Bekijk het origineel

Dan de gemeene sratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene sratie.

17 minuten leestijd

DERDE REEKS.

Sion zal door recht verlost worden, en hare wederkeerenden door gerechtigheid. Jesaia i : 27.

XXII.

De »gemeene gratie" io Pontius Pilatus eischt nadere toelichting. Zijn naam is hier, gelijk de Heidelberger doet uitkomen, bijzaak, zijn beteekenis ligt daarin, dat hij optreedt als »wereldlijk rechter". Er zijn ook - igeestelijke rechters", en het was ia dit karakter dat het Sanhedrin optrad. Het oordeel, het vonnis echter van dezen »geestelijken rechter" was onverschillig, en de poorte der gerechtigheid is ontsloten, niet doordien zich Jezus door den geestelijken, maar alleen daardoor dat hij zich door den ^wereldlijken rechter" heeft laten verdoemen. En hier komt nu bij, dat, moest hij vallen voor een wereldlijke rechtbank, er alsdan ter wereld nergens een rechtsbedeeling te vinden was, die op meer serieuse wijze wezenlijk recht bedoelde te handhaven, dan de rechtspraak, gelijk ze zich ontwikkeld had bij de Romeinen. In verband hiermede nu willen we tweeërlei toelichten: i". dat alle geordende rechtsbedeeling op aarde een gemeene gratie Gods is; en 2°. dat de ontwikkeling van het recht bij de Romeinen deze gemeene gratie in haar rijkste ontwikkeling bood.

Ons menschelijk leven, gelijk God het verordineerde en schiep, kenmerkt zich hierdoor, dat het twee zijden heeft, de ééne lichamelijk, de andere ziellijk; en dat tusschen deze twee de orde is ingesteld, dat de ziel het lichaam beheersche, en het lichaam de ziel diene. Het stoffelijke moet niet dus orgaan en instrument zijn, het geestelijke moet leiden en heerschen en alle ding bestelfen. Hieruit nu vloeit voort, dat er tweeërlei krachten in het menschelijk leven zijn, eenerzijds die krachten die haar teeken vinden in den sterken arm, en anderzijds de krachten van beleid en wil. Zoo moet er dus naar deze Scheppingsordinantie in de wereld der menschenkinderen heerschen een onzichtbare orde, die op onzichtbare, onzienlijke wijze gehandhaafd wordt. Dit juist is het onderscheid tusschen onzen stand met dien der dierenwereld, en sterker nog met het plantenrijk en de anorganische natuur. Ook in de dierenwereld toch moge telkens een onzichtbare macht uitkomen, die de klokhen eigen leven wagen doet om haar kiekens te redden, den vogel dagen lang op zijn eieren doet broeden, met een trouw die vaak beschaamt, enz., maar dit alles is instinct, d. w. z. het is een werking Gods in het dier, die door het dier slechts doorgaat en er in werkt. Maar overigens berust alle orde in de samenleving der dieren op macht en zinnenlust. Het dier rooft, moordt, verscheurt, en alleen de vrees van zelf verscheurd te worden houdt het dier in, terwijl de zachtere aard van de huisdieren uitvloeisel is van menschelijke leiding. Evenzoo verdringt in het plantenrijk de ééne plant de andere, zuigt een groote boom het voedsel weg voor kleinere planten, sluipt de woekerplant op den stam om er de kracht uit te rooven, en dringt de doorn de weekere plant dood. En nóg beslister en volstrekter dringt in de anorganische natuur de sterkere kracht de zwakkere op zijde. Optelsom en aftreksom van krachten bepalen de orde, die aanwezig zal zijn. Alleen bij den mcnsch daarentegen vindt ge een onzichtbare kracht werkzaam, die uit de natuur zelve van den mensch opkomt, en een orde in het leven schept, die resultaat is van geestelijke factoren.

Dat was dan ook in het paradijs het geding. Zou Eva den onzichtbaren, geestelijken factor laten heerschen, die haar aan God en zijn ordinantie bond, of wel zou ze het overwicht geven aan dea zinlijken factor van den lust der oogen en der overige zinnen f Haar val en Adams val was een omkeeren van de gestelde orde. De geestelijke factor boog en week, en de zinlijke factor zegevierde. De ziel gaf de teugels over, en de heerschappij ging op het stoffelijke over. Niet natuurlijk, alsof hiermee de aard en de beteekenis van den val is uitgeput. Er was ook het Satanische, en ook het zwichten van de hoogere geestelijke factoren voor de lagere geestelijke factoren. Maar voor het punt, dat ons thans bezig houdt, is het genoeg, gewezen te hebben op de omgekeerde orde, waarin ten gevolge van den val de zichtbare en de onzichtbaren factoren in 's menschen natuur tegenover elkander kwamen te staan.

Toen nu het menschelijk leven zich in veelheid van personen begon te ontwikke­ len, moest dit ten gevolge hebben, dat de menschelijke orde teloorging, en de dierlijke orde in het menschelijk leven indrong; wat zeggen wil dat moest gaan heerschen het recht vc(^ den sterkste. In Kaïn ziet ge dit dan ook. Abel hindert hem, en hij ruimt met één slag Abel uit den weg. Ware dit booze proces nu ongestoord en onbeteugeld doorgegaan, zoo zou er onder menschen van geen hoogere samenleving sprake zijn geweest. De onzichtbare, geestelijke orde zou steeds meer verdwenen zijn, om daarvoor in de plaats te doen treden een puur physieke orde. Zinnenlust en sluwheid, den sterkeren arm als instrument bezigend, zou alle verhouding onder menschen bepaald hebben. Een ieder zou op zijn zwaard hebben geleefd, en de menschelijke saamleving zou na korten tijd als twee droppelen waters aan een saamleving van dieren in het woud gelijk] zijn geworden. Iets wat we te vaster mogen uitspreken, omdat er metterdaad van oudsher in sommige oorden een soort menschelijke saamleving bestaan heeft, en nog bestaat, die hier wonderwel op leek. Als de Schrift zegt, dat eens het recht zal wonen in de woestijn, onderstelt dit dat juist in ; _de; woestijn het leven gemeenlijk rechteloos is, en alleen op het zwaard van den sterkere berust. En nu nog vindt men in Afrika geheele streken, waar stam gedurig tegen stam optrekt, om elkaar met wapengeweld ten onder te brengen, en na behaalde overwinning de weerbare mannen doodt, alle have rooft, de vrouwen schendt, en de kinderen voor zich neemt. Vraagt men of dan bij zulke nomaden in de woestijn, en bij zulke negervolken in Afrika, alle gemeene gratie ter zake van het recht ontbreekt, dan moet geantwoord, dat deze gemeene gratie er wel ontbreekt tusschen stam en stam, maarniet onder de stamgenooten onderling. In eigen boezem hebben ze, hoe gebrekkig ook, wel terdege rechtsbedeeling, maar wat ze niet kennen is, een op rechtsbeginselen gegronde verhouding tusschen hun eigen stam en de stammen die hen omringen.

Dat nu nochtans, niettegenstaande 's menschen zondige natuur hen prikkelt, om de •menschelijke orde prijs te geven, en in een dierlijke orde lust te hebben, toch zekere menschelijke orde tusschen de menschen in het gemeen in stand bleef, en zich zelfs in toenemende mate ontwikkeld heeft, is Godes gemeene gratie. Niet de mensch heeft zich zelven van de vernieling gered, maar die hem, ook voor het wereldsche leven, tegen hem zelven beschermd heeft, is God de Heere. Deze reddende daad der gemeene gratie Gods loopt ten deze nu langs twee wegen; de eene in den mensch en de andere onder menschen; de eene inwendig, de andere uitwendig. Die inwendige weg in den mensch bestond hierin, dat God hem in zijn wilden hartstocht intoomde, behoefte aan vrede en rust in hem prikkelde, en zachter gezindheden in zijn hart deed opkooien. Én de uitwendige weg < ? «d> /-menschen was, dat God den mensch dwong het wilde, nomadische leven te laten varen, op vaste plaatsen te gaan wonen, en in akkerbouw, bedrijf en handel een levensbestaan te vinden. Dit stillere leven toch, dat aan vaste woonplaatsen gebonden is, brengt vanzelf de behoefte met zich, om zich door een ordelijke macht in het bezit van zijn huis en erf beschermd te zien. Wie zaait, moet zekerheid bezitten, dat hij zelf zal kunnen maaien, en dat niet een ander zijn oogst rooven komt. En toen nu op die wijs inwendig en uitwendig de geest des menschen op het aannemen van een regelende orde in de samenleving was voorbereid, heeft God de Overheid ingesteld, en in die Overheid het hooge, zedelijke karakter van de menschelijke orde der samenleving belichaamd en bezegeld.

Immers het was niet maar de vraag, of men niet over en weder, elkander het rustig bezit van leven en eigendom 'waarborgen kon, maar heel anders, of al dan niet het besef zou opwaken, dat het niet van ons afhing, hoe we samenleven wilden, maar dat we allen saam hadden te buigen onder een orde die God voor ons menschelijk leven had ingesteld. De overtuiging moest gewekt, dat het recht geen product van onze wilkeur, maar een inzetting Gods was, waaraan we ons hadden te onderwerpen. En juist daaruit moest de hooge gedachte opkomen, dat de overtreder te keer moest gegaan, niet omdat hij ons benadeelde, maar overmits hij zich aan de van God gestelde rechtsorde vergrepen had. Eerst op die wijs kon de heerschappij van de physieke kracht en menschelijke gemeenheid vernietigd, of althans getemperd worden, en de heerschappij van een onzichtbare, geestelijke rechtsorde onder menschen worden hersteld. En dit nu gaf God ons in de Overheid, die Hij bestelde, die zijn dienaresse was, en aldus op het recht onder menschen een heiligen stempel drukte. Het recht zou zijn niet een peuterend schikken en plooien tusschen duiven en haviken, hoe ze goedschiks kwaadschiks het saam zouden uithouden, maar het tot heerschappij komen onder menschen van de orde der samenleving die God voor hen besteld had. Tevens moest daarom de Overheid voorzien zijn van een macht sterker dan de macht van den sterkste onder hare onderdanen. De Overheid moest desvereischt den sterksten arm breken kunnen, om het recht door te zetten en te wreken, en den zwakste legen den sterkste te beschermen. In alle geweldpleging dook weer de dierlijke rechtsorde op, en deswege moest de Overheid met zulk een volstrekte overmacht bekleed zijn, dat zij in den regel reeds door den indruk van haar majesteit den sterke, die kwaad wilde, in bedwang hield, en juist daardoor den zwakste alle vrees ontnam.

Nu heeft deze instelling, door de gemeene gratie, van de rechtsbestelling en de rechtshandhaving door de Overheid ongetwijfeld noch terstond, noch ook overal, noch duurzaam een idealen toestand in het leven geroepen. De gemeene gratie tempert de uitwerking der zonde, maar vernietigt haar niet, en daar de Overheid in menschelijke personen optrad, die ook zelven zondaren, en vaak diep zondig waren, is deze Overheidsmacht vaak genoeg misbruikt, om recht in onrecht te verkeeren. Uiterst gebrekkig was vaak de bestelling van het recht, geheel onvoldoende de rechtspraak, vaak zelfs meer het recht bespottend dan het recht eerend, de wijze waarop de overtreding onderzocht, of ook straks gestraft werd. De voorbeelden dat de onschuldige en benadeelde ongelijk leed, en dat de booswicht en geweldenaar juist door de rechtspraak triomfeerde, liggen voor het grijpen. Dit alles echter ligt niet aan de gemeene gratie, maar aan de zondige natuur, die ze beteugelen kwam. En ook waar de rechtsbedeeling op den laagsten trap staat, en tot de stuitendste verongelijking leidt, is nochtans het feit, dat er een rechtsmacht optreedt, en dat er van een geldend recht sprake is, op zichzelf een zoo hooge aanwinste, dat reeds hierdoor een volk of stam hoog uitsteekt boven elke rechtlooze samenleving van willekeur en geweld. Veilig mag dan ook gezegd, dat onder de verschillende goedertierenheden Gods, die ons in den weg der gemeene gratie zijn toegekomen, het juist de instelling der Overheid is, die vooraan staat, niet omdat deze Overheid ook enkele gemeenschappelijke belangen regelt, maar omdat ze in de eerste plaats recht stelt, recht handhaaft, en een macht gereed houdt, om al wie zich tegen haar rechtsorde verzet, neer te werpen. Zelfs het voeren van den oorlog, en het bestellen der daarvoor noodige macht, valt principieel onder datzelfde gezichtspunt. Omdat naburige stammen of volken het recht van het volk, waarover de Vorst regeert pogen te schenden, moet hij de macht bezitten, om hen te weerstaan, en des noodig het recht van zijn volk af te dwingen. En al is nu juist dit recht van oorlog het schandelijkst misbruikt, om onrecht in stede van recht te doen triomfeeren, dit neemt toch niet weg, dat in beginsel ook het oorlog voeren eerst in de handhaving van de rechten des volks zijn rechtvaardiging vindt. Overheid en Recht zijn dan ook twee elkaar zoozeer dekkende begrippen, dat, gelijk vroeger in den brecde is aangetoond, het gebod in Genesis 9 ; 6, over het straffen met den dood van wie 'smenschen bloed vergiet, en dat alzoo uitsluitend op de rechterlijke functie doelt, de eigenlijke Godspraak is, die het optreden van de Overheid, als dienaresse Gods, sanctioneert.

Uit het voorafgaande blijkt derhalve, dat de terdoodveroordeeÜGg van onzen Heiland, in ordelijke rechtspraak, waaraan onze zaligheid hangt, alleen mogelijk is geweest, doordien de gemeene gratie Gods het ruw geweld in onze zondige menschelijke samenleving had teruggedrongen, en het optreden van een »wereldlijken rechter" mogelijk had gemaakt. Maar hier komt nu in de tweede plaats bij, dat het volstrekt niet hetzelfde was, onder het vonnis van welken rechter de Christus bezweek. Gelijk we reeds opmerkten, is er wereldlijke rechtspraak zoogoed als bij alle volken; maar tusschen rechtspraak en rechtspraak is verschil. Bij de Kaffers staat deze rechtspraak op veel lageren trap dan bij de Chineezen, en toch staat zelfs de beste Aziatische rechtspraak nog verre, beneden de rechtsbedeeling bij de hooger ontwikkelde volken. Zoo nu was het ook oudtijds, en zonder vrees voor tegenspraak mag staande gehouden, dat onder geen volk in die dagen, de bedeeling van het recht hooger stond dan onder de Romeinen. Iets wat gezegd dient, ook al sluit men er Israël bij in, zonder dat ons bestek toelaat thans op dit laatste punt nader in te gaan. De Egyptenaren stonden zeer zeker niet op lager trap van ontwikkeling, en de Grieken zijn ongetwijfeld in tal van opzichten, de leermeesters ook der Romeinen geweest. Maar komt men op het recht, en de ontwikkeling van het recht, dan steekt toch de eigenaardige zin van het Romeinsche volk voor een welgeordende, scherp uitgewerkte, en deugdelijke waarborgen biedende rechtsbedeeling, zóó hoog boven de rechtspraak van alle toenmalige volken uit, dat duidelijk blijkt, hoe God aan dit volk, onder meer, de uiterst gewichtige roeping had opgelegd, om de beteekenis van het recht voor de menschelijke samenleving helder te doen uitkomen, en voor de bedeeling van dit recht in zuiveren, strengen rechtsvorm een juiste belichaming te vinden. In dat opzicht zijn de Romeinen niet alleen de leermeesters van hun tijdgenooten, maar de leermeesters der wereld geweest, en ook al wordt thans het Romeinsche recht zakelijk al meer verlaten, toch blijven de denkbeelden over rechtsbedeeling die bij hen tot rijpheid kwamen, nog steads de opvatting van het recht beheerschen. Werd dan ook, buiten de historie om, de vraag gesteld, voor welke rechtbank Jezus terecht moest gesteld worden, om den rechtstrijd tusschen hem en de wereld tot de zuiverste beslissing te brengen, dan zou terstond door elk zaakkundige geantwoord zijn geworden: Voor een Romeinschen rechter. Dat is het dan ook wat onze Twaalf Geloofsartikelen uitdrukken als ze Pontius Pilatus met name noemen. Dat hij «gekruisigd is end er Pontius Pilatus" beteekent, dat de rechtstrijd dien het hier gold, tot de zuiverst mogelijke beslissing is gebracht, doordien Jezus terecht heeft gestaan voor een Romeinschen rechter.

Zal men nu zeggen, dat deze hooge ontwikkeling van het recht bij de Romeinen toeval was ? Natuurlijk niet. Ook hierin openbaarde zich Gods bestel, en het was zijn gemeene gratie aan ons gevallen geslacht, niet alleen dat er recht voor geweld kon bestaan, maar ook dat bij dit bepaalde volk de ontwikkeling van het recht het meest volkomen was. En is dit nu zoo, dan blijkt hieruit, hoe God de Pleere, door Palestina destijds in de handen der Romeinen te brengen, en daardoor de bedeeling van het Romeinsche recht in Jezus' dagen ook te Jeruzalem te doen gelden, alle ding aldus beschikt heeft, dat ook op dit punt de gemeene gratie Jezus' Middelaarschap dienen moest.

Slechts dient hier, ter voorkoming van misverstand nog iets aan toegevoegd. Ongetwijfeld stond de ontwikkeling van het recht bij de Romeinen, wat den vorm aangaat, hoog, maar hieruit volgt nog volstrekt niet, dat daarom ook de zedelijke orde zelve, die door dat recht in de menschelijke samenleving werd gehandhaafd, de ware, de waarachtige, de van God gewilde was. Integendeel alle door dit recht bezwangerde zedelijke wereldorde en maatschappelijke saambinding, was in den wortel onheilig en onwaar. En uit den levenskring, waarin dit recht heerschte, kon, tengevolge van de valsche uitgangspunten, die het zich koos, ten slotte nooit anders voortkomen, dan die valsche zedelijke wereldorde, die in het keizerschap van keizer Augustus, den als god aangebeden machthebber, belichaamd was. Tegen die valsche zedelijke wereldorde plaatste daarom Jezus de zedelijke wereldorde van het Koninkrijk Gods over, d. w. z. tegenover een rechtsorde die van de souvereiniteit van het individu uitging, en daarom ten slotte én met het sociale element in ons leven, én met de souvereiniteit Gods in botsing moest komen, die eenig ware rechtsorde van het Koninkrijk Gods, die in de hoofdsom der geboden, d. i. in het liefhebben van God bovenal, en van den naaste als onszelven, haar plechtanker vindt. Tegenover valschheid plaatste Jezus waarheid, d. w. z. tegenover een valsche opvatting van het leven, die in strijd was met de door God herstelde orde, plaatste Jezus de ware belijdenis van een zedelijke wereldorde, die met Gods ordinantiën overeenstemde, en in zijn Koninkrijk verwerkelijkt zou worden. Vandaar dat hij tot Pilatus sprak: «Hiertoe ben ik in de wereld gekomen, opdat ik der waarheid getuigenis zou geven". Woorden die natuurlijk geen zin hebben, als men ze opvat, als had Jezus bedoeld te zeggen, dat hij in de wereld was gekomen om de zondaarsliefde Gods te openbaren, of gelijk Pilatus het opvatte, om een wijsgeerig vraagstuk op te lossen. Hij sprak van het Koninkrijk. Om Koning te zijn was hij in de wereld gekomen; de waarheid, waarvan hij sprak, sloeg hier dus op de rijksorde van het Koninkrijk Gods, en deze stelde hij als waarheid tegenover de diepe leugen van die pseudo-zedelijke wereldorde, die het Romeinsche recht had gevestigd en die in keizer Augustus tot voltooide ontwikkeling was gekomen. Het staat dan ook ten slotte tusschen den van God gezalfden Koning en den keizer dien men te Rome aanbidt. De uitroep: Wij hebben geen anderen koning dan den keizer, is wel waarlijk de kreet, waarmee Israël de zelfveroordeeling over eigen bestaan uitspreekt. En als Pilatus ten leste zwicht voor de vrees, dat Jezus' vrijspraak de keizerlijke majesteit zal aanranden, bevestigt zoowel zijn vonnis als het opschrift boven het kruis, dat ook hij het hachelijk geding niet anders dan als een hooge geestelijke worsteling tusschen het gepretendeerde Koningschap van Jezus en het feitelijk bestaande keizerschap van Augustus opvatte.

Naardien dit nu niet aan het formeele recht kon liggen, in zoover formeel geen hooger rechtspraak dan van den Roomschen rechter denkbaar was, kwam hier alzoo de waarheid der van God gewilde wereldorde tegenover de leugen van de wereldorde der onbekeerde menschelijke natuur te staan. Jezus kon niet vrijgesproken worden, of Pilatus moest den leugenachtigen wortel van zijn eigen recht hebben prijs gegeven, en bekeerd zijn tot dien wortel der waarheid, waaruit de orde in het Koninkrijk Gods opklim*. Doch ook dit zou niet hebben gebaat. Pilatus toch zou alsdan zijn teruggeroepen, , en welhaast, zou een ander landvoogd als rechter over Jezus hebben gezeten. En dit zou hebben aangehouden tot Augustus zelf zijn eigen aanbidding afwees, en zelf voor Jezus op de Itnieën was gevallen, om. hem te eeren als zijn Heere en zijn God. En ook dit zelfs zou niet gebaat hebben, indien het slechts een persoonlijke bekeering ware gebleven, maar dan eerst doel hebben getroffen, in dien geheel de Romeinsche maatschappij haar valsche beginselen had prijsgegeven, om de ware beginselen in zich op te nemen, en die dan ook ten grondslag gelegd had aan haar recht. Indien men het slechts ten einde doordenkt, is alzoo feitelijk in dit strafproces van Jezus voor Pilatus' rechterstoel de strijd uitgestreden tusschen de orde des levens die de onbekeerde menschelijke natuur, bij hoogste ontwikkeling, uit zich zelve had voortgebracht, en tusschen die andere orde des levens, die in het Paradijs verordineerd was, en, in Christus belichaamd, nu optrad als de zenuw van het Koninkrijk Gods. Daarom heeft de wereld dan ook in het doodvonnis, dat over Jezus ging, zichzelve geoordeeld. Staande tegenover den Zone Gods en den Gezalfde des Heeren, kon zij op dat hoogste punt van rechterlijke ontwikkeling, waartoe ze destijds gekomen was, en dat ze in den Romeinschen wereldlijken rechter liet optreden, krachtens haar ÖWZ^/ÖJÖ^ uitgangspunt en valsch beginsel niet anders doen, dan hem veroordeelen als schuldig aan majesteitsschennis, zij die zichzelve hierin juist bezondigde door schennis van de majesteit Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene sratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken