Bekijk het origineel

Jets ober de Mohammedaansche feesten op Jaba.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jets ober de Mohammedaansche feesten op Jaba.

6 minuten leestijd

In de mededeeling van de discussiën over de Regeeringsbijdrage aan offerfeesten op Lombok, in de Heraut van 12 Deo. a.p. wordt o.a. vermeld, wat door Z. E.xc. den Minister van Koloniën is gesproken over complimenteering van de Inl. hoofden en anderen, bij gelegenheid van hunne feesten.

Vergun mij in aansluiting hieraan iets uit mijn eigen ondervinding en handelwijze U mede te deelen met betrekking tot die zelfde zaak, met beleefd verzoek hel in uwe kolommen te willen opnemen. Aan het slot zegt de - Minister ook nog: „omgekeerd doen zij (de Inl. hoofden) het ook aan ons". Dit berust (in dat verband gesproken) op een dwaling, gelijk beneden zal blijken.

Toen ik nog pas kortelings op Java was aangekomen, ging er te Djapara, tegen den tijd van het eindigen der Moh. vasten, vanwege den Ads. resident een circulaire rond, waarin de ingezetenen werden uitgenoodigd den Inl. regent gezamenlijk te gaan complimenteeren, „met de intrede van het nieuwe jaar". Ik kon niet denken dat in een officieele bestuursaanschrijving op zulk een punt van volksgewoonte en - godsdienst een dwaling zou voorkomen, en ging dus met al de anderen op den bepaalden dag tot den regent en wenschte hem „salamat tahoen beharoe" (geluk in 't nieuwe jaar). Ik onderstelde namelijk dat ook werkelijk bij het einde der vastenmaand, zoo niet van het burgeriijke, dan van een godsdienstig jaar de wisseling plaats had. Ware dit juist, en bedoelde de gewone complimenteering bepaaldelijk die verwisseling, dan had de Minister gelijk gehad met wat Z. Exc. in dat slotwoord sprak; want inderdaad complimenteeren de Inl. hoofden en anderen ook ons met ons nieuwjaar. Op den dag dat de Chineezen een nieuwen jaarkring beginnen te rekenen, zenden wij (ook ik) hun felicitatiekaartjes; en dan vraag ik niet wat daarbij plaats heeft aan afgoderij en andere bijgeloovigheden, maar weet ik alleen dat het dan werkelijk hun nieuwjaar is. Bij de Mohammedanen staat de zaak geheel anders. Laat mij dit nu aantoonen.

In het tweede jaar van mijn verblijf te dier plaatse hadden we een anderen ads.-resident gekregen. Deze zond op den gewonen tijd insgelijks een circulaire rond; maar die luidde naar waarheid: „Complimenteeren met het beëindigen van zijn vasten." Ook had ik onderwijl het rechte inzicht in de zaak bekomen; en zoo dacht ik: iemand geluk te wenschen met iets waarvan hij zelf wel heel veel geestelijk heil verwacht, maar waarvan ik weet dat het hem in wezenlijkheid geen heil hoegenaamd kan aanbrengen, en dat het hem integendeel steeds verder van de alleen zaligmakende genade afleidt, dat zou leugen en huichelarij zijn, .en het zou hem nog in zijn jalhmerlijke dwaling versterken. Alzoo besloot ik niet mede tot hem te gaan.

Toch bracht ik hem, zoowat een maand later, een beleefd bezoek, en vraagde hem bij die gelegenheid, eerst of met het einde van de vastenmaand voor hem een nieuw jaar aanving, hetwelk hij stellig ontkende, mij verzekerende dat de gelukwenschingen op dat tijdstip alleen betroffen het beëindigen van de vasten. Daarna vraagde ik hem of hij en zijn gelijken ons Christenen wel eens kwamen gelukvvenschen bij onze Christelijke feesten, z. a. Paschen, Kersttijd en drg. Op zijn evenzoe ontkennend antwoord zeide ik dat dit ook wel van zelf sprak en wij hem op zijn standpunt alle recht toekenden om zich daarvan te onthouden, alsmede dat ik dus ook voor zeker hield dat ook hij het mij niet kwalijk zou afnemen dat ik hem niet kon gelukwenschen bij 't beëindigen van de vasten, als zijnde een zaak die zijn godsdienstige beschouwing betrof. Omtrent dit laatste verzekerde hij mij volmondig het tegendeel; en sedert, hoewel-ik hem_ nooit ben komen complimenteeren voor die zaak, terwijl alle andere Europeanen het wel deden, heeft hij mij altijd, tot op zijn doodbed toe, de innigste toegenegenheid betoond.

Later, te Pati mij gevestigd hebbende, _ heb ik den toennialigen, sedert overleden, regent alhier de zelfde vragen voorgesteld met geheel dezelfde uitkomst.

Inderdaad denkt geen enkele Javaan of andere Moammedaan bij 't einde van de poeasamaand aan een erwisseling des jaars. Alleen dat op dien dag, de eerste er volgende maand, kinderen en bloedverwanten zamentroomen om het hoofd der familie hulde te bewijzen egens het volbrengen van den godsdienstplicht, brengt nkundigen onder ons in den waan dat het da.n hun ieuwjaar is. In de berekening van de maanden is aanenomen dat de maand SoerS de eerste van het jaar is oodat de iste van Soera hun nieuwjaarsdag zou zijn. aar die wordt nergens gevierd of herdacht dan alleen an de hoven in de Vorstenlanden. Het gelukwenschen p den eerst besproken dag betreft dan ook uitsluitend et volbrengen van de vasten, en is bovendien nog wel enigszins voorbarig; want dewijl er licht eenige gebreken an hebben gekleefd, voegt men er algemeen dan nog even dagen vastens aan toe ter verrekening, waarna nog eer nieuwe feestelijkheden eu vreugdebedrijven volgen.

Zoo dan, de Inl. hoofden en anderen complimenteeren ons wel met ons nieu-ivjaar (wat van onze zijde jegens hen 7iiei kan plaats hebben), maar natuurlijk nooit doen zij dat met onze godsdienstige gedenkdagen; zoodat er volstrekt niet kan gezegd worden: „Wederkeerig doen zij het ons ook."

'De antwoorden der beide regenten doen ten duidelijkste blijken dat, ook in de beschouwing der Iiilanders, hun felicitatie met ons nieuwjaar ons in 't allerminst niet verplicht hun eenig compliment te maken of presentjes te geven voor plechtigheden die rechtstreeks met hun godsdienst in verband staan, en allerminst voor offeranden aan heidensche goden (volgens de Schrift niets anders dan demonen.') Zelfs moet al wie in dat opzicht Christelijk denkt, het ervoor houden dat een bijdrage voor zulke offers voor den heiden de beteekenis heeft dat wij hun goden als iels wezenlijks en aanbiddenswaardigs beschouwen, zoodat we hen daardoor versterken in hun treurige dwalingen. En zoo is dat dan een rechtstreeksche tegenwerking van de Evangelische Zending, een loochening en afbreking van het goede getuigenis dat de Minister aan die Zending geeft. Hoe kan men heil verwachten van zulk een hinken op twee gedachten, van zulk een zig-zag-gang in het bestuur! Immers die Inlanders moeten wel den zendelingen antwoorden: wat tracht gij ons van onze godsdienst af te brengen, terwijl u^v eigen Regeering ze huldigt en steunt! Gij maakt uw eigen Regeering tot leugenaar en handelt tegen haar beschikking in; en daarom willen wij niets van u weten!

Neemt de Regeering daarvan de verantwoording op zich voor den heiligen God en voor Christus, die ook die volken met Zijn Bloed gekocht heeft, om ze voor Zijn Rijk te winnen?

Fati, II Jan. 1898.

P. JANSZ.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Jets ober de Mohammedaansche feesten op Jaba.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken