Bekijk het origineel

„Om der consciëntie wille.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Om der consciëntie wille.”

10 minuten leestijd

Daarom is het noodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om der consciëntie wille. Rom. 13 : S-

Te kunnen bevelen trekt gemeenlijk meer aan dan te moeten gehoorzamen, en vooral van blindelings gehoorzamen heeft meer dan één een hartgrondigen afkeer.

In één geval echter blijkt die tegenzin tegen het „gehoorzamen en blindelings gehoorzamen" plotseling geweken te zijn, t. - vi. in oogenblikken van gevaar.

Als iemand krank te bed ligt, en hij merkt dat hij sterven kan. Als schipbreukelingen in een boot op zee rondzwalken. Als men een gevaarlijke streek moet doortrekken, en er den weg niet weet. Kortom, als men hulpeloos nederligt of er reddeloos aan toe staat, dan slaat het om in het hart, en ziet men dienzelfden forschen man, die anders altoos eigen wil en zin wou doorzetten, en reeds het enkele denkbeeld van gehoorzamen beneden zijn waardigheid vond, om bevelen vragen, om orders smeeken, en er met hartstocht op uit zijn, om toch maar stipt te gehoorzamen, en te zorgen dat ieder ander hem in dat blindelings gehoorzamen navolge en erin meêwerke.

„Dokter, hoe moet dit"? en: „Dokter, hoe moet daf'1 en: „Luister nu toch precies, . . naar . wat de dokter zegt, " en; „Doe het nu toch stipt 1 zooals de dokter gezegd heeft", zijn, zoodra de ziekte een ernstige wending neemt, de gewone uitroepen van den onrustigen kranke. Zelfheeft hij van zijn ziekte geen verstand, maar de arts weet het. En daarom, dat die arts spreke, dat de medicijnmeester hem zijn orders en voorschriften geve. En als hij die maar in alles nauwkeurig en omstandig heeft, is hij gelukkig. Dan wordt dit soms zelfs opgeschreven, om het precies te weten, en er niets van te vergeten, en als hij dan maar gehoorzamen kan, geeft dit gehoorzamen, dat blindelings gehoorzamen, hem genieting, en in dat genieten rust.

Bij een schipbreuk is het evenzoo. Als men hulpeloos en opgepropt in een ranke boot rondzwalkt, en voor oogen ziet, hoe één verkeerde beweging de boot kan doen kantelen, en hoe één verkeerde riemslag de boot verkeerd op de golven kan zetten en kan doen omslaan, zit, wie anders o, zulk een hoog woord had, muisstil op zijn bank, en ziet maar op, en luistert naar den man die aan het roer staat. En niet alleen dat hij zelf er op uit is, om stipt en blindelings te doen wat de stuurman zegt, maar, uit vrees voor een tweede ongeluk, spoort hij ook de andere schipbreukelingen aan, om in 's hemels naam zich toch aan den stuurman te houden, en terstond en willig en blindelings te doen wat hij zegt.

En bij tochten door onbekende bergstreken, waar men zoo licht verdoolt, en één mistred het leven kan kosten, ziet ge nogmaals geheel hetzelfde verschijnsel. Dan gaat er een gids vooruit, een heel gewoon man, een man die anders het vee hoedt, of het land omspit, of zijn leest hanteert. En toch, aan dien gids onderwerpt men zich, dien gids ziet men naar de oogen, elke order die zulk een gids geeft, volgt men stiptelijk op, en als een, die wat ver achter liep, het niet verstaan heeft, en toch merkt dat er weer een order is gegeven, informeert hij er terstondnaar. „AVat zei de gids? " En nauwlijks is hij het te weten gekomen, of hij doet het.

Dat is alzoo de gewone tegenstelling in het leven.

Onder gewone omstandigheden tegenpruttelen en niet dan half murmereerend gehoorzamen.

Maar zóó als er gevaar in het spel komt, in gehoorzamen lust hebben. Dan niet anders dan gehoorzamen, blindelings zelfs gehoorzamen willeti.

D. w. z. onder een hoedje te vangen, zoo dikwijls «zV/-gehoorzamen gestraft zou worden met levensverlies; maar een hooge borst er tegen inzetten, zoodra men weer een veer van den mond kan blazen.

Doch juist daartegenover stelt nu de apostel van Christus dezen heel anderen regel: „Onderworpen zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om der consciëntie wille"

De „vrees voor straf' wordt als betveegi-eden niet door hem op zij gezet, noch afgekeurd. Bedrei­van straf is een teugel ons door genade aangelegd. En hoe stout ook vaak beweerd wordt, dat men het niet laat om de straf, maar om de zaak, toch zou men eens zien, hoe ongelooflijk veel talrijker de overtredingen zouden worden, als de straf er af ging.

Strafbedreiging is zeer zeker een uitwendig aangelegde teugel, en heeft niets ideaals aan zich, maar bij menschen die nu eenmaal zondaren zijn, en tot aan hun dood toe zondigen blijven, is die teugel onmisbaar. Ook als het fiksche paard heel den langen v/eg niet één tik met de zweep krijgt, moet toch de zweep achter het paard in den zweepkoker staan.

Edoch, het gehoorzam.en mag niet alken om der straffe wil gaan, de band der consciëntie moet er bij komen.

Het mag wel met gehoorzamen uit vrees voor straf beginnen, maar wie aldus zich aan het gehoorzamen gewend heeft, moet straks aan het gehoorzamen om zichzelfs wil lust krijgen, en den prikkel die tot gehoorzamen aanzet, niet in de straf zoeken, maar in innerlijken consciëntiedrang.

Waarom gehoorzaamt de doodelijk kranke zijn arts, de schipbreukeling den bootsman, de reiziger in onherbergzame streken zijn gids?

Uit vrees voor zijn leven, het is zoo. Maar dat hij uit vrees voor levensgevaar, zijn arts, den stuurman of zijn gids volgt, is toch immers, omdat hij zelf voelt er niets van te weten, en vertrouwt dat die anderen het loel weten, en dat hij daarom door hen en door hun gebod hoopt te blijven in het rechte spoor.

Welnu, dat zelf het niet weten, en dat erkennen dat zij het wel weten, is hier de consciëntiedrang. Want juist in hun meerdere wetenschap schuilt hun gezag. Omdat zij het weten, moet wie het zelf niet weet, hun blindelings gehoorzamen.

En zoo nu staat ge ook tegenover den Heere uwen God.

Uw tegenzin tegen zijn ordinantiën, en uw neiging om zijn ordinantiën te weerstaan, is niets dan valsche trots, opkomend uit de inbeelding, dat gij het zelf ook wel weet, ja, het beter weet dan uw God.

Gij zult daarom zelf elk gebod, elke ordinantie van uw God beoordeelen. Keurt ge die nu goed, dan zult ge haar volgen, niet omdat God ze u oplei, maar omdat gij er m.êe instemt. En valt uw oordeel anders uit, dan verzet ge u. Doch 'tzij ge het doet, of het niet doet, het gehoorzamen, het blindelings gehoorzamen, het gehoorzamen om der consciëntie wil ontbreekt.

Zeker, er komt in het leven van Gods kind een stadium, dat hij ook zelf gaat inzien, wat hem eerst blindelings te doen bevolen werd. „Zijn God leert hem". En is dit punt bereikt, dan houdt de verzoeking tot ongehoorzaamheid voor dat bijzondere geval op, en is het gehoorzamen geen zich onderwerpen meer, maar eenvanzelfheid.

Maar hetzij we ziender oogen volgen, of blindelings gehoorzamen, toch is en blijft het uitgangspunt, dat niet wij den regel stellen, maar dat God dit doet. Dat God dit doet, omdat Hij alleen dit met heilige wijsheid kan. Omdat die wijsheid met zijn almacht één is. En omdat in die wijsheid en die almacht beide zich zijn souverein gezag over alle creatuur, en in dat creatuur over elke levensverhouding uitspreekt.

Wie daartegen ingaat, en weigert te gehoorzamen, beloopt dus niet alleen straf en is zelfde oorzaak, dat hij zijn toekomst verspeelt, maar hij randt bovendien het gezag zijns Gods aan, en stelt vermetel eigen inzicht boven de wijsheid des Heeren.

Hij zondigt.

En dat zondigen nu kleeft aan elke ongehoorzaamheid, onverschillig of God rechtstreeks over ons gebiedt, of wel zijn gezag over ons uitoefent door een medeme7tsch.

„Alle macht die er is, is van God, alzoo dat wie tegen de macht zich stelt, de verordening van God wederstaat, en die ze wederstaat, haalt over zich zelf een oordeel."

Hier dus weer»hetze!fde kwaad.

God stelt krachtens zijn gezag, gefundeerd in zijn wijsheid, andere personen over ons; maar onze v/ijsheid wil van geen medemenschen afhangen, en verklaart hun gezag voor ongeldig.

Is er nu in hun hand macht, zoodat ze straffen kunnen, dan zwicht ge, om geen straf te beloopen, maar op zichzelf' gehouden tot gehoorzaamheid acht ge u niet.

Althans niet in uw onbekeerd overleggen en onbekeerd u aanstellen.

Want al is het, dat God u v> federbaarde, en ge in het centrum van uw zielsleven tot waarachtige bekeering kwaamt, daaruit volgt nog in het minst niet, dat ge u ook reeds bekeerd hebt in den omtrek van uw overleggingen en daden.

Dan komt het veeleer telkens voor, dat een bekeerd kind Gods nog op tal van punten juist zoo denkt en redeneert als een onbekeerde, en zich nog juist even dwaas aanstelt, als een die nog nimmer de liefde zijns Gods bekend heeft.

En zoo vindt ge dan kinderen Gods, die telkens aan het gebod van de Overheid pogen te ontglippen, als het maar niet tdtkomt; die belasting ontduiken of smokkelen aan de grenzen. als er maar geen straf op kan volgen; die hun vader of moeder ongehoorzaam zijn, als het maar vast staat dat ze geen kastijding beloopen, en die op school, in dienstbetrekking, op het ambacht, bij den veldarbeid, of in fabriek, het over hun geplaatst gezag te shm af pogen te zijn; ja, soms er zich nog op beroemen, dat dit hun gelukt is, als ze maar zeker zijn, dat ze de straf ontkomen zullen.

Als wie met gezag over hen bekleed is, het maar niet merkt, komt geen zelfverwijt noch berouw in hen op, maar genieten ze zelfs in het volvoerde kunststuk.

Het „ook om der consciëntie wille" heeft dus blijkbaar op al zulke kinderen Gods in den omtrek van hun leven nog geen vat; en ze verstaan het niet, dat juist omdat ze kinderen Gods zijn, hun oordeel te? i deze te zwaarder zal zijn.

Immers van de lieden der wereld kunt ge nog zeggen: „Vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen"; maar zoo ge Gode toebehoort, geldt dit van u niet meer.

Gij weet het wel terdege. Gij weet het zeer goed. Dat „ook om der consciëntie wille" is u van der jeugd af door Gods Woord aangezegd.

En het was niets minder dan een over uw consciëntie heen werken, als ge welde straf gevreesd, maar u aan uw consciëntie niet gestoord hebt.

Gij weet zeer wel, dat God absoluut recht over u heeft, en dat als God iemand met gezag over u bekleedt, die man of die vrouw dan obk over u staat. En ge weet ook, dat niet gij te beoordeelen hebt, of dit alzoo goed en noodig voor u was, maar dat God alleen dit te weten heeft, en dat gij er naar zult geóórdeeld worden, zooals Hij het voor u verordend heeft.

Prent het u daarom diep in, dat als de straf alleen, en niet ook de consciëntie bij u meespreekt, ge juist als kind van God isfeWv/schuldig staat, en het u zelf te wijten hebt, zoo ge uw consciëntie tegen uw God verhardt.

Bovenal zie toe, dat ge niet in uw gesprekken, in uw omgang, in uw voorbeeld, dat booze kwaad ook bij anderen aanmoedigt, of bij uw kinderen aankweekt.

Het is ergerlijk zoo als vaak ook onder Christenvrouwen tegen haar mannen, onder Christenkinderen tegen hun ouders, onder Christendienstmaagden tegen haar vrouwen, onder Christenwerklieden tegen hun patroons, onder Christenonderdanen tegen hun Overheid geredekaveld en ingegaan wordt.

Een kwaad niet hierin gelegen, dat een ieder voor zijn recht waakt, want verder dan het recht gaat kan geen gezag van menschen over u heerschen. Maar een kwaad daarin uitkomend, dat men, scherp ondervraagd, die rechtmatigheid van het gezag niet zou kunnen noch durven betwisten, en dat men toch, met lust in het oog, en met een speelschen lach om de lippen, er in groeit als men het gezag schaakmat kan zetten.

Dat nu zijn „kwade saamsprekingen", saamsprekingen die „goede zeden" bederven.

Saamsprekingen die voor een kind van God buiten de consciëntie omgaan, en daarom het booze merkteeken dragen van te zijn: geweten loos.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

„Om der consciëntie wille.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 januari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken