het station Midden-Java ten Hoorden, uit schuldige oorzake verlaten moest, was aangesteld onder het oude régime.

Dat broeder Zuidema ter oorzake van zwakke gezondheid repatrieeren moest, heeft met de vroegere of latere inrichting van het Zendingswerk niets hoegenaamd te maken. En evenmin komt het voor rekening der Synodale besluiten, dat broeder Bolwijn nog steeds te Vlaardingen wordt opgehouden; en dat broeder Huyzing wegens zenuwzwakte naar Europa terug moet.

Zelfs al wilde men zoover gaan om te beweren, dat in de broederen Zuidema, Bolwijn en Huyzing drie mannen van te zwak gestel waren uitgezonden voor den dienst in het Oostersch klimaat (wat wij niet zeggen), zoo zou toch dit feit uitsluitend voor de verantwoording van de oude Deputaten liggen, en in geen enkel opzicht voor rekening van hen, die den bestaanden toestand hadden over te nemen, gelijk die is.

Al dit speculeeren op onzen niissionairen tegenspoed, om er zijdelings de Middelburgsche besluiten de schuld van te geven, mist alzoo allen grond, en misleidt de lezers en lezeressen van het blad.

Evenmin gaat het aan voor het los heengeworpen zeggen van één predikant de kerken als zoodanig aansprakelijk te stellen. Ds. Weijers zal er zelf vreemd van opzien, dat aan zijn vroeger gezegde zulk een zonderlinge beteekenis wordt gehecht.

En nog zonderlinger is de bevycring, dat de genomen besluiten de belofte inhielden, van nu het gouden tijdperk te doen aanbreken.

Wie ter Synode aanwezig was, of ook maar kennis nam van haar acta, weet toch zeer wel, dat er zelfs nog geen regeling is, en dat de nieuwe orde van zaken eerst op de eerstvolgende Synode tot stand zal kunnen komen.

Wat tusschen beide Synoden ligt is niets dan een overgangstijdperk, waarin men de zaken loopende en gaande kan houden, maar waarin van een inrichten der Zending op breeder en vaster voet geen sprake kan zijn.

Door dat te doen, zou men op de besluiten der komende Synode vooruitloopen.

Geheel deze averechtsche voorstelling heeft alzoo geen andere verdienste dan die van een napleiten in een verloren geding.

De indruk moet nu gegeven worden, alsof de tegenspoed waarmee men te worstelen heeft, niet den nasleep gold van vroegere beschikkingen, maar te wijten ware aan het nieuwe systema.

En omdat het nieuwe systema, dat nog op zijn afwerking en organisatie wacht, niet aanstonds nieuw leven schept op een Zendingsakker, waar alles verdorde, moet nu dit systema zelf gediscrediteerd worden, en het denkbeeld ingang vinden, alsof alles van een leien dak zou zijn geloopen, indien de vroegere Zendings-deputaten maar gebleven waren.

Om het te zeggen zooals we het meenen: Ons komt deze houding noch manlijk noch broederlijk voor.

Niemand zal het aan den redacteur van de Heidenbode euvel duiden, dat hij de vroegere Zendingsmethode voor de eenig juiste en ware houdt, en daarentegen van de nu aanvaarde methode het ergste vreest.

Evenmin kon het iemand verwonderd hebben, indien de geachte schrijver, zich bij de Middelburgsche besluiten niet nederleggende, in een degelijke studie nogmaals principieel het missionaire vraagstuk besproken, en zijn gevoelen verdedigd had.

Een ieder eert ook in hem het vrije woord, en wat hij zoo keurig schrijft, leest ieder gaarne.

Maar dan had hij ook flinkweg voor de redactie van de Heidenbode moeten bedanken, en openlijk moeten verklaren, dat hij niet langer de man was, om een orgaan te redigeeren van kerken met wier besluiten hij uit overtuiging niet kon medegaan.

Die houding zou een ieder kloek en manlijk hebben geoordeeld, en ze zou invloed hebben geschonken aan zijn woord.

Maar in een orgaan der kerken de besluiten dier kerken te bestrijden, en dat te doen noch principieel noch wetenschappelijk, maar op een wijze, die zelfs den toets der billijkheid niet kan doorstaan, doet én aan de Zending afbreuk én aan het gewicht dat men anders hechten zou aan zijn woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 september 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Napleiten.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 september 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken