Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Over het gebruik der Christelijke Vrijheid schrijft de heer Dr. H. H. Kuyper in de Friesche Kerkbode, dit:

Thans komen wij toe aan het laatste stuk van onze uiteenzetting der Christelijke vrijheid, n.l. welk gebruik Gods kind van deze vrijheid te maken heeft. Immers al is het volkomen waar, dat God de Heere in Zijn woord het vrij gebruik van middelmatige dingen ons toestaat, ook deze vrijheid is gebonden aan vaste regelen, die God zelf ons geeft, en waaraan de conscientie om Gods wille onderworpenis. Hoe sterk dan ook onze Vaderen aan de eene zijde handhaafden de vrijheid in het gebruik van middelmatige dingen, omdat deze in zich zelf noch goed noch kwaad waren, ze voegden er altoos aan toe, dat zoodra de mensch deze dingen gebruikte, ze ophielden middelmatig te zijn en goed of kwaad werden naar het gebruik of misbruik dat er van gemaakt werd.

De mensch is een zedelijk wezen; aan alles wat hij doet deelt zich daarom een zedelijk karakter mede. En al zijn vele dingen op zich zelf beschouwd noch goed noch kwaad, als eten en drinken, slapen en wandelen, zoodra de mensch eet en drinkt, slaapt of wandelt, doet hij dit of naar de ordinantie Gods en dan is het goed, of hij doet het tegen de ordinantie des Heeren en dan is het zonde. De wet Gods bestrijkt, mits diep opgevat, heel het menschelijke leven; ze laat niet toe een scheidmg tusschen het geestelijke en het natuurlijke leven, alsof alleen het eerste aan God toebehoorde en het tweede aan de vrijheid van den mensch was overgelaten; ze eischt in het eerste en groote gebod, dat de mensch geheel met hoofd en hart, met ziel en lichaam, mei tijdelijke en eeuwige gaven zijn God diene en liefhebbei In dfen zin sDEmmen w5j van harte in met hetgeen door Prof Geesink in zijn oratie over de Ethiek in de Gereformeerde theologie is gezegd, dat er voor den Gereformeerde geen adiaphoron, geen onverschillige zaak bestaat.

Dit strijd niet met hetgeen wij eerst geschreven hebben omtrent de middelmatigheid van die dingen, die God de Heere ons niet gebiedt of verbiedt in Zijn Woord. Eten en drinken is een op zichzelf onverschillige zaak. God schrijft onder het N. T. nergens voor, dat men zich van eenige spijze of drank heeft te onthouden. Alle gave Gods is goed. Wie dus toch in eenige spijze of eenigen drank op zichzelf zonde ziet, gaat in tegen de vrijheid, die God zelf ons gunt. Maar daarom is eten en drinken niet onverschillig, want God de Heere wil, dat we eten en drinken zullen, om ons tijdelijk leven in stand te houden. En ook de wijze, waarop wij eten en drinken raakt wel degelijk het gebod des Heeren. Alle gebruik van voedsel zonder er God voor te danken als den Gever, alle overdaad in eten of drinken, waardoor we ons lichaam benadeelen, alle verkwisting en weelde, waardoor de buik tot een god wordt gemaakt, is door den Heere verboden. Zelfs bij een schijnbaar zoo onbeteekenende zaak als eten en drinken, geeft de Heere ons wel degelijk regelen, waaraan we in het gebruik ons te houden hebben.

Nu laat het bestek onzer artikelen niet toe, dat wij voor elk dezer middelmatige zaken aantoonen, aan welke regelen de Christenen bij het gebruik gebonden zijn. Wij schrijven geen Gereformeerde Casuïstiek. Maar wel wfllen wij tot voorlichting der conscientie wijzen op drie hoofdregels, die de Heilige Schrift zelf ons aan de hand geeft. En wie aan deze regels zijn eigen leven toetst, zal het gemakkelijkst kunnen nagaan of deze Christelijke vrijheid door hem gebruikt wordt naar Gods wil of niet.

De eerste regel is deze: l wat uit het geloof niet is, dat is zonde, (Rom. 14 : 23). Op dezen regel bestaat geen uitzondering, en de Apostel past dien regel toe niet alleen op geestelijke dingen, als bidden, goede werken doen, enz., maar zelfs op het eten van vleesch. Want er gaat vooraf: ie twijfelt indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. Wel past men in onze dagen vaak deze woorden toe op het Avondmaal en meent, dat hier sprake is van een eten van het brood des Heeren, maar wie den samenhang naleest, zal zien dat hier van het Avondmaal met geen woord melding wordt gemaakt. De Apostel spreekt hier over de Joodsch gezmde Christenen, die meenden, dat het onderscheid tusschen reine en onreine dieren nog niet was opgeheven en zich daarom onthielden van al wat de wet van Mozes verbood. Dezulken stonden nog niet in het »volle geloof", ze misten het rechte inzicht in de Christelijke vrijheid. En nu spreekt de Apostel uit, dat wanneer dezulken dan toch tegen hun conscientie-overtuiging in, bijv. zwijnenvleesch eten, dit voor hen zonde was, ook al was door God den Heere onder het N, T. het onderscheid in spijzen weggenomen.

Met dit > geloof" is dus niet bedoeld het zaligmakende geloof, want dit veronderstelt de Apostel, dat ook deze zwakke broeders bezitten, maar het geloof, dat God de Heere ons deze Christelijke vrijheid geschonken heeft. Waar dat geloof ontbreekt, of waar men nog twijfelt, moet men zich van het gebruik dezer dingen onthouden. Want wie tegen de overtuiging van zijn geweten ingaat, ook al dwaalt dit geweten, doet zonde tegen God. •Alle dingen zijn wel rein, maar het is kwaad den mensch, die met aanstoot eet".

In het gebruik van zulke middelmatige zaken mag men dus elkander geen dwang aandoen. Wie van God den Heere het geloof in deze vrijheid ontving en daarom haar gebruiken durft zonder beschuldiging van zijn geweten, die moet de zwakke broeders, die deze vrijheid nog niet kennen, daarom niet hooghartig veroordeelen of willen dwingen om tegen hun conscientie in te handelen. »De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden. Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet". Men moge trachten dezulken voor te lichten uit Gods Woord; men moge pogen hen op te heffen tot het hoogere standpunt, waarop men zelf staat; maar men eerbiedige hun conscientiebezwaar en veroordeele hen niet.

Maar dan ook omgekeerd mogen degenen, die zulke conscientiebezwaren hebben en meenen voor zichzelf zich van deze middelmatige dingen te moeten onthouden, niet heerschen over degenen, die een dieper inzicht in deze vrijheid hebben ontvangen. Omdat iemands conscientie hem zegt, dat het gebruik van alcoholische dranken voor hem zonde is, daarom mag hij deze wet niet aan anderen als een last Gods opleggen. »Die daar niet eet, oordeele hem niet, die daar eet, want God heeft hem aangenomen."

En bovenal volgt uit dezen regel, dat Gods kind bjj alles wat gij doet, voor zichzelf nauw te onderzoeken heeft, of hij het doet uit het geloof, dat God de Heere hem dezp vrjjheid schonk, of omdat de begeerlijkheid des vleesches hem drijft. De christelijke vrijheid ook ten opzichte van middelmatige dingen is een geestelijke zaak, een zaak, die in de conscientie tusschen God'den Heere en de ziel moet worden uitgemaakt. En zoolang men voor zichzelf ook maar twijfelt, of iets geoorloofd is, behoort men zich te onhouden. Wie op dat standpunt staat, zal dan ook niet licht in zonde van losbandigheid of wereld-gelijkvormigheid vervallen. Want wie handelt uit het geloof, handelt niet licht tegen den uitdrukkelijken wil des Heeren. Het geloof beschouwt deze vrijheid als een kostelgke gave Gods, die niet misbruikt moet worden tegen den wil des Heeren, maar die gelijk elke gave Gods moet gebruikt worden tot eere Gods en onzen naaste tot stichtmg.

Voor dit laatste stuk zoowel als voor de geheele bestudeering van dit onderwerp aan den schrijver onze dank.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 november 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken