Bekijk het origineel

„Met den bespotter uit”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Met den bespotter uit”

10 minuten leestijd

Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn. Jes. 29:20.

De spot is een scherp, tweesnijdend wapen, en de bespotter gemeenlijk een tiran, die er kwelziek en lachend meê wondt.

Niet een ieder is op dit wapen meester, en wiens aard en natuur er den aanleg voor mist, leert er het vaardig hanteeren nooit van.

_ Het ïbespotten" komt op uit laatdunkendheid, uit behaagzucht of uit vernuft, en al naar de man is en de kring, waarin hij optreedt, ligt óf in het een óf in het ander voor hem de scherpste prikkel.

De ée'n zal een vijand hebhen., een persoon die hem hindert op zijn weg, en dien hij in gezel-

schap niet velen kan; en nu bezigt hij de bespotting als wapen, om hem laatdunkend uit de hoogte te behandelen; kan het, door zijn spot hem het leven in dien kring onmogelijk te maken; en lukt dat niet, hem althans tot zwijgen te doemen, hem te kwellen, en zijn invloed te breken.

Maar voor een tweede staat het heel anders. Die treedt een kring binnen, zender veett in zijn hart, maar in dien kring wil hij de lachers op zijn zij hebben, en door dien lach zich zelf laten bewonderen, en nu kiesf hij zich een slachtoffer, en viert er zijn lust aan bot, met_ uit bitterheid noch uit kwelzucht, maar schier eeniglijk om ie behagen.

En een derde eindelijk bespot noch uit laatdunkenden trots noch ook uit egoïstische behaagzucht, maar omdat hij zijn spelend vernuft niet beheerscht. Vanzelf en ongezocht komen de spotzieke beelden zoo iemand voor den geest, dringen zich de spotachtige woorden bij hem naar de lippen, en dan laat hij zich gaan, en weet zich zelf niet te beheerschen, en zoo wondt hij door zijn spotzucht, niet uit passie noch met opzet om te behagen, maar vaak zonder dat hij 't zelf weet.

Alleen de eerste soort »bespotter" nu is het waartegen de Heilige Schrift haar banvloek plaatst. Niet alsof ze het diep egoïstisch en meedoogenloos bespotten uit behaagzucht verschoont, of als zou het wild vernuftspel, ook dan als het wondt, nog te vergoelijken zijn. Dat zij verre. Maar overmits de Heilige Schrift Gods volk komt vertroosten, en juist dat volk, eeuw in eeuw uit, het bangst van de spotzucht der laatdunkendheid te lijden had.

Voor God en zijn Woord is de »bespotter" een tiran, die Gods heiligen kwelt, en daarom gaat tegen dien tiran de profetie uit, dat ^die tiran een einde zal nemen^ en dat het eens met dien bespotter uit zal zijn"

De sspotter" en de sbespotter" zijn wel verwant, maar toch niet één.

De echte spotter wordt gedreven door lasterzucht tegen het heilige. Hij kiest God zelven tot zijn vijand, en Gods waarheid en heilige mysterieQ tot het voorwerp van zijn lachenden smaad.

De man die God hoont is nog zoover niet. Wie hoonend tegen de majesteit des Heeren HEEREN spreekt, toont dat hij nog den indruk van Gods majesteit ondergaat, en dien indruk van zich wil weren, en nu tegen God worstelt, om God te boven te komen. Hem kenmerkt valsch heroïsme, onheilige heldenmoed. Hij is een hooghartige Rabsake.

Maar de spotter steekt nog veel dieper in zijn zonde. Hij worstelt niet meer. In zijn schatting is God reeds overwonnen. En nu zit hij rustig terneder, om met dien overwonnen God te spotten, en door dien spot alle uitwerking te breken, die van dien overwonnen God nog bij anderen mocht nawerken.

Voor den spotter is God er onder, en opdat God er niet weer bovenop kome, belacht hij dien God met duivelschen wellustlach. Maar zoo is de sbespotter" niet.

De sbespotter" keert zich niet tegen God, maar tegen hen, die onder menschen nog voor God durven uitkomen.

Daar schuilt dan wel vijandschap tegen God achter, maar de »bespotter" is toch te ondiep om zich tegen Godzelftekeeren. Wat hem prikkelt en hem genot bezorgt is, sde fijnen", omdat ze God vreezen, te plagen, te tergen, te sarren, en in wat hun het heiligst is te wonden.

Ea daar groeit hij in, niet enkel uit kwelzucht, maar ook naardien het vernuft nooit gemakkelijker zijn vonken schiet, dan waar het hoogste aan het laagste, het heiligste aan het gemeenste raakt.

Immers hij bespot niet alleen »de fijnen". Hij viert zijn lust ook wel aan anderen bot. Maar toch als hij »de fijnen" tot zijn slachtoffer kan kiezen, werkt zijn vernuft het vaardigst en geniet hij op het hoogst.

Ook die zonde der sbespotting" nu, komt op uit een trek, dien God zelf in onze natuur inschiep, bij zijn scheppen van den mensch naar zijn beeld.

Satan is te arm om ooit iets origineels te doen, iets ook maar te scheppen. Het vernuft is niet zijns, maar Godes. En al wat Satan vermag is, dat hij het vernuft dat God tot den prijs van zijn naam schiep, omzet in een booze kracht, die tegen God en zijn volk ingaat.

Want dat er in de ïbespotting" iets schuilt, dat op zich zelf volstrekt niet zondig is, dat leert Psalm 2 ons wel, als het daar heet dat God zelf dit machtig wapen hanteert. tDie in den hemel zit^ zal lachen^ de Heere zal ze bespotten". Of ook dit merkt ge wel in Psalm 59 : 9, als David uitroept: Maar Gij Heere zult hen belachen^ Gij zult alle Heidenen bespotten".

De grondkracht alzoo, waaruit de bespotting opkomt, ligt in God zelf. Een trek van die grondkracht is ook ons, omdat we naar Gods beeld geschapen zijn, in onze natuur gedreven. En de zonde ontstaat pas, wanneer de bespotter onder menschen dezen trek van triomfeerenden humor niet voor God, maar tegen God keert, en er de bitterheid van gevoelen doet aan zijn volk.

Zelfs mag gezegd, dat Gods volk ten deze aan verzuim schuldig staat, en dat het dezen trek onzer natuur te veel ongebruikt liet, waar hij voor de eere van God en zijn waarheid kon worden aangewend.

Zie maar, met wat bijtenden humor Jezus de Pharizeën en Schriftgeleerden terecht zet, en reken dan zelf na, wat kracht van zulk zinnig zeggen van Jezus al de eeuwen door is uitgegaan.

Ook in het begraven van dit talent kan een verzoudigen liggen van een u toebetrouwde kracht.

Zoo dacht ook Erasmus er in zijn ^Lof der zotheid" over, en Marnlx in zijn Bijenkorj".

Ernst is treffelijk, maar ook het vernuft, mits in den dienst des Heeren aangewend, is een gave, waarmee voor de zake Gods moet gestreden worden.

Toch kan deze roeping van Gods volk, om ook het vernuft in den dienst des Heeren te stellen, nimmer een vrijbrief worden, om aan wie ons sals fijnen" bespot, dit met bespotting onzerzijds betaald te zetten.

Ook van-dat lijden der ^bespotting" sprsekt de Heere: Mijne is de wrake, en daarom gaat tot zijn volk de profetie der vertroosting uit, dat het eens met den hespotter nit zal zijn.

Let er dan ook op, hoe zij aan wie deze beker der vertroosting wordt uitgereikt, worden ingeleid onder den eerenaam van ^de zachtmoedigen". ïDe zachtmoedigen zullen vreugde hebben", zoo loopt het redeverband, tde zachtmoedigen zullen vreugde hebben^ als het mei den bespotter uit zal zijn"

Maar vergis u nu niet. VVant onder »2achtmoedigen" verstaat de Schrift volstrekt geen lieden met afgestompt eergevoel; goedbloedige zielen, die zich maar alles laten welgevallen; slaafsche naturen, die zich maar alles laten aanleunen; onaandoenlijken, die het lijdelijk kunnen aanhooren zoo als men hen krenkt en smaadt en hoont, zonder dat het bloed hun uit de kameren van het hart naar het aangezicht vliegt.

Integendeel de »zachtmoedigen", naar luid van Gods Woord, zijn fiere, nobele naturen, die de beleediging van den spot diep gevoelen, en telkens aandrift in zich ontwaren, om er vierkant tegen in te gaan, en die het ook wat goed kunnen zouden, maar die ervan ajiaten uit gehoorzaamheid aan God, en die niet terugbijten, omdat ze het niet mogen.

Maar ge begrijpt dan toch, hoe hemelsbreed dat verschilt. Eenerzij ds een lage natuur, die zich trappen laat, zonder dat het hem deert, of zonder dat hij zou durven of kunnen van zich afslaan. En anderzijds een heldennatuur, van hoogen moed, die duchtig met het wapen van den spot terug zou kunnen slaan, maar, onderwijl hij fier en rustig den bespotter in het oog staart, den pijl op de pees terughoudt, omdat zijn God hem geleerd heeft, dat hij zich niet mag wreken, maar het over heeft te geven aan zijn God.

En vraagt ge hoe dit dan rijmt, dat Gods volk het vernuft in den dienst des Heeren heeft te stellen, en dat toch »de zachtmoedige" niet terug mag slaan, laat u ook hierin dan door uw Heiland leeren, die als hij zelf gehoond werd, nooit terugsmaadde, en hoe giftig ook belasterd, altoos zweeg; maar die niet zweeg, als de waarheid van zijn God moest gehandhaafd worden, en dan het bijtendst vernuft niet te scherp achtte.

Dat men u bespot moet ge als kind Gods dragen kunnen; dat men tegen uw Vader in de hemelen spot, nooit.

Dat men u bespot, moet ge niet uit weeke onmannelijkheid u laten aanleunen, maar met al Gods volk, door zelfbeheersching, heldenmoed, en gehoorzaamheid aan uw God dragen kunnen.

Het mag u, ook al zwijgt ge, zelfs niet bitter maken in uw gemoed.

Het hoort bij het Kruis, dat ge zult opnemen, opnemen eiken morgen, om het vroolijk volgend, uw Heiland na te dragen. Of wie is gelasterd, wie bespot als hij, toen hij te sterven hing aan het vloekhout ?

Ja, sterker nog. Christenen die niet van bespotting te lijden hebben, mogen zich wel afvragen, of het goed met hun ziele voor God staat. Onder de zaligsprekingen van Jezus komt ook deze voor: »Zalig zijt ge, zoo de menschen u smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil." Of ook denk aan dit andere woord van uw Heiland: »Omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld."

o, Het staat met een kind van God zoo bedenkelijk, als de wereld hem niet Imat^ maar gaarne lijden mag en eert en viert.

Op > de fijnen" heeft de bespotter het gemunt, en daarom is het zoo veelszins geestelijk veilig juist onder sdie fijnen" gerekend te worden, mits het niet zij om uw stijfheden en zonderlingheden, of om kleinzieligheden, in zichzelf bespottelijk, maar wel waarlijk om uw beslist, uw volhardend, uw in alles uitkomend geloof.

Maar dan weet ge ook, dat de »bespotter" u niet loslaat, zoolang uw kracht om voor Jezus te roepen aanhoudt; dat hij misschien meegaat op uw begrafenis, om in zijn baard te lachen als ge in den kuil gaat; en dat hij zekerlijk nog na uw dood knagen zal aan de nagedachtenis van uw naam.

En nu houdt u dat wel niet op, en ontmoedigt u niet bij uw strijd op aarde, en zal, als ge eens gestorven zijt, wel aan uw zaligheid bij God niet hinderen; maar toch, God die rechtvaardig is, laat de ziel van zijn volk niet onder den beklemmenden druk van dien eindeloozen sbespotter."

Hij geeft zijn volk een belofte, een toezegging, een vast bezegelde vertroosting, en die profetie houdt in, dat het eens met dien bespotter uit zal zijn.

Uit, niet voor korten tijd, maar voor eeuwig.

En dat God dan alle rol zal omkeeren.

Voor den sbespotter" een tandenknersen in zelfversmading eeuwiglijk. En voor wie de bespotting verdragen heeft, een »vervuld worden van den mond met lachen" in storelooze vreugde bij zijn God>

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Met den bespotter uit”

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 oktober 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken