Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

13 minuten leestijd

In zake het ontbreken in Indié van de zoo noodige correspondentie, tusschen onze verschillende zendingsstatioDS, schrijft het Geref. Volksblud:

Tot hiertoe hebben onze zendelingen om zoo te spreken, een ieder voor zich gearbeid.

Ieder voor zich, wil hier volstrekt niet zeggen in hun eigen persoonlijk belang; wil ook niet geheel zeggen naar htm persoonlijk inzicht, ofschoon dit laatste niet geheel ontkend zou kimnen worden.

Maar als wij thans sprt'.en van een arbeid onzer missionaire dienaren ieder voor zich, bedoelt dit zeggen eenvoudig, dat er tusschen onze mannen in Indië in 't geheel geen, of ten minste al zeer weinig rapport en correspondentie over dezen hun arbeid geweest is.

In Batavia bemoeide men zich niet met Soerabaja. Midden-Java had geen connecties met Soemba of eerstgenoemd station.

Wie in Pekalongan woonde Het zich met Poerworedjo weinig in. De Keuchenius-stichting stond zoo ongeveer geheel op zichzelven. En de medische zending gmg geheel buiten den arbeid der andere broederen om.

Dit is een van de groots leemten in ons zendingswerk. Er is geen gevoel van saamhoorigheid genoeg. Alle broederen zendelingen weten natuurlijk zeer wel, dat zij in Indië arbeidende, een ieder op zijne hem aangewezene plaats, sedert 1892 en '94 missionaire dienaren zijn van de Gereformeerde kerken in Nederland. Maar misschien hebben zij elkanders aangezicht op een gemeenschappelijke kerkelijke-zendingsvergadering in Indië nog nkamer gezien. Hoe kan nu, indien men elkander nooit ziet, en zeldzaam schrijft een recht besef en begrip van saamhoorigheid gekweekt worden?

Er is wel een band der gemeenschap.

Het is een geloof, dat onze broeders den heidenen en mohammedanen prediken.

Het is een kerk, die hen zond. Het is een doel, dat allen beoogen, de toebrenging der Heidenen tot de kennis, dienst en vreeze Gods.

Band, geestelijke band is er dus genoeg.

Alleen de aansluiting wordt gemist.

Wie onzer nu intusschtn zal durven ontkennen, dat zulk een aansluiting ia Indië gebiedend noodig is? Zoolang de missionaire dienaren deze rechte, goed georganiseerde aansluiting missen, om op geregelde tijden met elkander de zendings-correspondentie te voeren, en zeg nu maar, minstens eens per jaar, indien even mogelijk, in een centrum van arbeid saam te vergaderen, zal naar onze bescheiden meening, veel goeds en kostelijks voor den zendingsdienst verloren blijven gaan.

In het moederland hebben de kerken hare vaste vergaderingen noodig. Wat zou er worden van de vele kleine, zwakke kerkjes, wanneer het kerkverband niet behoorlijk intact was ? Ook nu, ondanks de goede werking van de^e organisatie, moet soms nog een bijzondere deputatie voor zaken ad hoc aangewezen. Edoch, hoeveel te meer moeten de broeders in Indien, op dat ontzaglijk groote, ontzaglijk woeste, ontzaglijk vaoeilijke arbeidsveld, dan met elkander in blijvend rapport treden en kimnen treden, ter bevordering van zoo groote belangen, als met de kerstening v.nn den Javaan en Maleier op 't spel staan. Zal het eerlang, nu met twee jaar, hiertoe komen? Wij twijfelen niet of deputaten voor het opstellen van een conceptakte de zending betreffende, zullen ook op dit punt hun ernstige aandacht richten.

Zij er voor deze broederen veel gebed in de kerken!

Aan hun komende voorstellen hangt zooveel. Alles moet gewikt en gewogen en overgewogen worden. Want er is thMis blijkbaar zoo weinig wat blijven kan. Zoo vele jaren is al geworsteld en geweend en met tranen gezaaid; zoo kostelijke schatten gelds zijn reeds in het belang onzer zending naar Indië gezonden en in Indië gebruikt.

Dienaar na dienaar ging heen en kwam ook reeds terug, behalve degenen die helaas [geheel of gedeeltelijk mislukt zijn. En thans? Het arbeidsveld overziende ;

de werkkrachten bijeen trekkend;

het resultaat met belrngstelling onderzoekend, ei zeg, wie onzer is er ntg optimist?

Schier iedereen stemt toe: wij staan voor een nieuw begin.

Uit dezen hoofde is het te verwachten ontwerp onzer deputaten ad hoc, van het hoogste gewicht. Moge het intusschen rekening houden met den eisch tot concentratie van onzen arbeid; _ tot het instellen van een vaste correspondentie in Indic tusschen de arbeiders onderling en tot benoeming van een kloek en krachtig, innig godzalig inspector op een plaats, in het hart van ons arbeidsveld, die aller vertrouwen verdient; niet om te meesteren onder de andere dienaren optreedt, maar als broeder onder de broederen, toch met christehjke waardigheid zijn prestige zal weten te bewaren, als de aan de kerken verantwoordelijke persoon bij uitnemendheid.

Niet dat dit alles ook in de zending zou mogen verwacht worden van de organisatie.

O! indien de Geest des Heeren niet een adem des levens in de reeds met spieren en zenuwen en huid overtrokken doodsbeenderen blaast, blijven de beenderen doodsbeenderen.

Maar de Heere eischt desniettemin van zijn kerken, dat zij in de behartiging ook van de zending het beste uit het voortreffelpkste zullen kiezen, opdat Hij daarin werke en zich zelven verheerlijken kunne.

Uit het naast verleden, dient dus ook winst getrokken voor de toekomst. Aangezien niemand het ernstig opneemt voor dat verleden in onze zending, oordeelt die methode zichzelve voor een zeer groot deel. Als uit Indië zelve klachten opgaan, dat één man op een eenzaam eiland jaar aan jaar tobbend, aan 't tobben blijft, geen stap voorwaarts doet; den meesten last krijgt, let wel van hen, die in naaïn met het heidendom gebroken hebben, oordeelt dat eene feit op zich zelven reeds genoegzaam den huldigen staat van zaken, die in het naast verleden wortelt.

Doch hoe het ook gaan zal. Wij willen niet vooruitloopen, aUeen aansporen, onszelven en anderen, tot het zoeken van de leidmg des Heiligea Geestes in al onze kerken, opdat het haar straks gegeven zij in het doen vergaderen van de kerk des Heeren uit de heidenwereld, zulk een weg en methode te kiezen, waarop •van meet af, op kennelijke wijze de hooge goedkeuring Gods rust.

Deze wenk verdient metterdaad behartiging.

Ook deze wenk van Ds. Adriaanse, in het Holl. Kerkblad:

POERWOREDjo, 4 October 1897.

Hooggeachte Redacteur!

Mijn vrouw ontving voor eenige dagen een brief uit Holland van een jeugdig meisje, dat zich opgewekt gevoelde, om naar Jt va te gaan als verpleegster en zich daarom al vast tot mijn vrouw - wendde, om inlichtingen omtrent hetgeen zij zoo al noodig zou hebben. Dit feit dringt mij, u te verzoeken, nogmaals uw waarschuwende stem te verheffen, gelijk gij zoo uitnemend deed indeA'«-.? '^C(? fevan 13Maart 1.1. Het is mijn vaste overtuiging, dat het zenden van Europeesche ziekenverpleegsters onze Kerken niet slechts op hooge oi.nsodige kosten zal jagen, maar op niets dan teleurstelling zal uitloopen, zoowel voor de Kerken als voor de verpleegsters zelve. Voor de kosten van één Europeesche ziekenverpleegster kiumen we er m-'nstens een dozijn Javaansche hebben. En dat dio bruikbaar zijn is al bewezen. Dr. Bervoets in Modjowamo werkt in zijn hospitaal uitsluitend met Javaansche ziekenverpleegsters.

In i8gs bedroeg h^. aantal verpleegden in 't ziekenhuis 479; aantal «*!' Seegdagen 19941; gemiddeld aantal per dag 64 Zie, die allen werden verpleegd door Tavaan? qhe .meines. En meen QU niet, dat Dr. Bièvbiets ach 'rfü maar zoo wat bieheïpt met

zulke Javaansche verpleegsters bij gebrek aan beter. Volstrekt niet, Dr. Bervoets roemt ze en verlangt er geen Europeesche voor in de plaats. Daarom, geachte redacteur, verzoek ik u, dit mijn schrijven op te nemen in uw blad en desnoods nog eens te waarschuwen, opdat er niet onnoodig hier en daar jonge meisjes zich gaan voorstellen, dat zij de zaak van onze Zending goeden dienst kunnen bewijzen, door zich aan te melden als ziekenverpleegsters voor Java.

Na de aanbieding mijner groete noem ik mij

Uw broeder,

L. ADRIAANSE.

Het is goed, dat ook hier tijdig op gewezen worde.

De Javaansche vrouw bezit even goede geschiktheid, om zieken te verplegen, als de Javaansche baboe-, om kleine kinderen te verzorgen.

Zacht in de beweging, onuitputtelijk geduldig, kinderlijk gehecht.

Wat alleen noodig is, en steeds blijven zal, is dat een geoefende Europeesche vrouw aan het hoofd sta van elke inrichting, die zekere uitbreiding ontving, en dat door haar intermediair de kunst van het verplegen op de hoogte onzer ontwikkeling worde gebracht en gehouden.

Uiterst belangrijk voor het werk der Zending is eindelijk een brief uit Java in de Utrechtsche Kerkbode opgenomen, en die waard is gelezen en bestudeerd te worden.

Toonde ik u reeds aan, hoe de gemeenten op Midden-Java in 1883 nog bijna geheel Javaansck waren in haar beschouwing van den Christus, wijl zij in Hem den ratoe hadil, den koRing-pandita zagen, die voor eeuwen hier was voorspeld, zij waren niet minder Javaansch in heur begrip of voorstelling van de kerk van Christus. Gij belijdt met mij, dat de kerk is de »heilige vergaderinge der ware Christ-geloovigen" en het is hier over bodig nader uiteen te zetten, wat we daarmede uitspreken. Nu verzeker ik u, mijn waarde, dat de gemeenten op Midden-Java van, wat wij in die woorden bekennen omtrent het wezen der kerk van Christus, zoo goed als nitts verstonden. Zij hadden er nog niet het minste begrip van, noch de flauwste voorstelling. En was het dit nu maar alleen geweest! Een leeg vat kunt gij makkelijk vullen, maar een vat, dat vol is met oimut goed, moet eerst ledig gemaakt en gereinigd en kan dan pas van een beteren inhoud voorzien worden.

Zóó was het nu ook met het brein der Christenen. Wilhelm vond bij hen een voorstelling van de kerk van Christus, die in niets overeenkwam met de ware voorstelling. Zij koesterden echt Javaansche gedachten over de gemeente van Christus. Om u dat eenigermate te doen verstaan, moet ik u een en ander meêdeelen over de beteekenis van het woord ngèlmoe en den naam goeroe en de vereeniging dier beide woorden in de uitdrukking: goeroe ngèlmoe. Een goeroe is niet zoozeer een »godsdienstleeraar" in den zin, dien wij aan dat woord hechten, maar veeleer een man, die instaat is, aan iemand het rechte middel te leeren, om van God zijn wensch te verkrijgen. Dat rechte middel nu, dat alleen een goeroe den Javaan kan leeren, noemt hij ngèlmoe. Dat woord laat zich volstrekt niet juist weergeven door ons woord »leer". De Javaan duidt er mede aan, wat de goeroe hem aan de hand doet ter verkrijging van zijn begeerte, hetzij die zich uitstrekt naar aardsche, hetzij naar bovenaardsche dingen. Hij vat in den regel twee dingen saim in dat woord ngèlmoe, en wel ie. de rapal; 2e. de sarana. De rapal of lapal is een soort gebed, dat hij uit zijn hoofd moet leeren en op het door den goeroe aangegeven tijdstip moet •uitspreken. De sara.na is hetgeen hij moet doen, moet uitvoeren. Al naar het doel is, zal dus ook de ngèlmoe zijn. En daar de Javaan nu letterlijk alks door ngèlmoe zoekt te verkrijgen, is het getal ngèlmoe's legio. De dief heeft een andere ngèlmoe noodig dan de overspeler, en de wraakzuchtige, die zijn vijand wil treffen door ziekte of dood, heeft weer een andere ngèlmoe van noode. De ambtenaar, die spoedig promotie wil maken, moet een andere ngèlmoe zoeken dan zijn buurman, die rijk wil worden, of zijn vriend, die het hart van een beminde maagd voor zich wil winnen. De man, die sheerlijkheid" wil verkrijgen na dit leven in den zin van hemelsche zaligheid, heeft een andere ngèlmoe noodig dan hij, die nu arm en van geringe afkomst bij een volgende geboorte als een edelman wenscht ter wereld te komen. Ik zou zoo nog wat kunnen voortgaan, doch het is dunkt mij genoeg, om u te doen zien, dat er tal van ngèlmoe's zijn. En aangezien niet één goeroe in staat is, al die verschillende ngèlmoe's te leeren, wijl hij ze niet allen bezit, zijn er tal van goeroe's en bezit de éfe een ngèlmoe voor dit en de andere voor dat doel. De goeroe ngèlmoe is dus voor den Javaan een onmisbaar persoon, die voortdurend wordt aangezocht om tegen betaling, in den vorm van een geschenk, in de verlangde ngèhnoe te onderwijzen. Gaat nu een Javaan bij zulk een goeroe een ngèlmoe zoeken, dan wordt hij daardoor zijn leerling, zijn moerid, en ontstaat er tusschen hem en den goeroe een band, die ik u niet in een paar woorden kan omschrijven. De verhouding tusschen een goeroe en zijn moerid is een verhouding, die wij Westerlingen niet kennen en waarvoor wij dus ook geen woord hebben. De goeroe noemt zijn moerid's meestal zijn kinderen en kleinkinderen en zij noemen hem vaak hun vader of grootvader. Gij zult zeggen: »dan is het de verhouding van vader tot kind", en inderdaad, daar heeft het ook veel van en toch is het een andere verhouding, want een moerid zal zijn goeroe veel hooger eeren en daarom nog meer onvoorwaardelijk gehoorzamen, dan een kind zijn vader. De moerid's drukken hun verhouding tot hun goeroe vaak uit door te zeggen: »ik dien hem, hij is mijn heer". Gij voelt, dat is weer een andere voorstellmg van de innige verhouding, die er tusschen hen bestaat. Ook spreken re veel: > ik volg hem" en gij moet om goed te verstaan, wat dit inhoudt, denken aan de beteekenis, die dat woord »volgen" heeft voor een Javaan. Het is zooveel als wij zeggen: »ik geef mij geheel en al aan hem over, ik zal alles doen, wat hij wil, ik stel mij geheel en al ter zijner beschikking". Toch drukken wij met zulk zeggen nog niet volledig uit, wat een Javaan met zijn enkel woord »volgen" uitspreekt, want wij kunnen niet gelijk een Javaan onzen eigen wil, ons eigen inzicht, onze eigen persoonigkheid, zóó geheel op zij zetten als een Aziaat. Daarvoor zouden we moeten ophouden Westerling te zijn en omgezet worden in een Oosterling. Om u ten laatste nog een anderen blik op die verhouding van een moerid tot zijn goeroe te geven: een vrouwelijke moerid stelt zich ter beschikking van den goeroe, zij geeft zich aan hem als rijn vrouw. Een goeroe houdt er dan ook meestal verscheidene vrouwen op na. Mij dunkt gij zult u nu toch wel eenig denkbeeld kunnen vonien van een goeroe ngèlmoe en zijn verhouding tot zijn moerid's. Dat zij hun goeroe hoogelijk eeren, heb ik u in mijn brief van 37 Augustus 1.1. al aangetoond, lees dien zoo noodig nog maar eens over. Ik kan nu wel terugkeeren tot het begin van myn brief. De Christenen op Midden-Java hadden m 1883 geen andere voorstelling van de kerk van Christus dan deze: Sadrach is onze goeroe ngèlmoe en wij allen zijn S.' moerids. Sadrach was voor hen de goeroe, die hun de ware ngèlmoe van Jezus Christus, den ratoe hadil, leerde en zij aUen volgden hem dus als moerid's, zij dienden hem, ZIJ waren zijn kmderen en kleinkinderen. De kerk als vergadenng van Christgeloovigen kenden ZIJ met maar wel w^en zij zich bewust, dat zij saam den knng van Sadrach's moerid's vormden Elke j> gemeente" was de optelsom van Sadrach's moerid s m een bepaalde plaats of streek en niets meer en niets anders. En alle gemeenten samen vormden niet anders dan het getal van al de moerid's van Sadrach.

Dit schrijven is daarom zoo belangrijk, omöat het vinger svijaing geeft voor de oplossing van het zoo moeilijk probleem, in hoever het Evangelie in zulke landen zich aan de bestaande begrippen en zienswijzen kan aansluiten, en in hoever het noodzakelijk is van meet af zulke begiippen en zienswijïen te vervormen, opdat ze niet later zich haeretisch als een rcafHali tegen het Evangelie stellen.

Ook hier twee richtingen op Zendingsgebied. Eenerzijds een richting, die voor het bestaande geen oog heeft, en er niet aan kan aansluiten, en anderzijds een richting die gevaar loopt in het bestaande op te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken