Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

5 minuten leestijd

In Holl, Kerkblad schreef Ds. Sikkel over den Universiteitsdag dit:

De Universiteit vierde haar jaardag. Dat was een oorzaak van dankzegging en gebed. Niet zoozeer omdat ditmaal de studenten zich publiek presenteerden in twee groepen, om bewijs te geven, dat zij het van Dr. Kuyper nog niet geleerd hebben, tegelijk zeer speciaal en toch zeer generaal te zijn; ook niet omdat in. die kringen van ons calvinistisch volk, in welke de synthese van speciaal en generaal in een man als Dr. Kuyper nog minder gevat wordt dan dit van de gezamenlijke studenten mag worden verwacht, de immers valsche indruk gevestigd wordt, dat de tegenstelling der studenten gaat over een godvruchtig of een wereldsch studentenleven, een gehoorzamen aan Gods gebod of een vrijheid geven aan de zonde; — of naar anderer qualificatie tusschen doopersch en gereformeerd; — ook dat wel, na straks 20 jaren nog altoos bewijzend, dat de Vrije Universiteit zelve, althans in haar studentenkring, de gedachte harer stichter nog niet begrijpt, — het kon aan wie die Universiteit om haars beginsels wille liefheeft, niet ontgaan.

Maar de aandacht ging van den omtrek al spoedig naar het middelpunt, naar de hoogleeraren. En zeker, dan mag de oratie van Prof. Geesink ten bewijze worden aangeboden, dat de Vrije Universiteit, gekeurd aan het beginsel harer geboorte, kerngezond is, en wel ter dege, ook na de pijnlijke crisis, het generale en het speciale vasthoudt in de eenheid van haar leven. Hier mag gedankt worden. Zij leeft, zij schiet haar wortelen uit, onze Vrije Universiteit, Gode zij de lof. — Maar toch, wanneer uw gedachte gaat over de reuzentaak, die deze Stichting naar haar beginsel niet mag afwijzen; als gij denkt aan het weinige, dat nog verricht is in vergelijking van het vele, dat in der tijden nood dag aan dag om een woord, een antwoord, een oplossing roept, immers ook van onze School der wetenschappen; en als ge dan dat vijftal mannen ziet, — heusch slechts vijf! — die samen de hoogleeraren zijn der Vrije Universiteit, — al zijn het dan ook buitengewone mannen, — dan bloedt er een wonde bij u en bidt ge om mannen, om krachten, voor onze Universiteit.

Maar waarom dan ook nog langer onze kracht, althans voor de godgeleerdheid, gedeeld door de scheiding van Amsterdam en Kampen! Is het ons, calvinisten, niet tot oneere, dat we zóó onze eigen kracht breken met den vijand voor de poorten, en dat, omdat we ook in dezen de synthese van het generale en het speciale naar ons eigen beginsel niet begrijpen en grijpen kunnen, — al evenmin als de studenten?

Over de oratie van Prof. Geesink nog een enkel woord, om onzen dank en hulde aan dezen hoogleeraar te betuigen en te betoonen voor zijn kostelijken arbeid, terwijl de lezing van deze rede, die in druk verscheen, hartelijk door ons aanbevolen wordt. Prof, Geesink, die thans voor de eerste maal publiek als gewoon hoogleeraar onzer Hoogeschool optrad, — hetgeen ook zijn oratie kenmerkte, — gaf een stuk van beteekenis. Hij wees, voor het eerst sedert de herleving onzer gereformeerde theologie, zuivere lijnen trekkend, de plaats, de grenzen, het karakter der Ethiek of Zedekunde in de gereformeerde theologie aan; overzag voor haar de historie, haar historie ook, en wees in Voetius haar uitsluitingspunt in ons verleden, in de Tien Geboden haar plechtanker, en in het sociaal karakter van het leven onzes tijds haar richting voor de toekomst aan. Waarlijk, de hoogleeraar behandelde de Ethiek naar hare eere, naar hare eere in de gereformeerde theologie, naar hare eere bij het aanbreken der twintigste eeuw. Zij deze oratie profetie van een even degelijke uitwerking, der schets, die thans, zij het ook slechts in enkele, maar dan toch alles beslissende hoofdlijnen, geboden werd.

En toeve die uitwerking niet lang! Al ware het dan maar in uitvoeriger schets. Naar den wil van van God, godvruchtig, in alle goede werken, in alle levensroeping en levensverhouding te verkeeren, — o, ook om des Heeren eer en om zijn zegen is de teedere onderscheiding van de vreeze des Heeren in de praktijk des levens ons zoo noodig; noodig ook voor de Universiteit zelve, voor haar leven en voor haar wetenschap, voor al haar faculteiten.

De 2oste eeuw vordert licht voor de vraagstukken des levens, voor het vraagstuk van het leven. Het leven, het sociale leven, komt almeer op met zijn beschuldiging, ook tegen ons, dat de godsdiensten de wetenschap den weg des levens niet wezen en niet weten, althans voor het sociale leven. Dat leven komt nu zelf zijn beginsel stellen in de leer der evolutie, en het vordert de ontwikkeling en leiding van dat sociale leven naar dat valsche beginsel, het roept om een wetenschap, om een religie, om een theologie, om een ethiek ook, loopend naar de lijn, die het evolutiebeginsel trok.

Dit is niet te veel gezegd.

De Vrije Universiteit dient niet enkel voor de opleiding van studenten, maar ook, en niet minder, voor de uiteenzetting, toelichting en verdediging van een Christelijke levens-en wereldbeschouwing, waar het opkomend geslacht de harmonie tusschen geloof en zienswijze op ander gebied in zal kunnen terugvinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken