Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

KLEINE KASPER.

't Is een isiet te prijzen trek van vele jongens in onzen tijd, dat ze bepaald heeren en van vele meisjes, dat ze niet anders dan dames willen worden. Voor een handwerk, voor dienen haalt menigeen den neus op. En er zijn niet weinig ouders ook, die in plaats van te vragen, wat kan de jongen worden, eenvoudig zeggen dat^a/hij worden, en dan liefst iets hoogs. Natuurlijk loopt het dan maar al te dikwijls mis. Het is trouwens een zeer algemeen gebrek, en onlangs zei dan ook een buitenlander terecht: Het zal niet lang meer duren, of we hebben een schaar van jongelui, die scholen en hoogescholen hebben doorloopen, ja met goed gevolg, maar die geen betrekking en niet te eten hebben, omdat er zelfs voor de knapsten nergens plaats is.

Zeker, handwerken en beroepen zijn in onzen tijd niet bisf, maar dit geldt ook voor vele ^«rlijke betrekkingen. De hoofdzaak is bij jongens en meisjes, mannen en vrouwen dat ze geen lust hebben tot den eenvoud, maar hooge dingen zoeken, en dat niet om daarin ijverig te zijn, maar voor gemak en genot. Dit valt dan echter — krijgen zij hun zin — bitter tegen.

Nog een eeuw geleden was het anders dan nu. Toen bleef in den regel de zoon in den stand des vaders, al brachten het vele later dan ook verder. De burgerjongens en meisjes dachten er meestal niet aan zoo hoog te klimmen als thans; ze duikelden dan ook niet zoo diep als nu vaak gebeurt, 't Is geen kwaad als iemand poogt vooruit te komen in de wereld, hij mag als God hem de gaven geeft wel die gaven besteden, den Heere ter eere, al klimt hij daardoor ook hooger dan zijn voorgeslacht, maar als dit laatste ons doel is, louter om ijdele" eer, uit hoogmoed of uit winzucht, dan is het kwaad in de oogen des Heeren.

Nu meer dan anderhalve eeuw geleden stond bij den Vossenberg in het stadje Pappenheim in Zuid-Duitschland een huisje met een hoog spits geveldak, waarboven echter de torens en bastions van het oude slot uitstaken, als nu nog boven alle woningen. In dit huisje woonde Frederik Ottman de passementwerker met Johanna zijn vrouw, 't Waren eenvoudige menschen, die blij waren als ze hun dagelijksch brood hadden en op den bepaalden tijd, tweemaal per jaar, aan den rijken Schneider, den jood, de rente betalen konden van het geld, dat hij op hun huisje had staan.

Heel de week door liet de man zijn passementwerktuig vroolijk klepperen. Wandelen deed hij niet veel, tenzij dan eens per week, Zaterdagsmiddags, naar Treuchtlingen. Want daar leverde hij het klaar gemaakte werk af aan den winkelier, die er jammer genoeg niet veel voor gaf, en kreeg tegelijk de noodige stof mee, om de volgende week zijn arbeid te kunnen voortzetten. De vrouw verrichtte behalve 't huiswerk nog een taak, die bij 't werk van haar man paste, al had zijg't ook liever aan hem alleen overgelaten. Zij werkte v> or een fabriek in Werssenburg, waar men galons, boordsels en kwasten vervaardigde, en menig kunstwerk van gouddraad en zijde kwam uit haar vaardige handen, om straks te prijken op de jas van een hoog heer, of den uniform van een officier te doen schitteren.

In April 1719 werd aan het echtpaar in het vijfde jaar van hun huwelijk een zoontje geboren. Daarmee werd het vrij wat levendiger in het huisje dan vroeger, dat begrijpt gij. Dikwijls moest moeder nu van haar werk op om Johan Kasper, zoo heette de kleine, tot bedaren te brengen, als «ijn schreeuwen zich mengde met het snorren van 't passeraentwerktuig. Maar dat was moeder niet te veel. Zij was trotsch op haar jongen, die er flink en krachtig uitzag; hij at en dronk en sliep zoo gezond als men maar wenschen kon, en werd zelfs niet wakker als het roodborstje luid zingend nederzat op de geranium voor het openstaande venster, waar de morgenzon door scheen. Eer dan meest 't geval pleegt' te zijn, kon Kasper met goed gevolg op de been komen en weldra kroop en trippelde hij, dat het een lust was om te zien. 't Kamertje werd het krachtige, vroolijke knaapje al gauw te klein. Hij moest naar buiten, het halsbrekend trapje van het huis af naar de straat, een afloopende weg, vol bulten en holten met muurtjes aan weerszijden tegen het afglijden van steenen en aarde van de hoogten. Heel licht kon een klein kind zich, in zoo'n omgeving, een buil vallen. Doch wat zou men doen ? Bleef Kasper binnen, dan liep men elk oogenblik gevaar, dat hij voor ettelijke guldens aan het fraaie, fijne weefsel bedierf, of met zijn handjes 't dunne gouddraad dooreenwarde. Zoo hield men dan een oogje op hem, en liet hem verder spelen naar hartelust.

Aldus groeide Kasper op tot een jongen van een jaar of zeven. Dusver had hij weinig geleerd, om redenen die ge straks hooren zult. Denk nu echter niet, dat hij ais een heiden was opgegroeid. Neen, want vader en moeder beide waren hun kind in de vreeze Gods voorgegaan en hadden hem vroegtijdig geleerd de handen te vouwen tot het gebed. Ook hadden ze hem naar zijn vatbaarheid des Zondags — in de week moesten zij zeer hard werken — in Gods Woord onderwezen, zoodat Kasper op zijn zevende jaar al veel meer uit den Bijbel wijt dan thans menig kind van tweemaal zeven, " dat in huis noch op school van God en 'Zijn Woord iets verneemt. Ook had vader Frederik gepoogd zijn kleinen jongen de letters en de cijfers en zoo'n beetje lezen te leeren. Maar dat ging niet best, wijl niet alleen een spelboek voor den leerling, maar ook aan den leermeester de noodige tijd ontbrak. Toch kende Kasper op zijn zevende jaar de moeielijke Duitsche letters vrij goed, en was hij ook in staat een weinig te lezen.

Doet iemand gemeenlijk op straat niet veel goed gezelschap op, Kasper ging het anders. Hij vond daar namelijk een paar speclmakkers, de kinderen van den dorpspredikant, een zeer geleerd man, of Magister, Frcier genaamd. Weldra sloten de drie, te weten de drie kleine jongens, samen een vriendschapsverbond, waar zeker on^e Kasper 't meeste voordeel van trok, al rekende niemand dat uit. Immers de twee domineeszoonljes hadden achter hun huis een mooien tuin, en daar was van den tijd der eerste aardbeien tot dien der late appelen in den regel voor jongens nog al eens wat te smullen. Verder hadden de beide knapen — wat Kasper ook niet bezat — een heelen voorraad speelgoed. Dit had hun moeder meegebracht uit Neurenberg, haar geboortestad, waar men, zooals ge weet, heel knap is, in 't maken van allerlei moois. Met al dat speelgoed kon men menigen regendag in den zomer zonder verveling doorbrengen.

Evenwel, als 't kon verkozen de jongens de zonnige heuvels en het donkere bosch, waar 't zoo prettig spelen was en zoo vrij. 's Winters deden de ark met de beesten, en het kasteel en de bouwdoos beter dienst. Toch ontbrak het ook dan niet aan pret buiten, vooral wanneer er veel sneeuw lag, en men met een sleedje zich van den stellen berg kon laten glijden, dat het met een vaart midden op de markt terecht kwam. De burgers echter zagen dat spelletje liever niet.

Maar er was nog iets, waardoor Kasper van de vriendschap voordeel trok, en waarom ook zijn ouders er blij mee waren. Dit zal ik u straks uitleggen.

CORRESPONDENTIE.

Over-eenige vragen, zoo mogelijk, in 't volgend nr.

HOOGSNBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken