Bekijk het origineel

„Ik Zal hem de morgenster geven.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ik Zal hem de morgenster geven.”

10 minuten leestijd

En Ik zal hem de morgenster geven. Openb. 2 : 28.

In den zevenvoudigen last die van Christuswege in het boek der Openbaringen aan de zeven kerken van Klein-Azië uitgaat, is de Christus de hemelsche Veldheer, die zijn heirscharen ten strijde aanmoedigt en aanvuurt, en hiertoe ten slotte telkens hooger, heerlijker prijs voorspiegelt aan hem die overwint.

Eerst heet het, dat hij die overwint zal eten van den Boom des levens die in het midden van het Paradijs Gods is.

Dan, dat hij die overwint, van den tweeden Dood niet zal beschadigd worden.

In de derde plaats, dat hij die overwint, zal eten van het Manna, dat verborgan is, en den witten Keursteen ontvangen zal, met den God en hem zelven alleen bekenden naam.

Al verder, dat hij die overwint, ontvangen zal de Morgenster.

Voorts, dat hij die overwint, bekleed zal worden met witte Kleederm.

Ten zesde, dat hij die overwint, gesteld zal worden tot een pilaar in den Tempel Gods., met Gods heiligen naam op de borst ofop het voorhoofd geschreven.

En ten leste, dat hij die overwint, met Koning Jezus zitten zal op zijnen Troon.

Zoo is het één lichtstraal van hemelsche glorie, die den overwinnaar hestralen zal, maar die ééne lichtstraal breekt en spreidt zich in zeven overwinningsgedachten.

De schuldige mensch wordt uit het Paradijs door den Cherub geweerd, opdat hij den Boom des levens niet zou aanraken. Voor hem

daarentegen die overwint, wijkt de Cherub terug en laat hem door, opdat hij van den Boom des levens ete, en leve in eeuwigheid.

De Dood is de laatste vijand, die ons eerst ziel en lichaam uiteenscheurt bij ons sterven, en, na de opstanding der dooden, ons weg wil sleuren in den tweeden, eeuwigen dood, waar geen verrijzenis uit is. Maar tegenover den overwinnaar is ook die laatste vijand machteloos. Zelfs schaden kan hij hem niet meer.

Zijns is ïde spijze der machtigen, " het manna dat verborgen is, en de keursteen met mystieken naam.

Zijn kleed zal het witte kleed van den triumfeerenden ver winnaar zijn.

En tegelijk zal hij als priester in het huis zijns Gods staan, en als koning zitten met ChriS' tus op den troon zijner glorie.

Maar boven en benevens dat alles zal hij ook nog een zevende iets ontvangen.

Hem die overwint, zegt de Christus, zal ik ook geven de Morgenster,

Da Morgenster is één met de Avondster, en trok daarom, vooral onder den Oosterschen hemel, van vroeg af aller opmerkzaamheid, omdat het deze planeet is, die de aarde het naast kan komen, en ons beschijnt met den klaarsten weelderigsten sterreglans.

Schooner dan deze Morgenster is er geen star voor ons bloote oog aan het firmament te ontdekken. Soms staat ze ver (258 millioen kUometer), maar ze kan ons zevenmaal nader komen, dat de 258 millioen tot 38 millioen inkrimpt. En wie haar zóó ooit op het dichtst^ bij gansch wolkeloozen hemel en windstillen nacht, van den top der bergen aanschouwen mocht, die kon zich niet onttrekken aan den schier betooverenden, zacht dwependen gloed, die in haar fonkelenden glans het oog overstelpt. Voor dien wordt de Morgenster het hemelsche symbool voor wat het machtigst zijn ziel verovert, voor zijn hemelsch Ideaal.

Daarom is die naam van Morgenster in onze zondige wereld beurtelings aan de Vrouw en aan Satan gegeven, want die Morgenster heet Venus en heet Liicifer beide; meê ter aanduiding dat Venusdienst, helder doorzien, niet anders is dan Satansdienst, maar in zijn vrouwelijken, meest verleidelijken vorm.

Wie van God afvalt, in God niet langer het hoogste goed, het rijkste schoon, het zuiverst licht in volle klaarheid aanbidt, die moet, bewust of onbewust, zijn hoogste goed in eenander iets zoeken. En dan is er geen keus. Dan boeit óf het hooge licht der kennis in den Verleider, óf wel het schoon der zinnen in het creatuur dat God onder alle schepselen het rijkst met zinnenschoon overdroop.

God gaf aan Satan den rijksten geest^ aan de vrouw het weelderigst oogenschoon. En daarom, wie van den Schepper op het schepsel zinkt, kan de Morgenster aan den hemel zijns levens niet langer in God, maar moet die óf in Satan óf in Venus zoeken. Maar altoos blijft de Morgenster symbool van wat »het hoogste goed" is voor de waardeering van ons menschelijk hart.

Aldus komt dan ook de Morgenster in de Heilige Schrift voor.

Niet in Job 38:7, als het heet, dat »de morgensterren vrooiijk zongen en de kinderen Gods Juichten'', want er is maar één Morgenster, en het meervoud hier gebezigd beduidt: terren in den eersten morgenstond, sterren die pas geschapen waren.

Maar wel in Jesaja 14:12, waar Nebucadnesarzelfde morgenster heet, omdat iu hem de Satanische macht als belichaamd was opgetreden, en in den val van dezen morgenster de macht van Satan zelf geknakt werd.

Evenzoo in 2 Petrus i:19, waar staat dat de morgenster in het hart van Gods kind opgaat, want feitelijk ligt juist daarin het kenmerk van alle waarachtige wedergeboorte, dat God weer uw hoogste goed is geworden, en al het begeeren onzer ziel naar dien God, de Bron van licht en leven, uitgaat.

En ook niet anders is het in Openb. 22 : 17, waar Christus zelf ons toeroept: Ik ben de blinkende Morgenster." D. w. z. valsch is het ideaal, het hoogste goed, dat de op macht beluste wereld in Satan, en de aan zingenot verslaafde wereld in Venus zoekt.

Het heilig ideaal, het hoogste goed is God en God alleen, en in mij woont »de volheid Gods" lichamelijk.

Daarom is Christus »de bliiikende Morgenster".

Staat er nu in gelijken zin, in datzelfde boek der Openbaringen, en eveneens in een woord van den Christus zelf: J> lk zal hem die overwint, de Morgenster geven", wat kan dit dan anders beduiden, dan dat hem die overwint, eens het heiligst ideaal van alle leven zal toekomen, en dat zulkeen God niet alleen hegeeren^ maar ook bezitten zal als zijn hoogste goed.

Vervulling van de profetie: > Ik zal mij verzadigen in uw beeld als ik zal opwaken."

Eerst door die toezegging ontvangt dan ook het diepste zielsbegeeren van Gods kind haar zekerheid van vervulling.

o, Gewisselijk, te eten van den Boom des levens, vrij van den Dood te zijn, het manna dat verborgen is als spijze te ontvangen, bekleed te worden met het witte kleed van den Overwinnaar, den keursteen ten zegel te bezitten, en met priesterlijke en koninklijke eer gekroond te worden, is hooge genieting en overstelpende heerlijkheid.

Maar toch met dat alles zou de diepste begeerte der ziel van Gods heiligen nog onvervuld blijven.

Hun ideaal, hun dorst naar het Hoogste goed gaat nóg hooger. Voor hen hield èa Lucifer èn Venus op de morgenster te zijn. Morgenster aan den hemel huns levens is God zelf in Christus geiüorden. En daarom, dan eerst zal hun zaligheid volkomen en hun zielsgenieting op het hoogst geklommen zijn, als ze het wezenlijk ideaal van hun hart mogen grijpen, en bezitten mogen wat ze steeds begeerd hebben te bezitten; hun Hoogste goed is het Eeuwige; Wezen. De rijkste glans die nu reeds van verre hun aanzijn bestraalt, de morgenster aan den hemel van hun ziel, is God.

De tegenstelling, hiermee reeds hier door ons aardsche leven getrokken, is snijdend en scherp.

Drieërlei woelt onder menschen, en woelt, in wat verhouding dan ook, vroeg of laat op den bodem van elk menschelijk hart.

Er is een begeeren in uw hart. Er is in uw hart een dorst. En nu kan dat begeeren en kan die dorst uitgaan naar macht en kennis., ze kan zijn lust naar zingenot, maar ze kan ook zijn en ze moet wezen, een dorsten naar den levenden God, gelijk het gejaagde hert dorst naar de waterstroomen.

Zoo ziet ge dan ook feitelijk de kinderea der menschen door drieërlei aandrift voortgedreven. De één wil een kleine Lucifer in macht en kennis worden. Een tweede maakt alies dienstbaar aan de vraag of het hem levensgenot belooft. En een derde groep, klein maar ernstig, ziet af van macht, en brengt het zingenot willig ten offer, maar zoekt God, den levenden God.

Macht, Zingenot en Religie, zijn het, die als de drie machtige drijfveeren het menschelijk leven in beweging zetten.

Alleen maar — en dit vervalscht telkens de verhoudingen — die scheiding ligt niet alleen tusschen het hart van den één en het hart van den ander, maar gaat ook door eenzelfde menschelijk hart, en vandaar de droeve ondervinding, dat er gedurig zijn, die wel naar God dorsten, maar half, en voor de andere helft toch weer naar macht en zingenot.

Het weifelt en wisselt nog telkens in ons binnenste. De ééne maal is onze morgenster Lucifer, dan Venus, nu als symbool van allerlei zingenot genomen, en slechts voor een deel nog heeft onze ziel haar morgenster zien flonkeren in het hooge, heilige ideaal van het Beeld des levenden Gods.

Op dit punt nu moet de inwerking des Heiligen Geestes met zuchten en smeeken door ons worden ingeroepen.

Want te zeggen dat God het Hoogste goed is, is wel iets. Het samen te gevoelen in een heilige gebedsure brengt wel verder. Maar opgegaan is de Morgenster in uw hart toch dan eerst, als de Heilige Geest in uw ziele opging, en Zijn inwerking uw begeeren op God richt, die begeerte naar God gedurig in u prikkelt, en u met Jesaia doet uitroepen: »Met ntijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest die in mij is, U vroeg zoeken."

Zelfmisleiding is hierbij onmogelijk.

Ge voelt, ge merkt het terstond, of God er in uw leven zoo bijkomt, of wel dat geheel uw innerlijk leven naar God vloeit en uitstroomt, gelijk de wateren der rivier rusteloos afvloeien naar den Oceaan, waarnaar ze zich toebeweegt.

Nu en dan uw hart op God te richten, aan Hem te denken, en Hem te dienen met uw offerande, is niet genoeg, de vraag is, of, ook als ge niets opzettelijks doet, de wateren uwer ziel, de begeerten uws harten toch vanzelf, en met onweerstaanbaren drang, zich naar God toebewegen en uitvloeien naar den Oceaan zijner eeuwige liefde.

Wie ooit de Morgenster op haar schoonst uit de donkerheid van den nacht zag opfionkeren, diens oog trok er vanzelf heen, en die kon er zijn oog niet afhouden.

En zoo ook is God zelf in den Zoon zijner iefde dan eerst de blinkende Morgenster voor u eworden, als het oog uwer ziel, te midden van e donkerheid des levens, vanzelj lazsx het Eeuwige ezen opziet, en noch dorst naar macht noch orst naar zingenot uw zielsoog meer van die linkende Morgenster kan aftrekken.

En nu is het wel het pijnlijkst voor wie teeder eeft, dat hij telkens zijn ziel betrapt op afdoling, n gedurig weer tot zijn ziel moet zeggen: Zie p naar uw wezenlijke, uw eenig-heilige Morenster.

Maar wie hierover smarte draagt, die smeekt, die ucht, die bidt dan ook, om de magnetische rekkingen des Heiligen Geestes sterker in zich e mogen ervaren, en die ervaart het, dat hij erder komt, zijn God meer nabij.

En is het dan al, dat hij hier op aarde die enige Morgenster nog slechts uit de verte anschouwen mocht, nu eens dichtbij, dan weer erder af, al naar de stand zijner ziel is, — eens, it zegt hem de belofte zijns Heilands, als hij al overwonnen hebben, zal die afstand voor euwig worden te niet gedaan.

Dan zal hij de Morgenster niet meer uit de erte begluren, maar die Morgenster van zijn eiland erlangen, d. w. z. eeuwiglijk zalig zijn in e aanschouwing, aangezicht tot aangezicht, van en levenden God.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Ik Zal hem de morgenster geven.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken