Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

9 minuten leestijd

Over het personeel der Zierenver pleging lazen we in het Holl. kerrblad dit:

De geachte Directrice van Eudokia geeft in het Geref. Maandblad de volgende wenken:

Meer en meer zal het voor de stichtingen van barmhartigheid een der levensvragen worden: hoe komen wij aan het personeel, dat wij noodig hebben ? Ds. V. d. Hoogt verzocht de predikanten deze zaak ernstig met de jeugdige belijdende leden te bespreken en ik twijfel niet of menige jonge broeder of zuster, die tot nog toe ledig op de markt stonden, zullen aan die roepstem gehoor geven, en zich aanmelden om in de eene ofandere stichting geplaatst te worden. Ik gevoel mij echter gedrongen er aan de dienaren des Woords een ander verzoek bij te doen; en wel, om eer zij bepaalde jongelieden aanraden zich aan te melden te onderzoeken hoe het in de huisgezinnen gesteld is, vooral waar het de zusters geldt. De Schrift zegt uitdrukkelijk: zoo de moeder zoo de dochter, en de ervaring heeft ook ons geleerd, dat, op zeer enkele uitzonderingen na, meisjes uit gezinnen waar de moeder meer Gereformeerd scheen dan ze was, voortdurend moeite veroorzaakten, en ten leste moesten losgelaten worden. Mag ik dit even nader toelichten?

Een eerste vereischte voor een pleegzuster is •waar te zijn in alles. Ik bedoel niet om alles te zeggen wat men weet of denkt; om, zonder het geschikt oogenblik af te wachten, maar te doen wat gedaan moest worden, enz. Terecht is er in ons maandblad op gewezen, dat een zuster ook ^tbeleid" moet kennen. Het optreden der zuster moet waar zijn. Dan eerst zal zij het vertrouwen hebben van de patiënten die aan hare zorg worden toevertrouwd, van den geneesheer en van degenen die over haar gesteld zijn. Is er daarentegen reden om te twijfelen, dan komt er iets verkeerds in de verhouding, dat niet is weg te nemen door andere goede geesteseigenschappen, zooals zachtheid, hulpvaardigheid, enz. Er is en blijft eene hapering, die de bron wordt van allerlei verdrietelijkheden, zoowel voor de zuster als voor de anderen, en haar, zoo zij het in en door Gods kracht niet bestrijdt en overwint, ongeschikt doet zijn voor de taak, waartoe zij zich geroepen meende. Is dus waar te zijn de eerste voorwaarde om te kunnen slagen, dan voelt men, dat een meisje uit een gezin, dat alleen in naam gereformeerd is, de zwaarste kamp op dit punt zal hebben.

In zoo'n gezin toch is het leven innerlijk onwaar, en als nu een meisje ongeveer twintig jaren in een onwaren leugenachtigen toestand heeft verkeerd, en dat nog wel de eerste twintig levensjaren, is er dan niet veel strijd te strijden, voor dit kwaad in zooverre is overwonnen, dat het geen hinderpaal voor de omgeving is, en voor het werk dat ons op de hand is gezet, ook al nemen wij aan dat de Heere een beginsel van genade in het jeugdig harte heeft gelegd. Misschien vindt menig lezer de uitdrukking, dat in zulk een gezin een leugenachtige toestand heerscht, wel wat te kras. Maar ik vraag u: is het geen leugen voor God en menschen, als men vroom spreekt met de predikanten, ouderlingen en andere vromen en prijs stelt op den naam van rechtzinnig te zijn, als men buitenshuis strijdt voor de waarheid en in huis de kracht dier waarheid door niemand wordt ervaren of het moest zijn in den zin als zeker pleegdochtertje van ongeveer negen jaar ondervond van zekere als zeer vroom bekend staande vrouw. Deze had breede vuurroode zijden linten gebonden om de vlechten van dit kind en toen het meisje begrijpelijker wijze er in de kerk mede zat te spelen, zeide ze, toen men tehuis was tegen het meisje: de duivel zal u bij die linten nog in de hel sleuren. Is het geen leugen, als men den mond vol heeft van de ijdelheid dezer wereld en ondertusschen niet weet hoe huis en lichaam op te pronken, als men elk die het maar hooren wil vertelt, hoe slecht men wel is, hoe schuldig en doemwaardig voor God en opstuift bij het minste vaak gewaande onrecht, dat menlijdt of kwaadspreekt van familie, vrienden en buren ? Is het geen leugen als men steen en been klaagt over de moeielijke tijden, de geringe verdiensten enz., als er eene gave gevraagd wordt voor Gods kerk of Zijne ellendigen, en straks er op uitgaat om allerlei overtollige weeldeartikelen te koopen? Zoo zouden wij kunnen voortgaan doch waartoe meer. De lezeressen van Bethesda kunnen het gemakkelijk verder uitbreiden. En zouden nu moeders, die hunne dochters zoo voorgaan, werkelijk meenen, dat deze de geschikte personen zouden zijn om den Heere te dienen in het werk der barmhartigheid? Helaas zoo dwaas is men nog, want als dan na veel moeite met zoo'n meisje doorleefd te hebben, verklaard moet worden, dat ze blijkt ongeschikt voor haar werk te zijn, zijn het juist zulke moeders, die door allerlei onware voorstellingen van gebeurde dingen den indruk bij anderen trachten te vestigen, dat hunne dochters eigenlijk te vroom voor deze of die stichting waren.

Daarom, wil men de stichtingen van barmhartigheid eenen wezenlijken dienst bewijzen, raad dan het meisje, dat zulk een moeder heeft, eer af dan aan om zich aan het werk der barmhartigheid te geven, tenzij men beslist weet dat het meisje zelve er het zondige van inziet, en er tegen strijdt. Toch zou het dunkt mij in zoo'n geval wenschelijk zijn dat men zich aangaf in eene stichting zoo ver mogelijk van het ouderlijk huis, omdat de verkeerde invloed van de moeder dan minder werken kan. Blijft men toch in dezelfde stad dan ontstaat er strijd tusschen het gezin en de stichting en deze kan niet anders dan noodlottig voor de zuster zijn. Ik wi! hopen dat de lezeressen dit schrijven niet euvel zullen opnemen, maar dat het voor menige moeder tot een prikkel moge zijn om haar huis zoo te bestieren als Gods Woord onï^eene deugdelijke huisvrouw teekent. Dan zullen ook volgens de belofte des Heeren de dochters een sieraad en eere voor Gods kerk zijn, en roept de Heere ze tot den dienst der barmhartigheid, dan zal zulk een meisje daar werkzaam kunnen zijn tot heil van velen en tot vreugde van die over haar gesteld zijn.

Ook al had misschien een enkele kleur hier iets minder sterk kunnen getint zijn, de hoofdstrekking van dit betoog beamen we geheel.

Ziekenverpleging begint een modeartikel te worden, en dan staat de groote najaarsopruiming voor de deur.

Ook wat Bethesda nogmaals in zake van verpleging van mannelijke patiënten schrijft verdient in hooge mate de aandacht.

De wijze, waarop de ziekenverzorging moet plaats hebben, begint hoe langer hoe meer de aandacht te trekken.

In Holl. Kerkbl.-no. 456 schreef Ds. Sikkel een stuk met bovenstaand opschrift, dat te goede wenken bevat, om ze niet onder de oogen onzer lezers te brengen.

Gaarne stellen wij ook de bescheiden ruimte in Bethesda, aan ons afgestaan, aan den geachten Redacteur van Hollands Kerkblad ter beschikking, wanneer hij de lezers daarin dienen wil met zijn gewaardeerde adviezen. Het vraagstuk van de ver­ pleging van mannen door mannen, en niet door vrouwen, begint allerwege aan de orde te komen.

De Stichting te Heemstede, waar men ook zoogenaamde Diakonen opleidt, is bekend.

Ook zijn hier en daar mannelijke verplegers gratis beschikbaar gesteld in sommige Hervormde gemeenten van onze groote steden.

In de Maart-aflevering van de Westminster Review wijst ook Dr. Prosser James op het uiterste, waarin wij naar zijne meening nu weer dreigen te vervallen, door in de ziekenverpleging te handelen, alsof mannelijke ziekenverplegers geheel overbodig zouden geworden zijn.

Vooral in Engeland hechtte men dan ook, zoo lezen we in een der afl. van de «Wetenschappelijke Bladen", meer nog dan elders, aan de onmisTcenbare bezwaren, die zich nu en dan door de dikwijls uitsluitende beschikbaarheid van vrouwelijk verplegingspersoneel, ook voor mannelijke zieken en bizondere gevallen, deden gevoelen. Met het oog daarop ontstond in het jaar 1885 in Londen de Hamilton Association for Providing Male Nurses.

Daze vereeniging noemde zich aldus naar eene thans overledene Miss Jame Hamilton, die zich aan het hoofd dier beweging gesteld had, en met haar geld de oprichting en instandhouding der vereeniging mogelijk maakte. De inrichting verkreeg dientengevolge het karakter van een filantropische, en heeft dat in hoofdzaak nog behouden. Er zijn nu en dan jaarverslagen verschenen, waaruit blijkt, dat er wel behoefte aan zoodanige aanvulling van het personeel der ziekenverpleging bestond.

Verscheidene bekende geneeskundigen juichten dit denkbeeld zeer toe, en verzekerden, dat de behoefte aan goed onderleide en geschikte mannelijke verplegers, zich vrij dikwijls deed gevoelen.

Op een vergadering, die daarna plaats had, werd er op gewezen, dat in Militaire hospitalen de verpleging op uitstekende wijze plaats had door mannen, die daarvoor opzettelijk op doelmatige wijze worden opgeleid. Ook een ander geneeskundige sprak in denzelfden geest, en deelde een aantal voorbeelden mede van gevallen, waarin hij ook bij zijn private patiënten somtijds gaarne aan mannelijke oppassers de voorkeur zou hebben gegeven, maar die waren meestal niet te krijgen.

Twaalfduizend gulden werden door Miss Hamilton beschikbaar gesteld om mannelijke verplegers op te leiden. In de laatste vergadering derBritich Medical Association te Dublin bleek het, dat eigenlijk alle geneeskundigen van het wenschelijke der beschikbaarheid van goede mannelijke ziekenverplegers in vrij veel gevallen overtuigd waren. In Engeland komt dan ook deze zaak telkens ter sprake.

Op de wenschelijkheid der opleiding van goede mannelijke verplegers wordt daar gewezen, terwijl sommige bestaande instituten voor het opleiden van ziekenverpleegsters besloten hebben, een afdeeling op te richten waar ook verplegers onderricht kunnen ontvangen. Men vestigt dan daarop nu aan alle zijden de aandacht. In de practijk ging men zelfs hier en daar reeds voor met de noodzakelijkheid van de verpleging' van sommige zieken door mannen te erkennen, zoodat deze kwestie wel raag geacht worden aan de orde te zijn.

Mannelijke hulp is in meer dan één geval onafwijsbaar noodig. Want al is het dat nood wet kan breken, dat geldt niet als men den nood heeft kunnen voorzien en er zich naar had kunnen inrichten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken