Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

DERDE RKEKS.

XXXVII.

o God, Gij hebt mij geleerd van mijne jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik uwe wonderen. Ps. 71 : 17a.

Juist omdat de kerk, naar Jezus' uitspraak, eene stad op een berg is, moet haar glans in wijden omtrek uitstralen. Of, buiten beeldspraak gezegd, van de gemeente des Heeren moet een heiligende, reinigende invloed uitgaan op geheel de maatschappij, in wier midden zij optrad. Die invloed moet aanvangen met zekere bewondering te wekken voor den heldenmoed, waarmee vervolging en verdrukking wordt gedragen; moet daarna eerbied inboezemen voor den ernst en de reinheid des levens in den gemeentelijken kring; moet voorts sympathie wekken door den gloed der liefde en der barmhartigheid, die in de gemeente zich ontwikkelt; en moet ten slotte, als gevolg hiervan, de algemeene begrippen zuiveren en opheffen, de publieke opinie verhoogen, deger beginselen ingang doen vinden, en alzoo de gangbare beschouwing van het leven in staat en maatschappij en huisgezin opvoeren tot hooger peil. Feitelijk is dat dan ook aldus geschied. Bijna nergens heeft de gemeente van Christus zich duurzaam gehandhaafd, of ze heeft ook buiten haar instituut die wijziging in de algemeene levensopvatting tot stand gebracht. Zeker niet terstond, want veelal had ze eerst een periode van vervolging tedoorworstelen. Maar kwam ze die periode eenmaal glansrijk te boven, dan heeft haar optreden veelal, men kan zeggen, bijna zonder uitzondering, die verhooging van den standaard des levens ten gevolge gehad. En resultaat was alsdan, dat er tweeërlei tot stand kwam : i". de bevestiging der gemeente als de „stad op een berg" ; en 2". een wijziging in het buiten-kerkelijke, burgelij ke leven in verheffende en reinigende richting. En in die beide lag dan de natuurlijke vrucht van tweeërlei genade voor oogen. In die „stad op den berg" de vrucht der particuliere genade, en in die veredelde maatschappij de vrucht der genieene gratie.

Want wel kan men ook hier den strengen eisch van het hoogste ideaal aanleggen, en dan niets dan klachten aanheffen over de geestelijke ellende der gemeenten en de hand over hand toenemende verwildering der maatschappij, en wij zullen de laatsten zijn om te ontkennen, dat tot zulke klacht vaak aanleiding bestaat. Maar de liefde voor uw ideaal mag u niet tot ziekelijk en moedroovend pessimisme verleiden. Ongetwijfeld laat ook de zuiverst gei'nstitueerde gemeente, zoo elders als hier te lande, veel te wenschen over; maar vergeleken bij wat zoo menige andere gemeente, bovenal vergeleken bij andere godsdienstige corporation, staat ze toch zoo onvergelijkelijk hoog en stemt ze tot zoo vurigen dank. En zoo ook moet zeer zeker geklaagd, dat zich ook in onze burgermaatschappij nog ongerechtigheid op ongerechtigheid stapelt, en gruwel na gruwel u ergert; maar wie een Heidensche of Mahomedaansche maatschappij daarnaast plaatst, voelt toch terstond, soms op elk punt, onze superioriteit. Neem slechts het huwelijk, en vergelijk de positie van de gehuwde vrouw onder Paganisme en Islam met wat ze bij ons is, en het breed verschil springt in het oog. Niet alsof de zonde bij ons bezworen ware. Integendeel, de zonde woelt ook in onze maatschappij even schandelijk tegen de zuiverheid van het huwelijk in als elders, en bijna geen vorm van zonde is op dat terrein denkbaar, die niet op alle manier voorkomt. Doch hoe men ook ten onzent over de nog onvolkomen positie van de gehuwde vrouw moge klagen, wie haar positie in onze maatschappij met die in China of Klein-Azië vergelijkt, kan toch geen oogenblik in twijfel verkeeren over den groeten vooruitgang die onder ons tot stand kwam. Zoo nu is het op elk gebied. Er is met het optreden van de gemeente des Heeren een zuurdeesem in de drie maten meels gelegd, en die zuurdeesem trekt door en door, en oefent invloed op alle betrekkingen des levens. Een invloed die volstrekt niet alleen ondergaan wordt door de belijders des Heeren, maar die zich uitstrekt tot heel de maatschappij; zoo zelfs, dat de Joden evengoed als de ongeloovigen in ons midden, zonder er zich rekenschap van te geven, deze bewerking ondergaan. Doch juist daaruit blijkt dan ook, dat men verkeerd doet met dit als een .stuk van de particuliere genade te beschouwen. Particuliere genade werkt altoos ten eeuwigen leven, en wat hier werkt gaat geheel op in den tijd, en is alzoo te rekenen onder de gemeene gratie.

Dat men desniettemin aan een maatschappij, die door deze invloeden beheerscht wordt, den eerenaam van Christelijke maatschappij of gekerstende maatschappij pleegt te geven, kan niet worden gewraakt. Dit is niet geoorloofd op het standpunt der Volkskerk. Deze toch gaat uit van het denkbeeld, dat er geen Christelijke invloed werkt, dan in de Christelijke personen. Behoort iemand niet persoonlijk tot de kerk, dan staat hij ook buiten den Christelijken invloed, en het is deswege dat men er op uit is, geheel de schare des volks, binnen de wanden der kerk op te .sluiten. Dit echter is niet te verkrijgen, dan door het vrede nemen met den schijn, laten vallen van uw kerkidee, het prijs geven van uw belijdenis, het toelaten van het ongeloof, en het laten varen van alle kerkelijke tucht. Wie de Volkskerk voorstaat en dus heel het volk in de schaapskooi wil drijven, moet rekbaar zijn. Immers elke band dien ge aanlegt, weert en sluit uit. En daar het nu het doel der Volkskerk is om allen te omvatten, en liefst niemand uit te sluiten, moet ze wel ten slotte allen band losknoopen.

Dat is dan ook feitelijk geschied, en kwam het sterkst uit in de practische leervrijheid, die steeds meer begon te gelden, en waar ten slotte het heilig Doopsel nog steeds als onmisbaar had gegolden, is men er door de logica der feiten, ten slotte noodwendig toe gekomen, om ook dien band te laten varen. In naam, in schijn houdt men zijn kerk-idee dan wel hoog. Of ziet men niet, hoe zelfs de Nederlandsche Hervormde kerk, die de meest bandelooze leervrijheid toeliet, en het Doopsel voor niet onmisbaar verklaarde, nog steeds bij monde van haar leeraren den volke verkondigt, dat de Drie Formulieren van eenigheid nog altoos de officieele belijdenis der kerk zijn. Maar die schijn raakt telkens op grooter afstand van het wezen verv/ijderd. Op het zvesen der kerk liet men allen bindenden invloed glippen, en tegenover die innerlijke ontbinding van het wezen, stelt men niet anders over dan een abstracte formule, die alle werking mist. Zoo komt de lengen in de kerk van Christus de ivaarheid verdringen, en het is alleen ten koste van die notoire leugen, dat men in naam zijn pretentie van kerk te zijn handhaaft. Wij daarentegen, op ons standpunt, kunnen én het wezen der kerk én het Christelijk karakter der maatschappij handhaven, door de eenvoudige onderscheiding tusschen de vrucht der particuliere genade in „het kuddeke des Heeren, " en tusschen de vrucht der gemeene gratie die juist door het optreden der gemeente gewerkt wordt. En we kunnen dit, door te erkennen, dat het optreden der gemeente een genade uitoefent, die de werking der gemeene gratie in het volksleven ongemeen komt versterken. Want wel erkennen we, dat er gemeene gratie werkt ook in de burgermaatschappij der Heidensche en Mahomedaansche volkeren. Hoeveel dieper zouden ze anders niet zijn weggezonken. Maar we houden staande dat in onze landen behalve deze ook elders werkende gemeene gratie, een gemeene gratie in hoogerengraad iverkt, en dat deze hoogere graad eerst dan in de gemeene gratie komt, als ze gesterkt, veredeld en bevestigd wordt door den invloed van de gemeente van Christus.

Thans is men weer bezig dien invloed van de gemeente van Christus op de burgermaatschappij af te breken. Men merkt dit aan de pogingen die worden aangewend om de vrije liefde voor het huwelijk in de plaats 1e stellen, of althans den band des huwelijks te verzwakken. Men merkt dit aan de pogingen om het ouderlijk gezag te verzwakken, en de opvoeding onder staatsvoogdij te brengen; en des zooveel meer. Dit nu is de schuld der gemeente. Door bijna overal als Volkskerk op te treden, heeft ze de leugen in eigen boezem moeten toelaten, is ze zoodoende in allerlei valsche verhoudingen geraakt, en kan daardoor niet meer dien natuurlijken iijvloed uitoefenen, die eerst van haar uitging. Veelal zelfs verbindt zich thans de Volkskerk met de tegenstanders van het Christendom, om hen die voor den Christelijken invloed pleiten, te dwarsboomen. Zij die ijveren voor het Christelijk karakter van staat en maatschappij, zien zich daardoor in het volbrengen van hun plicht ten zeerste bemoeilijkt. En dat te meer, daar er nog altoos zoo velen zijn, die zich geen andere kerstening der maatschappij denken kunnen, dan door allen in ééne kerk bijeen te vergaderen^ en institutair de maatschappij te kerstenen. Kracht ten goede zal men daarom alleen dan kunnen uitoefenen, als men zich v/il inprenten, dat de gemeente van Christus nooit rechtstreeks, maar alleen zijdeling door haar invloed op de burgermaatschappij kan inwerken, en dat daarom haar streven er on gericht moet blijven: i". om aan de gemeente des Heeren volle vrijheid van optreden en volle macht tot het handhaven van haar eigen karakter te verzekeren; 2». om af te weren elke poging die gedaan wordt, om in de wetgeving van het land, in de publieke opinie en in de publieke instellingen Heidensche begrippen en denkbeelden voor de Christelijke in plaats te brengen; en 3". om door het moedig optreden van haar leden op elk terrein des levens in die burgermaatschappij de heerschappij der edeler en zuiverder begrippen nog gestadig uit te breiden. Of wil men korter gezegd : Een streng confessioneele kerk, maar^^^wconfessioneele burgermaatschappij, geen confessioneele staat.

Deze secularisatie van staat en maatschappij is één der diepste grondgedachten van het Calvinisme, ook al spreekt het vanzelf, dat het er niet in geslaagd is, deze grondgedachte aanstonds geheel zuiver uit te werken. Optredende in een wereld, die eeuwenlang een vlak tegenovergesteld denkbeeld gekoesterd en in practijk gebracht had, kon het Calvinisme niet dan van lieverlede zijn nieuwe levensgedachte ontwikkelen. Maar de uitkomst toont dan toch, dat deze zijne grondgedachte telkens meer veld wint, en dat de voortgaande ontwikkeling in het leven der volkeren steeds meer deze secularisatie van staat en maatschappij tot haar recht doet komen. Dat de valsche idee der Fransche Revolutie hier tijdelijk bij inschoof, en daardoor de doorwerking der grondgedachte van het Calvinisme vervalscht werd, is zeker niet tegen te spreken, maar dat heft het feit niet op, dat het Calvinisme uit zijn eigen wonel de overtuiging geteeld heeft, dat de „gemeente van Christus", omdat ze streng confessioneel moest zijn en de Christelijke tucht moet handhaven, geen Volkskerk zijn kan, en dat deswege het Christelijk karakter der maatschappij niet kan gezocht worden in den Doop van alle volksleden, maar te zoeken is in den invloed die van de gemeente des Heeren op heel het volk en heel de inrichting van het vaderlandsche leven uitgaat. De gemeente van Christus beoogt door haar invloed op staat en burgermaatschappij niet anders dan een zedelijken triomf, niet het aanleggen van confessioneele banden, noch ook de uitoefening van autoritaire heerschappij. Het voorbeeld van deVereenigde Staten van Amerika toont dan ook, hoe de verschillende afdeelingen der Christelijke kerk, zoodra alle saam zich op ditzelfde standpunt plaatsen, niet alleen den onderlingen strijd opgeven, om saam in vrede te wedijveren op geloofstcrrein, maar ook, juist dank zij die goede onderlinge verstandhouding, veel hooger invloed op de civiele en nationale toestanden uitoefenen, dan de machtigste Volkskerk ooit vermocht.

De tegenstelling tusschen de kerk en de ivercld kan alleen op die manier weer tot haar recht komen. Thans is die tegenstelling óf een fictie óf wel ge moet de wereld in de kerk zoeken. Tot op zekere hoogte kan men zeer zeker zeggen, dat „de wereld" te zoeken is in de .sferen van het Heidensche, Mahomedaansche en Joodsche leven, maar die tegenstelling, heeft geen oogenblik vat op ons hart. Als de Heihge Schrift ons de gemeente van Christus toont als tegen de wereld overstaande, en ons waarschuwt tegen wereldgelijkvormigheid, bedoelt ze een niet-Christelijk gehalte van het leven, waarmee we dagelijks in aanraking komen, en waarvan we dagelijks de verleiding ondergaan. Waar is nu voor ons die wereld te vinden.' En bij die vraag wijst men u op wereldsche kringen, op wereldsche gezelschappen, op wereldsche vermaken, op wereldsche literatuur en wereldsche instellingen. Edoch, als ge nu de personen nagaat, die deze wereldsche kringen vormen, dan bevindt ge, dat ze zoogoed als allen gedoopt, tot het heilig Avondmaal toegelaten, en leden van Christus' kerk zijn. De tegenstelling tusschen kerk en wereld bestaat alsdan niet, maar in de gemeente bestaat er tegenstelling tusschen Christenen, die wezenlijk belijden, en naam-Christenen, die geheel tegen het wezen der kerk overstaan. Gaat ge daarentegen inzien, dat die duizenden en duizenden personen, die inderdaad en in waarheid aan niets gelooven, aan geen bekeering denken, en met het heilige den spot drijven, dus ook niet in Christus' kerk thuis hooren; dat de kerk zich van deze heeft af te zonderen, om weer te stoelen op eigen wortel; en dat de kerk van Christus, tot die kleine proportie inge­ krompen, maar weer wezenlijk kerk geworden, juist dan weer haar invloed op staat en maatschappij zal kunnen uitoefenen, dan keert ook op eenmaal de Schriftuurlijke tegenstelling tusschen kerk en zvereld terug; dan worden kerk en wereld twee grootheden; dan heeft de kerk yan Christus haar aanwijsbare grenzen; en dan heeft het weer zin om der kerk toe te roepen, dat niet zij den verderfelijken invloed der wereld ondergaan moet, maar harerzijds een zegenenden, heiligenden en verfrisschenden invloed op die wereld'h.z& it uit te oefenen. Wat „wereldgelijkvormigheid" is, zal dan weer worden verstaan.

Onze tegenstanders zien hieruit, dat zij ten onrechte beslag leggen op het privilege, alsof alleen zij zelven een hart hadden voor heel de maatschappij, voor heel het volk en voor heel den burgerstaat. Dat is integendeel ons met hen gemeen. Verschil ontstaat tusschen hen en ons eerst bij de vraag, hoe de zegen van Christus' gemeente op heel die burgermaatschappij moet uitgaan. Of die zegen uitkomt hetzij rechtstreeks, door heel het volk, belijdend of niet belijdend, geloovig of niet geloovig, in den .schoot der kerk op te nemen; of wel middellijk door de kerk als een stad op een berg in het midden der burgermaatschappij te laten liggen, en zijdelings invloed ter verheffing en ter veredeling van haar op de burgermaatschappij te laten uitgaan. Natuurlijk blijft het ook ons begeeren, en onze bede, of we al onze landgenooten tot de volle belijdenis van het Evangelie brengen mochten. Maar dit afgebeden resultaat is nooit bereikt, en zoowel in vroeger eeuwen als nu, maar thans in klimmende mate, toont de uitkomst, dat verreweg het grooter deel van onze landgenooten principieel vijandig tegen het Evangelie overstaat ofte wel het lauw-Laodiceesch ignoreert. Vindt nu in Christus' kerk, naar luid van onze Belijdenis, alleen hij een plaats, die „van harte gelooft en met den mond belijdt", dan is het hiermee voor elk man van Gereformeerden huize beslist, dat, wat ook de toekomst brenge, er voorshands moet gerekend worden met een toestand, die onder onze landgenooten het kleiner deel in de kerk, en het grooter deel in de wereld haar plaats doet vinden. En dit nu zoo zijnde, baat het niet, of ge de zegening van uw volk al zoekt in aller toebrenging, die nog steeds toefde en op verre na niet kwam, en blijft u geen andere weg open, dan om uw volk en vaderland zijdelings en middellijk te zegenen, doordien ge de kerk van Christus weer een stad op een berg doet zijn, en van haar dien invloed laat uitstralen, die het kwaad in de wereld stuit en het leven van de burgermaatschappij verheft, door de werking der gemeene gratie in het leven der wereld te versterken. Niet een kerk, die om groot te schijnen, de leugen in de slippen van haar kleed draagt, maar alleen een „gemeente des Heeren", die het Verbond Gods heihg houdt, en zich bescheidener afmetingen laat welgevallen, stelt zich zedelijk aan, en kan daardoor zedelijk invloed uitoefenen.

Deze eenigzins uitvoeriger bespreking van de Volkskerk was hier noodig, omdat een zoo aanmerkelijk deel van de werking der gemeene gratie onzichtbaar blijft, zoolang de Volkskerk over het gemeene terrein des levens is heengebouwd. We laten daarom wat er meer in verband met de Volkskerk te zeggen ware rusten. Het was ons hier uitsluitend te doen, om dit meest voorbijgeziene, wijl bedekte, stuk der gemeene gratie weer bloot te leggen; en keeren thans tot de beteekenis van dat stuk der gemeene gratie met het oog op de bekeering terug; een beteekenis die thans vanzelf zal begrepen worden, als we de bekeering van een Heiden in een Heidensch land met de bekeering van een gedoopt kind hier te lande vergelijken. Bij de Zending klaagt men, en zeer terecht, gedurig over de onvolkomen wijze, waarop zich het Christelijk leven en de Christelijke belijdenis bij een bekeerden inlander uit. Wie uit onze kerk naar Java of Soemba gaat, en daar kennis maakt met de Christeninlanders, ziet zich bitter teleurgesteld. Hier te lande viel reeds veel klacht over gebrekkige kennis der Schrift, over gebrek aan inzicht van de Christelijke waarheid, over min geestelijken zin, en over minder^ puriteinschen ernst van het leven ; maar wat blijft er van dit alles over, als men gelijken maatstaf als hier te lande aanlegt bij zulk eèn bekeerd Javaan} Dan vraagt men zich onwillekeurig af, of niet alles op zelfbedrog en misleiding berust, en of niet elke gedachte, alsof onder deze volkeren met vrucht Zending ware te drijven, voorgoed moet worden opgegeven. Die indruk nu is natuurlijk. Wie verzuimt zich rekenschap te geven van de geheel verschillende conditie waaronder een Heidenin een Heidensch, of een Mahomedaan in een Mahomedaansch land tot bekeering komt, en zich zoo inbeeldt, dat hij het op Java zal vinden als op Walcheren, en op Soemba ongeveer zooals op Urk, moet bitter teleurgesteld en bedrogen uitkomen, en loopt zeer ernstig gevaar, zich in onbetamelijke geestelijke inbeelding verre boven den Christeninlander verheven te gevoelen, en de liefde die naar hen uit moest drijven, te laten verkoelen.

Maar heel anders komt dit oordeel te staan, en heel anders wordt de blik waarmee we deze toestanden bezien, indien we letten op de geheel verschillende hulpe die de gemeene gratie bij het werk der bekeering én hier te lande én op Java verleent. Toen het Christendom pas de wereld inging, is het niet in de eerste plaats opgetreden bij de lager staande volken, die den zegen der gemeene gratie slechts in zeer beperkte mate hadden genoten, maar integendeel onder die volken van de Levant, bij wie de werking der gemeene gratie, dusver het sterkst was geweest. Afgezien nu van de vraag, of ook niet reeds destijds enkele Evangelieboden naar Scyten en Parten zijn uitgegaan, staat het feit vast, dat de Christelijke kerk het eerst tot vaste formatie gekomen is te Rome en Athene, in Klein-Azie en in Egypte, alzoo juist in die streken, waar de Romeinsch-Grieksche beschaving den hoogsten dusver bekenden levensvorm bereikt had. Een maatschappij, waarin mannen als Plato en Cicero konden optreden, stond uiteraard destijds reeds onvergelijkelijk veel hooger, dan de maatschappelijke toestand, waarin wij thans nog den inlander op Borneo en Java vinden. Langs wat weg die toenmalige beschaving tot die hoogte was opgeklommen, en welken invloed ten goede o. a. de Joodsche koloniën, die over heel het Roomsche rijk verspreid waren, hadden uitgeoefend, laten we thans in het midden. Genoeg is het ons, het feit te constateeren, dat de Christelijke kerk, om haar intrede in de wereld te kunnen doen, haar loop zich zag aangewezen onder de volken, die destijds het hoogst stonden; Eerst nadat de Christelijke kerk onder deze volken tot vaste vormen was gekomen, is het Evangelie twee, drie eeuwen daarna ook uitgegaan onder de minder vergevorderde Keltische en Germaansche stammen. En waar nu zelfs in deze hooger staande Grieksch-Romeinsche wereld, het doordringen van den geest van Christus, ook blijkens de apostolische zendbrieven, zoo moeilijk ging, daar spreekt het toch wel vanzelf, dat gelijke moeilijkheid zich nog in veel hooger mate moet voordoen, waar wij door onze Zending het Evangelie pogen te brengen in een zooveel lager staande maatschappij, gelijk we die vinden in onzen Indischen Archipel. Vooral, dat het daar voorshands bereikbare een uiterst pijnlijken indruk moet maken, zoo we het vergelijken met wat hier te lande in onze beste kringen gevonden wordt. Het is dan ook ongetwijfeld een niet geringe fout, dat men bij het werk der Zending zich zoo zelden, en zoo weinig rekenschap heeft gegeven van de verschillende stadiën, waarin de gemeene gratie voorbereidend voor het werk der bekeering optreedt.

Hiermede is in het minst niet bedoeld, dat de bekeering zelve ooit product van de gemeene gratie zou zijn. Bekeering is uitwerking van wedergeboorte, en alleen bij een wedergeborene mogelijk en denkbaar. Meer nog, de uitwerking van de wedergeboorte in de bekeering, later in de heiligmaking, komt nooit tot stand dan door de inwerking van den Heiligen Geest, en behoort, overmits ze doelt op het eeuwige leven, onvoorwaardelijk tot de particuliere genade. Maar voor een plant maakt het immers een alles afdoend verschil in welken bodem ge haar laat opgroeien. Is die bodem vet, rijk, sappig, malsch, en met den aard van de plant overeenstemmende, dan zal de groei van de plant in den bodem welig en weelderig zijn. Zet ge daarentegen die zelfde plant in een schralen bodem, die arm, steenachtig en droog is, dan zal de plant daarin wel uitkomen, maar een zeer schraal gewas opleveren. Reeds onze gewone landbouwers weten dit zeer wel, en maken daarom onderscheid tusschen land en land, en weten haarfijn welk gewas op den eenen en welk gewas op den anderen bodem gedijen kan. Komt nu daarom het gewas uit den bodem.? Stellig niet. Het gewas komt uit het zaad of uit de stek, en dat zaad en die stek is één en hetzelfde, onverschillig of de bodem vet of arm, geschikt of niet geschikt is. En zoo nu ook blijft het zaad der wedergeboorte één, en is steeds van buitenaf inkomende, maar als ditzelfde zaad der wedergeboorte de ééne maal valt in den

weltoebereiden akker van een hoogstaand Jeven, en de andere maal in den schralen bodem van een laagstaand volksleven, moet de uitkonist van het gewas wel zeer verschillend zijn. De plant blijft dan wel van het echte soort, want het zaad was het ware zaad, maar de akker waarin het viel was zeer uiteenloopend, en dat uiteenloopen van den akker ontstond door de verschillende mate waarin de gemeene gratie aan het ééne of aan het andere volk was toebedeeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 februari 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken