Bekijk het origineel

Vrij Universiteit.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vrij Universiteit.

9 minuten leestijd

Amsterdam, 8 Oct. 1897,

Vreeze was gekoesterd, dat althans de Juridische faculteit der Vrije Universiteit gevaar liep, en zie, juist nu meldde zich voor deze faculteit een grooter aantal studenten aan, dan ooit.

Ook het gehcele getal ingeschrevenen aan de Vrije Universiteit haalde op één na weer het hoogste cijfer, dat ze ooit gehaald had.

De geheele kring wordt thans gevormd door 115 studenten; voorwaar geen onbeduidend getal.

Dit toont wel dat ons Gereformeerde volk waarlijk niet enkel rekent met de uitwendige gegevens.

Wie ons tegenstaat, zegt natuurlijk: o. Die Vrije Universiteit heeft de professorale tering reeds. Ia stee van toe te nemen, slonk het aantal hoogleeraren. Ze gaat achteruit in stee van vooruit!

Dat is de taal van wie een hymne der zelfvoldoening zou zingen op haar graf.

Maar ons volk denkt er anders over.

Het weet zeer wel, dat onze Stichting uit haar beginsel leeft, en dat de eenige vraag die over haar toekomst beslist deze is, of ze niet alleen aan haar beginsel getrouw blijft, maar ook actie van haar beginsel, in vrucht van studie, doet uitgaan; wil men, of de uitkomst het vertrouwen bevestigt, dat ze metterdaad een eigen wetenschappelijk inzicht vertegenwoordigt, en dit naar vaste methode allengs klaarder voor zich krijgt en ook voor anderen ontsluiten kan.

Is toch dit doel eenmaal bereikt, en daardoor de wetenschappelijke positie én duidelijk genomen, én door heel een kring van leerlingen in zich opgenomen, dan zal vanzelf uit dien kring een groep van mannen voortkomen, die allengs gereed en in staat is, om dit wetenschappelijk inzicht op de onderscheidene vakken van studie toe te passen. En de ure is dan ook komende, dat men niet meteen lantarentje naar mannen voor de katheders, maar met beschamende verlegenheid over gebrek aan middelen naar katheders voor de mannen zal zoeken.

Onder dit oogpunt was het een goede greep van Prof. Woltjer ook ditmaal de lessen te openen met een diepingrijpend betoog over de verhouding tusschen ket leven en de wetenschap.

Vooral voor de pas aangekomen studenten uiteraard een veel te zwaar stuk. Zelfs zou het niet te verwonderen zijn geweest, zoo meer dan één bij het hooren van deze academische taal zich had afgevraagd, of hij er maar niet mee uit zou scheiden. Zoo ver en hoog ging het over veler hoofd heen.

Maar Prof. Woltjer begreep blijkbaar, dat ditmaal vooral een principieel stuk aan de orde moest worden gesteld, omdat door niets zoozeer als door zulk een principieel n betoog l én de wetenschappelijke standaard van ons onderzoek uitkomt, én de nood zakelijkheid van ons optreden gerechtvaardigd wordt.

En dat doel trof hij op uitnemende wijze, mits hij zijn stuk uitgaf.

Dat heeft hij dan ook gedaan, en alzoo door het venster der academiezaal tot de wereld buiten onze universiteit gesproken. Tot medestanders en tegenstanders. Allen uitnoodigend, om op het principieele vraagstuk over de verhouding die tusschen leven en tvetenschap bestaat, ia te gaan, en het standpunt der Vrije Universiteit ten deze klaar uiteen te zetten.

Hij deed dit in heldere taal, in bondig betoog, in eiken twijfel uitsluitende conclusiën.

Tot een enkel, wel wat breed citaat moeten we ons bepalen, dat tot lezing van het geheel uitlokke. Tot lezing en tot herlezing. Want metterdaad wie deze rede goed gevat en in den wortel gegrepen heeft, is zooveel verder.

Ons citaat nemen we op pag. 20.

Zoo vindt Gij, M. H., overal dezelfde gedachte terug: wetenschap geeft leven, zooals leven wetenschap geeft; beide ontspringen uit dezelfde bron.

En zoo verstaat Gij ook de beteekenis der zonde voor de wetenschap, daar zij den mensch van God verwijdert, scheidt van de bron van licht en leven, én daai'door de oorzaak is van duisternis en dood, terwijl omgekeerd de wedergeboorte, geboorte uit God, is vereeniging met God en in zooverre verlossing van zonde en vernieuwing van leven en wetenschap.

Ik weet wel, M. H., dat onder hen die zich tegenwoordig de mannen der wetenschap noemen, deze verklaring van het onbekende niet geldt, dat men haar voor eene theologische bespiegeling aanziet, die voor de wetenschap geene waarde heeft, maar dat is voor ons niets vreemds: »de Logos was in de wereld en de wereld is door Hem gemaakt en de wereld heeft Hem niet gekend, "

Maar juist omdat wij deze tegenstelling, die den wortel van leven en weten raakt, kennen, is de Vrije Universiteit op den grondslag der Gereformeerde beginselen opgericht. En wilt Gij, M. H., met eere hare discipelen zijn, houdt dan steeds bij al uwe studiën voor oogen, wddr de bron ligt van alle leven en wetenschap en ga tot die bron, om daaruit het levende water te putten. Het gaat niet om een voldoen aan een eisch des gemoeds, 't is ons niet te doen om vroomheid plus wetenschap; wij willen leven en wetenschap uit ééne bron, en die ééne bron de Christus Gods, in wien alle schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.

Of wij dan niet erkennen dat er wetenschap is bij onze tegenstanders ? Zeker, M. H., erkennen wij dat; in velerlei opzicht is er bij hen natuurlijk meer kennis, meer wetenschap dan bij ons. Maar laat ons duidelijk zijn; dit is de vraag, of die wetenschap voor hun eigen bewustzijn een organisch Verband heeft en wortelt in het leven en het leven in God, den levenden, persoonlijken, den eenigen, waarachtigen God. De wetenschap eischt kennis der bronnen, maar ook haar eigen bron moet gekend worden, zal men haar werkelijk bezitten, en die bron wordt alleen gekend door het geloof. Uit God door het Woord is alle creatuur. Waar nu het leven uit Hem is en als zoodanig gekend wordt, daar is een verlangen, een zucht om alle ding, elke verhouding te kennen zooals die uit God zijn en daarnaar te beoordeelen het feitelijk bestaan onder de heerschappij der zonde en des doods. Dat kan niet anders. Daarom bestrijden wij elke dualistische opvatting van godsdienst en weteiischap. Is God de levende, persoonlijke God, niet slechts een denkbeeld van oazen geest, dan betaamt het immers Hem te dienen, zijne gedachten na te speuren, naar Zijnen wil te vragen bij al ons denken en doen.

De tijd is nog niet zoover achter ons, dat die eisch, naar men zou meenen, onder de mannen der wetenschap vrij algemeen erkend werd. Onder allerlei dwaling werd toch nog beleden dat uit God alle leven, alle weten, alle schoonheid nederdaalt, 't Zou niet moeilijk zijn uit de werken van tal van wetenschappelijke mannen, uit het begin en het midden dezer eeuw, plaatsen bij te brengen, die dit schijnen aan te toonen. Ik wil hier slechts een paar woorden aanhalen uit de Encyclopaedic van den grooten philoloog August Boeckh: »Die Philosopie hat immer die übereinstimmende Vernunft in der Natur und im Geist auf ein gemeinsames Princip zerückzuführen gesucht, und die Idee der Gottheit ist das höchste Problem aller Philosophic geblieben... Die göttliche Weisheit ist die absolute Erkenntniss der Wahrheit. Die Vernunft des Menschen selbst ist göttlicher Natur."

Winckelmann, de vader van de archaelogie der Kunst, verklaart: »Die höchste Schönheit ist in Gott".

Thans, helaas! schijnt men in de wetenschappelijke wereld een zonderling te zijn, ja meer dan dat, een oneerlijke of een misleide, wanneer men de wetenschap nog in verband brengt met God en zijn dienst.

En toch, M, H., is de tegenwoordige denkwijze een noodzakelijk gevolg van de periode die voorafging.

Bij Boeckh stond, zooals hij zelf verklaart, de philosophic boven het Christendom, en Winckelmann was, naar Goethe zegt, een heiden, vol antipathie tegen de Christelijke belijdenis. Hun god was de god van het rationalistisch ongeloof, de groote onbekende, en zóó is het nog.

Het menschelijk subject staat in het centrum der wetenschap, naar zijn maatstaf wordt alles gemeten. De mensch kent niet anders dan verschijnselen, afhankelijk van zijn subjectief zijn; de taal is eene vinding van den mensch, of een product van natuurlijke ontwikkeling, het recht is een norm door hem gesteld, de natuur is de reflex van het onbekende op den spiegel der menschelijke ziel, het levep eene som van verschijnselen. Met het geloof in den levenden, persoonlijken God is ook het geloof in het leven, in de natuur, in recht en zedelijkheid ondergegaan. En zoo moest het komen, eene innerlijke noodzakelijkheid leidde daartoe, daar de bron van het levende water verlaten werd en roe™ zichzslven bakken maakte, gebrokene bakken, die geen water houden.

Een. objectieven grond verlangd het leven; waar die ontbreekt is ook de wetenschap slechts phantasie; haar voorwerp kan alleen zijn wat blijft te midden der vr randering, hare methode kan alleen gegrond zijn op eene verwantschap van den logos in de natuur en den menschelijken logos, beide op elkander aangelegd.

Die objectieve grond nu, waar zal hij gevonden worden ? De wijsbegeerte der volken heeft in stelsel na stelsel getracht hem te vinden waar hij niet is. Geen stof en geen ruimte bevatten hem. De afgrond zegt: hij is bij mij niet, en de zee zegt: hij is niet bij mij. Geen schittering van goud en edele steenen, geen macht of eer heeft ooit den geest voldaan, die den laatsten grond der dingen zocht.

Alleen de wijsheid Gods, van den levenden, persoonlijken God, gaf aan alle ding zijn wezen, stelde ze in orde, gewicht en maat, bepaalde hunne eigenschappen en de wijze hunner werking; zijne goddelijke gedachten alleen zijn de immanente principiën, de kengrond zoowel als de wezensgrond der dingen, der bezielde en der onbezielde. (Job. 28 : 12—28).

Alleen waar die objectieve grond is teruggevonden, komt ook de subjectieve grond tot zijn recht. Want in de dwaling van het subjectivisme is dit de sprank van waarheid, die ons leven een menschelijk leven, onze wetenschap eene menschelijke wetenschap is, afgeleid, betrekkelijk, onvolledig. Maar de thesis van het menschelijk bewustzijn en de anti-thesis van het objectieve zijn, vinden hunne synthesis in de Goddelijke wijsheid, die beide in correlatie heeft gedacht en geschapen, en in den mensch het licht van rede en verstand doen schijnen, waardoor hij licht in de schepping ziet.

Dit verband tusschen leven en wetenschap geeft tevens voor beide het doel aan. Het doel van alle kennen en weten is God zelf, zooals Hij zich in zijnen Zoon, Christus Jezus, den Logos die van den beginne bij God was, heeft geopenbaard door de schepping en de herschepping en eens zal openbaren in onbedekte heerlijkheid. Naarmate die kennis meer bereikt wordt, is het leven krachtiger en rijker, en waar zij eenmaal zal wezen een aanschouwen van aangezicht tot aangezicht, daar zal het leven eeuwig zijn. Meer mogen we niet afschrijven. Maar in dit ééne citaat schuilt de quiutessens én thetisch, éa antithetisch.

En nu versta men ons wel.

Zoolang er aan de Vrije Universiteit ook nog maar één hoogleeraar was, die aldus én 't veld der wetenschap overzag, én op dat veld der wetenschap een pad wees, van het pad dat door anderen betreden wordt geheel verschillend, zou nochtans als wetenschappelijke inrichting de Vrije Universiteit volle reden van bestaan hebben en zich een toekomst verzekerd zien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Vrij Universiteit.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken