Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

IN HET BOSCH.

II.

De ruiters hadden den knaap niet bespeurd. Maar de hond, door zijn reuk geleid, bemerkte iets vreei-^ds en sprong luid blaffend op den perenboom toe.

„Nero, terug!" riep een der ruiters, die ettelijke schreden achter de anderen aankwam. Maar de hond lette niet op den roep, en bleef blaffend en snuivend op dezelfde plek.

„Hier Nero!" riep met forsche stem de voorste ruiter. Thans sprong de hond dadelijk '^vegnaar zijn meester. Doch hij joeg niet als anders verder den weg over, maar sprong tegen zijn heer op, legde de voorpooten als smeekend op het zadel, keerde tpen snel om, en draafde terug naar de verlaten • piek. Tegelijk liet hij weder een geblaf hooren, dat veeleer een roepen om hulp scheen, dan een uiting van boosheid.

„Wat scheelt dien hond toch? " riep de eerste ruiter den anderen toe.

„Hij zal een haas gespeurd hebben, heer", was het antwoord van den knecht, die dadelijk den hond weer terugriep. Maar deze gaf om 't bevel van den rijknecht al even veel of even weinig als zooeven. Hij sprong weer op zijn heer toe, en krabde tegen het zadel, als wilde f hij den man met geweld van het paard trekken.

„De hond doet vreemd", sprak de ruiter. „Om een stuk wild zal Nero 't niet wagen mij ongehoorzaam te wezen. Stijg af, Hans, geef mij de teugels van uw paard, en zie eens wat het dier dan toch in het bosch is tegengekomen."

De rijknecht gehoorzaamde. Door den hond begeleid, die onder vroolijk geblaf vooruitsprong, ging hij op den perenboom toe.

Een oogenblik later weerklonk een klagend geluid, blijkbaar van een menschelijke stem. De knecht had den jongen vluchteling onzacht nit zijn schuilplaats getrokken en sleepte hem nu naar zijn heer.

Wat hebt gij daar? " vroeg deze. „Een jong ventje, " was 't antwoord. „Hij zat achter een boom verscholen. Maar wat hem scheelt weet ik niet; 't schijnt dat hij niet op zijn voeten staan kan."

„Ik heb mijn voet verstuikt", knaap er verklarend aan toe.

De ruiter, wien de zaak misschien verdacht voorkwam, sprak op strengen toon den jongeling aan :

„Hoe komt het, dat ge in zulk een laat uur nog een schuilplaats op het veld zoekt? "

„Ik moet toch een slaapplaats hebben voor den nacht, ik kan niet verder; mijn voet wil niet meer".

„Een vreemde slaapplaats in zulk een nacht", mompelde de knecht. Maar de ruiter ging voort met vragen.

„Van waar komt gij, knaap, en waar gaat gij heen? " .

De jonge reiziger gaf niet aanstonds antwoord. Hij scheen een poos verlegen wat te zeggen, en sprak toen:

„Ik wil den Rijn over en kom uit het Wurtembergsche."

Er scheen iets in het antwoord van den knaap de beide hoorders te treffen. De knecht liet een uitroep van verbazing hooren. De meester vroeg, maar veel minder streng dan te voren:

„Wie zijt gij dan toch, kleine man? Wie zijn uw ouders ? Hebben zij u al zoo jong de vreemde, wijde wereld ingezonden? "

Weer scheen het den knaap moeilijk, aanstonds op de vraag te antwoorden. Het bescheid dat hij eindelijk gaf, klonlc droevig en helderde ook niet veel op. 't Scheen dat het kin-' met meer wijsheid dan men van zijn jaren zou verAvacht hebben, liefst nog niet alles zei.

_ „Ik ben uit een adellijk geslacht, " zoo sprak hij; mijn vader stierf, toen ik nog heel jong was. Mijn moeder heb ik zelfs nooit gekend."

Bij deze woorden begon de knecht hard te lachen, als geloofde hij niets van heel het verhaal. Maar de ridderlijke heer deed gansch anders, en sprak bestraffend tot den dienaar:

„Lach niet Hans. Wat die knaap daar vertelt, is een bittere levenservaring. Zooals gij althans weten kunt, heb ook ik nooit een moeder gekend. Zij was reeds begaven vóór ik nog gedoopt werd. Ik weet ten mmste haar naam."

En nu zich tot den knaap wendende, zette de ridder zijn onderzoek voort.

„Maar wat heeft u toch op zoo vroegen leeftijd, reeds tot een vluchteling gemaakt, mijn jong: en? " zoo vroeg hij; „hebt gij een of anderen kwajongensstreek uitgehaald, en zijt uw verzorgers ontloopen."

't Was alsof de vreemde ridder, al kon men hem in de donkerheid niet zoo nauwkeurig beschouwen, door houding en stem den knaap vertrouwen had ingeboezemd. Althans zijn antwoord luidde nu aanstonds en met beslistheid.

„Het erfdeel dat mijn vader mij liet was klein. Mijn verzorgers meenden, dat ik als ridder niet zou kunnen leven ; daarom wilden zij mij in een klooster doen, mij tot monnik maken. Ik kon dan wellicht later als geestelijke werkzaam zijn.

Zij hebben het misschien goed met mij bedoeld, en zich voorgesteld, dat ik als kloosterbroeder een gemakkelijk leven zon leiden ...."

„Gij had het ook, daar ge uit een adellijk geslacht zijt, tot domheer kunnen brengen", sprak de, ridder, „en dan zoudt ge toch een man van aanzien wezen in het land.'

„Ja, maar ik wil geen geestelijke zijn!" riep de knaap driftig uit, „ik deug er niet voor!"

„Nu bedaar wat, vriendje", sprak de ridder. „Uw verzorgers hebben het zéker toch zoo kwaad niet bedoeld. Maar gij hebt geen lust aan een rustige plaats in het klooster of aan een hoogen post in de kerk. Vindt gij het dan zoo veel aangenamer zonder bescherming te vluchten, en onder den blooten hemel honger en kou te lijden."

„Ja, dat toch nog liever", sprak de knaap met vaste stem. „Want weet, heer, hoe klein en gering ik er ook bij u mag uitzien, ik kan toch een paard berijden en een valk temmen."

„Nu al? " „Ja, edele heer; ook heb ik geleerd den armboog te spannen, de speer te werpen en op de fluit te spelen. Maar dan zou ik moeten stil zitten op een bank met een kussen, en den heelen dag lezen en letters teekenen. Dat kan ik niet. Het is buiten zoo ruim en vrij en heerlijk, en zij wilden dat ik mij binnen de kloostermuren zou opsluiten. Neen, heer ridder, dat gaat niet. Ik ten minste kan het niet. Daarom ben ik gevlucht, en wil den Rijn over. Ik zal in het nieuwe land daarginds wel een tehuis vinden. Daar wonen toch ook Duitschers.

(De streek die de jongen vluchteling bedoelde, de Elzas, was toen nog Duitsch gebied; later kwam zij aan Frankrijk, dat haar echter [na twee eeuwen weer verloor; 1871).

„Zeker, maar de vraag is toch, hoe en bij wien wilt gij dan leven. De kasteelen staan u maar niet zoo open."

„Nu goed", sprak de knaap met een vastbel'radenheid boven zijn jaren, „ik word nog liever knecht bij een boer of lijd honger en kou, zooals gij zeidet, op het open veld, dan in zoo'n gevangenis als een klooster te gaan."

De ridder zag de knaap verbaasd aan, en er sprak iets als ontroering uit den toon zijner stem toen hij antwoordde:

„Van dat al zal ook niets gebeuren, mijn jzoon. Ik kom ook uit het gezegende landWurtemberg, en ben even als gij een vluchteling. Maar toch heb ik nog macht genoeg om een armen knaap als gij zijt te beschermen." En zich tot den knecht wendende sprak de ridder:

„Hans, neem dien knaap achter u op 't paard." Hans, dien 't gesprek reeds te lang geduurd had, wilde den jongen optillen en op 't paard zetten, maar de knaap week terug en sprak met onvaste stem :

„Ik weet nog niet wie gij zijt, heer, en voor gij heen rijdt, geef mij uw woord, dat gij mij niet in gevangenschap zult brengen."

„Mijn ridderwoord", riep de ander luid en forsch. „Denkt gij dat ik een armen vluchteling zou verraden? Weet daarbij, mijn jongen, dat ik het recht heb, om, gelijk uw eigen vader, over u te beschikken. Vraag mij niet wie ik ben, ik vroeg u ook uw naam niet."

Nu verzette zich de knaap niet meer. Hij liet zich op 't paard tillen, en voort ging het nu zoo snel mogelijk door het woud.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 24 april 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken