Bekijk het origineel

„Nochtans is bij óók wijs”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Nochtans is bij óók wijs”.

9 minuten leestijd

Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt zijne woorden niet terug; , maar Hij zal zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulpe dergenen, die ongerechtigheid werken. Jes. 31 : 2.

Ons zou schroom allicht weerhouden, misschien ' zelfs schuchterheid in het heilige verbieden, om van den hoogen en heiligen God tot een slimmen, waanwijzen berekenaar, in halfspottenden ernst te zeggen: »Wees nu zoo wijs als ge wilt... maar God is ook wijs"

Van menschen spreken we zoo gereedelijk.

Deelt iemand u in vertrouwen een bedenksel meê, een plan dat hij beraamd, een vondst die hij bedacht heeft, en waarmee hij zijn concurrent of zijn tegenpartij hoopt te verschalken, dan is niets gewoner dan het antwoord: sPas maar op, hij is ook niet dom."

Een ondergeschikt officier, die aan zijn overste verlof vraagt tot een kleinen strooptocht, waarmee hij den vijand denkt te kunnen verrassen, krijgt zulk verlof niet licht zonder de bijvoegmg: »Nu, probeer het, maar wees terdege op uw hoede, want de man die tegenover u staat is ook geen kind."

Men staat dan voor overmoed; voor een overmoed die in te sterk zelfvertrouwen den wederpartijder onderschat; en dan waarschuwt men halfspottend met het zeggen: »Dat is nu alles heel wijs en glad door u uitgedacht. Ge zijteen vaardig plannenmaker. Maar... die ander... tegen wien ge het hebt, is ook bij de pinken. Zie maar toe, dat ge er niet inloopt."

De spot Schuilt dan daarin, dat ge in uw hart dien ander voor veel, veel wijzer houdt; maar alsnu u op het ingebeelde standpunt van den overmoedigen durfal plaatsend, den schijn aanneemt als hieldt ge hem voor den eigenlijken wijze, / en dien andere voor een, die ja . . , óók wijs is.

Eigenlijk hadt ge dan willen zeggen: Begin er maar niet aan, want bij de wijsheid van dien andere vergeleken, is al uw doorzicht niets. Maar in stee daarvan belacht ge nu zijn inbeelding, stelt u aan alsof ge hem voor heel, heel wijs hieldt, en voegt er nu bij: Maar die andere is toch ook wijs.

En die spotternij durft Jesaia hier mi in het

heilige aan, durft hij aan waar het God geldt.

Hij ontwaart hoe zijn afgedoold volk plannen smeedt, waarmee het waant den hoogen God schaakmat te kunnen zetten.

En reeds de enkele gedachte hieraan is hem derwijs belachelijk, dat hij den lach om zoo tergende dwaasheid niet Mn onderdrukken, en alsnu zijn volk toeroept: > Wees gewaarschuwd, ge waant het uw God af te winnen, maar ziet toe... . Hij is ook wijs."

«Nochtans is God ook wijs" is een zeggen, dat op één lijn staat met wat David in Psalm twee betuigt: »Dat God uit den hemel zal lachen, en dat de Heer ze bespotten zal." Alleen maar het is hier de profeet, die in dat Goddelijke lachen meelacht om de dwaasheid van wie het tegen God durft opnemen, aan de kaak te stellen.

Het is zoo nameloos dwaas, het is zoo onzinnig belachelijk, als een kleine, nietige mensch die minder dan een stofke aan de weegschaal is, zich vermeet en inbeeldt, dat hij het met zijn eigen doorzicht en verstand tegen het verstand van zijn God kan uithouden, en zelfs verwaten genoeg is om te beproeven of hij het van God niet kan winnen.

Wat is de wijsheid van één mensch vergeleken bij de wijsheid van heel een volk, wat is de wijsheid van één volk vergeleken bij de wijsheid van heel ons menschelijk geslacht, en wat is al de menschelijke wijsheid saam vergeleken bij de eeuwige wijsheid Gods, waarvan al onze wijsheid niets dan het flauwe afschijnsel in één enkelen gebroken lichtstraal is.

En is er dan roekeloozer dwaasheid, is er tergender onzinnigheid, is er verwatener trots uitdenkbaar, dan dat een gansch gewoon menschenkindraadslagen tegen den raad Gods, uitdenkselen tegen Gods onpeilbaar diepe gedachten overstelt, en zich heimelijk vleit met de goddelooze inbeelding alsof God het zou afleggen tegen hem ?

En toch, ga er slechts op in en denk het door: die niet te noemen dwaasheid is feitelijk het gronddenkbeeld in elk nog onbekeerd hart.

God heeft gesproken. In zijn Woord ligt zijn Openbaring voor n. »Zóó, zegt deïlseie JTeere^ zï3 het vergaan al wie niet ingaat door de enge poorte".

En daar stelt nu, in arren moede, de onbekeerde zich tegenover. Dat zegt God wel, maar zoo zal het niei gaan. Hij wset het beter. En om te toonen, daf hij het beter weet, bespot en belacht hij wie door die enge poorte ingaan, en gaat hij zelf, al spottend en het hoofd schuddend, opzettelijk die enge poorte voorbij.

Nu zijn er, die zoo doen, duchtende dat het vreeselij k voor hen zal afloopen; maar die nog liever willens en wetens voor eeuwig rampzalig willen zijn, dan dat ze voor God zouden onderdoen.

Dat zijn de lieden der roekeloosheid, die het: ïGod verdoeme mij" over de lippen laten komen.

God dreigt hen, ze te zullen verdoemen indien ze zich tot Hem niet bekeeren, en nu is hun antwoord: Ook goed, dan moet God mij maar verdoemen, maar het Hem gewonnen geven en voor Hem bukken, doe ik niet.

Dit is roekeloozer, het is vermeteler, het is duivelscher, maar aan dat »God verdoeme mij" ligt dan ten minste nog de gedachte ten grondslag, dat het gaan zal zooals God zegt, en dat God het in het eind winnen zal.

Doch zelfs dat geeft de gewone, fatsoenlijke, onbekeerde mensch niet toe.

Hij weigert ook maar iets ervan te gelooven.

Hem dunkt al dat spreken van de enge poorte eenvoudig dwaasheid.

Taal der dweepzucht is hem al dat spreken van bekeering. Wat bekeering! Wat enge poorte! Wat wilt ge met uw roepen van oordeel en verdoemenis! Dat staat in de Schrift wel; maar de Schrift weet het niet. Hij, wijze man der wetenschap, weet het wel anders en beter. Wie eerbaar leeft en zijn best doet, komt er vanzelf. Misschien is met den dood alles uit. En anders, nu dan gaat het ook na den dood door in eeuwige evolutie.

Dat is de ongeneeslijke koelheid der ziel, de onredbare onverschilligheid van het hart, waar zelfs het tweesnijdend zwaard des Woords zich bot en stomp op slaat.

Reeds het enkele denkbeeld, dat zoo treflijke menschen zich nog zouden moeten bekeeren, plooit hun een homerischen lach om den mond.

Ze leven en ze sterven op hun ingebeelde wijsheid. Dat Gods Woord tegenover hen gelijk kon hebben, is een gedachte waarvoor in hun bevatting eenvoudig geen plaats is.

De teedere drang der liefde, waarmee een moeder haar kind, een oudere zuster haar broeder nog tot bekeering lokt en dringt, wordt hoogstens bejegend met goedhartig schouderophalen.

Ze worden er zelfs niet boos meer om.

Ze vinden het nog lief, dat moeder zoo dwaas kan zijn.

Alleen maar moeder weet het niet. Zij weten het beter. Niet zooals God het geopenbaard en de Heere Christus het heeft uitgesproken is het. Het is zooals zij het zeggen.

En dat God óók wijs is, och, ze lachen er om.

Op die manier wiegelt zich de ongeloovige betweter in zijn ingebeelde wijsheid en wetenschap, en het is door dat gif, dat thans, op enkele uitzonderingen na, al wat geleerd en kundig is, zich sterkt tegen God en zijn Woord.

Maar ook practisch sijpelt dat zelfde gif onder de gewone lieden door, zelfs tot die domme naturen onder de kinderen der menschen, wier eigen huis en nering al hun horizont is.

Deze praten na. Anders en meer kunnen ze niet. Ze hebben het van de mannen van wetenschap opgevangen, ze hebben het in oppervlakkige handboeken gelezen, dat de Schrift niet echt en Gods Woord niet waar is, en dat de fijnen alleen uit dweepzucht van een enge poorte bazelen, en dat priesterlijke heerschzucht een hel heeft uitgevonden die niet bestaat.

En omdat ze al zulks napraten^ beelden ze zich nu in, ^, zoo wijs te zijn.

Met den lach der domheid lachen ze een Augustinus, een Luther, een Calvijn uit. Of wat beduidden al deze weetnieten vergeleken bij hun ingebeelde wijsheid!

En ingebeelde wijsheid! En zoo voegt zich het ploertig domme bij de betwkerij van het ongeloof. Zelfs de eerbied voor h& i moederlijk woord ontgaat hun. Geen ïiefde hoe teeder ook, weten ze meer te waardeeren. ïMoeder is gek met al 'er fijnigheid", is het ruwe woord dat over hun lippen komt. En het medicijn der Goddelijke ontferming, waarmee ge tot hen nadert, slaan ze u moedwillig uit de hand.

Hierin ligt iets onuitsprekelijk hards voor wie aelf gelooven mag.

Ge ziet die geheele breede schare schertsend en lachend op den breeden weg voortwandelen, enge weet dat ze ten verderve gaan, en toch staat ge er machteloos tegenover.

Geen pijl treft meer. Geen woord dringt er nieer in. En als er dan vurigen van geest zijn, die desniettemin hen tot bekeering roepen en hun van de liefde van Jezus gaan spreken, dan gaat al luider de schaterlach van het ongeloof op, en maant Jezus zelf u, dat ge het heilige niet voor de honden zult werpen en depaarlen niet voor de zwijnen.

Dan helpt geen roerende toespraak meer.

Maar wat dan wel de ziel kan benauwen is de onderzoekende vraag, of vader en moeder hun plicht deden toen het nog tijd was.

Hard ge­ Het jonge hout is nog te buigen. worden hout breekt.

Vandaar dan ook de vraag aan de consciëntie, of ge uw kind genoegzaam onder den indruk van de hooge wijsheid Gods hebt gebracht. De vraag, of ge in die jonger jaren deedt, wat ge kondt, om diepen eerbied voor de majesteit des Heeren HEEREN in het toen nog teeder gemoed aan te kweeken. Of ge uw kind af hebt gehouden van scholen, en uitgehouden hebt uit kringen en omgevingen, waarin God niet geteld werd, en de mensch het één en al was. De vraag ook, of uw kind aan u gezien, aan u gemerkt heeft, dat ge zelf de wijsheid uws Gods boven alles steldet.

Dit voor de opvoeding, toen uw kind zich vormde.

En nu, wat het overwicht op later leeftijd van de heerschende meenigen aangaat, is daaraan tegenwicht geboden?

Is ingezien, dat er tegenover de ongeloovige toongevende meeningen een wetenschap, een heerschend woord, een wereld-en levensbeschouwing moet gesteld worden, waar de zoekende geesten onder het opkomende geslacht rust in kunnen vinden ?

De Methodist denkt daar niet aan. Maar wie Paulus' worstelen ziet, om een Christelijke wereld van gedachten tegen de wereldsche gedachtenwereld van Jood en Griek over te stellen, voelt er het hoog belang van.

Gelooft ge dat God ook wijs is, en verstaat ge daaronder, dat gij met sde wijsheid Gods" veel sterker staat dan zij met de wijsheid der menschen, toon dan ook dat ge dat gelooft, in den moed waarmee ge optreedt, in de energie waarmee ge uw strijd doorzet, en in den lach van heiligen spot, waarmee ge de inbeelding der menschelijke wijsheid uit uw ziel, uit uw huis, uit uw levenskring terugdringt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Nochtans is bij óók wijs”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken