Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

Kerstfeest.

Nog zeer goed kan ik mij den tijd herinneren, waarin we als kinderen ons verblijdden wanneer de Kerstdagen naderden. Den dag te voren werd er op school wat vroeger geëindigd; de meester vertdde ons van de geboorte des Heeren, we zongen psalmen en liederen, en ten slotte, vóór hij dankte, vertelde de meester ons, dat we eerst na Nieuwjaar weer behoefden school te komen.

En wat denkt ge nu wel, dat we van dit alles 't best onthielden? Waarover spraken we bij 't naar huis gaanj? Och, over de laatste mededeeling. Eerst twee iZondagen", soms drie achtereen, met allerlei genoegens er bij, dan nog dagen lang vrij af. Ja, vrienden zoo waren wij, en ik hoop van harte^.dat gij 't, beter^_maakt; enj, niet alzoo doet.

Nu, dat weet ge zelf het best, maar hoe het zij, Kerstvreugde is heel iets anders dan de blijdschap die 'k zoo pas beschreef, en het Kerstfeest is onuitsprekelijk veel meer dan een tijd van ontspanning.

Het is een tijd der herdenking, der gedachtenis. _ »Ik zal gedenken" — dit lezen we, op allerlei wijs, telkens in de Schrift. Daar zijn geen vaste tijden door den Heere voor bepaald; ook het Kerstfeest is niet in Zijn Woord vastgesteld. Maar we weten wel dat het goed is den naam en de daden des Heeren te gedenken, en vooral dit gezamenlijk met al zijn volk te doen, en ook zoo dat de wereld het mede weten kan. Nu is er niets, dat op aarde den naam des Heeren meer verheerlijkt, dan dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon beeft gegeven voor het leven der wereld, en deze daad Gods zal gedacht worden zelfs wanneer er geen tijd meer zijn zal.

En zoo mogen we dan ook" het Kerstfeest, dat is het Christusfeest, vieren, 't welk ons de woorden van den apostel herinnert in 2 Cor. 8:9.

»Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwille is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden."

Hoe dat geschied is weten wij. Het wordt ons o. a. in het tweede hoofdstuk van Lukas verhaald, en er zullen wel weinig jonge lezers zijn die dit hoofdstuk niet kennen. Uitnemend, toch vrienden vergeet niet, dat al kent gij dit hoofdstuk ook, de komst van onzen Heere Christus in het vleesch toch altijd voor ons verstand onbegrijpelijk blijft. Het is volkomen waar wat een dichter zegt:

»Als ik|i'dit wonder vattenlwil Staat mijn verstand vol eerbied stil, 't Verstomt bij 't geen het niet doorziet 'k Aanbid, gmaar ik doorgrond het niet."

Doch wij behoeven het ook niet te begrijpen. Dat zou ons toch ook niet baten, zoomin als louter het weten ons iets helpen kan. De Heere God doet groote dingen, wonderen die men niet vatten kan en Hij eischt van ons dat we ze /gelooven — tot onze eigen behoudenis.

Nu het weder Kerstfeest wordt, moet ge op dit laatste vooral letten. Ge den'st misschien: o! Ik weet al di; dingen al, ik heb 't al zoo dikwijls gehoord: men kan al vooruit zeggen waar de dominps over zal spreken, waar op school en in da Zondagsschool en op andere plaatsen van verteld zal worden. Nu, dat kan wel zijn, maar het Kerstfeest roept ons toe dat wij van God een onuitsprekelijke gave ontvangen hebben, dat Hij Zijn Zoon in de wereld heeft gezonden, niet om haar te veroordeelen, maar opdat ze door Hem zou worden behouden. Daaruit blijkt echter ook, dat die wereld verlo ren is, en wij dus met haar, zoo niet de Heere Christus ons behoudt.

Als we dat nu bedenken, kon't wel gebeuren, dat we op Kerstfeest nu juist niet zoo blij, ja wel veelmeer bedroefd waren. Want er is een droefheid, die een onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid, d. i. een waar men nooit spijt van heeft. Die droefheid is de droefheid naar God. Ja, hoe vreemd het mag klinken, ik wensch u die droefheid van harte toe.

Waarom? Wel, omdat ge dan op den rechten weg zijt om blijdschap te verkrijgen, en zulk een die nooit meer wijkt. Gij weet wat de engel zeide tot de herders in het veld van Bethlehem: > Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal. Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids." Dat moet uw blijdschap zijn of worden op elk Kerstfeest. Dan hebt ge een vreugd die niet vergaat, die blijft ook als er geen Kerstfeesten meer zijn.

Laten we die vreugde allen van God begeeren. Hij wil ons die schenken door het Kindeke in de kribbe, dat is Immanuel: God met ons, In Hem moet onze vreugd, onze hoop en onze kracht zijn. Dan houden we Hem met blijdschap in gedachtenis, die gekomen is als een licht tot verlichting der heidenen en die ook door het Christusfeest ons toeroept: »Kom tot Mij; Ik geef den mijnen het leven en Overvloed",

AAN VRAGERS.

Terwijl we den vrienden die over namen en woorden iets hebben gevraagd, nog om een weinig geduld verzoeken, willen we alvast over iets anders spreken, en op twee vragen antwoorden.

De eerste luidt: Welken godsdienst hebben de heidenen ?

Allereerst kan men 't antwoord lezen in Rom 1:22 en 23, waar we lezen: Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden. En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten."

Het is niet zoo, dat er naast den Christelijken, den Joodschen godsdienst e. a. ook een zou bestaan die de heidensche heet. Niet alleen dat er eigenlijk maar een godsdienst kan zijn, te weten één ware, maar ook hebben de heidenen allerlei godsdiensten. Er zijn, anders g^mg& ^A^soorten van heidendom. Er zijn heidenen die beelden aanbidden, andere weer die de zon vereeren, nog andere hebben dieren tot goden; en ook zijn er die alle mogelijke dingen aanbidden. Ook is er groot verschil tusschen de heidenen in hun kennis en verstand en daardoor in hun godsdienst. De godsdienst van Boeddha b. v. en die van Brahma in Hindustan, staan veel hooger en zijn heel iets anders dan de fetischdienst der negers in West-Afrika. Doch zoowel het een als het ander is afgoderij, omdat allen te samen zijn afgeweken van den levenden God. Men kan dus niet spreken van een heidenschen godsdienst als één zaak, maar wel van heidensche afgoderij.

De tweede vraag is eenvoudiger en luidt: Is het wel goed dat men Bijbels heeft met platen of prenten ? Niemand kan toch nauwkeurig weten hoe iets is gebeurd.

Dat laatste is volkomen waar. We weten niet nauwkeurig hoe Simson er uitzag b. v. en hoe hij den leeuw doodde. Maar daaruit volgt nog niet, dat het verkeerd is daar een voorstelling van te geven.

Want immers, als die dingen verteld worden of wij hen zelf lezen, dan maken we er ons ook een voorstelling van. De leeuw is gedood, al kan dit gebeurd zijn op verschillende wijzen. Nu, de kunstenaar die een plaat teekent stelt ook slechts voor hoe het kan geweest zijn. Hij doet dus net wat wij in onze gedachten ook doen, en daar is niets kwaads in; 'tis zelfs niet te mijden. Iets moet men zich toch voorstellen. Dat onze vaderen prentbijbels hadden en wij ookis dus niet kwaad. Alleen moet de voorstelling in overeenstemming zijn met de zaak, en daaraan ontbrak en ontbreekt dikwijls zeer veel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 december 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken