Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

VEILIG BINNEN.

IV.

Het echtpaar, dat den molen bewoonde, had bij den tafel gezeten, gelijk nog merkbaar was. De vrouw was bezig geweest met spinnen, toen een zeer gewoon werk binnenshuis. De man had zitten lezen in bladen van grof, grauwwit papier met groote dikke letters bedrukt. Het boekdrukken was toen nog pas in zijn opkomst en wij mogen er de hand des Heeren in opmerken, dat die kunst werd uitgevonden juist tegen een tijd, toen zij een machtig middel moest zijn ter verspreiding van Gods Woord en Zijn kennis. Terecht zegt Da Costa er daarom van:

Hier is de vinger Gods. Wat ook ontheiligd werd door menschelijke trots

Of wrevel, hier was 't God.

Gedrukte boeken waren toen nog duur en zeldzaam. De bladen, waarvan ik zooeven sprak, had de molenaar dien dag van een rondreizenden kramer gekocht.

Bezoeken in den laten avond, en dan nog wel in stormachtig weer, kreeg de molen zeer zelden. Zoo was dan ook het reeds bejaarde echtpaar onverwacht gestoord in zijn avondrust, toen er aan de deur geklopt werd. De molenaar had voorzichtig eerst een luikje boven de deur geopend, en gelukkig den knecht aan de stem herkend. Toen haastte de man zich de zware, houten boomen weg te schuiven, die de deur vastsloten. De vrouw was intusschen met het licht naderbij gekomen. Zoodra echter ging de deur niet open, of de groote leeuwhond snelde naar boven en 't scheelde weinig of hij had de goede vrouw onderst boven geloopen, die een schreeuw gaf van schrik. Gelukkig echter deed hij haar niets, rende het vertrek in en zag daar met rollende oogen rond, als om een verborgen vijand op te sporen. Doch weldra keerde hij terug, tot nieuwen schrik der huisvrouw, en liep haar voorbij op Hans toe, die nu binnentrad, en tegen wien het dier kwispelstaartend opsprong.

„Stil Nero!" sprak Hans, terwijl nu ook zijn heer nader kwam, den knaap vriendelijk bij de hand leidend. De molenaar hield intusschen de paarden vast.

Het drietal, of liever het viertal, trad binnen, 't Was hier beter dan buiten; dat scheen zelfs de hond te bespeuren, die aanstonds zich dicht bij de kachel neervleide. Intusschen zette de molenaarsvrouw 't licht weer op zijn plaats, en wierp nu een onderzoekenden blik op haar gasten, die zij totnogtoe niet goed had kunnen opnemen.

Had de vrouw 't op den hond niet begrepen, op zijn heer al evenmin. Die ridderlijke heer zag er uit om ontzag voor te hebben. Zijn hou ding was zoo gebiedend, zijn oogen stonden zoo strak en somber in het bleeke gelaat. Zij voelde zich volstrekt niet op haar gemak, ook al begreep zij van dien heer geen kwaad te moeten duchten. Doch toen nu de ridder den knaap naast zich op de rustbank zette, en de huisvrouw den jongen zag, vergat zij eensklaps al haar beschroomdheid en riep uit:

„Dat jonkheertje rilt van de vochtigheid en de kou. 't Is veel te ruw weer voor zoo'n jonge bloed om u te rijden. Hoor eens hoe't stormt!"

De vrouw had geen ongelijk. Want de jonge reiziger was niet alleen doornat, maar ook zoo bleek en afgemat, dat het hem blijkbaar moeite kostte recht op te blijven zitten. Elk oogenblik ging hem een huivering over de leden. De ridder die dit bespeurde stond op, en zette zich met den knaap vlak voor de flink brandende kachel.

Inmiddels was de huisvrouw, wier hart geroerd was bij den aanblik van den jongen, naar de keuken gegaan, die aan de huiskamer grensde. In allen haast begon zij voor de vreemdelingen 't een en ander gereed te maken en wierp allereerst een groot blok hout op 't reeds uitgaande vuur in den haard, die tevens bakoven was. Daarna vulde zij een pan met havermeel en melk — een spijs toen en nu weer zeer algejneen — en hing 't over 't vuur te kook. Daarna

spoedde zij zich weder naar binnen, waar de knaap zich bij de kachel zat te koesteren, terwijl de ridder aan de tafel had plaatsgenomen en verdiept scheen in zijn gedachten.

„Ge zijt doornat, jonkheer", sprak de vrouw; „gij moet andere kleeren aantrekken".

„Als ik ze maar had, vrouwHef', was 't antwoord.

„Wacht", riep de huisvrouw, en verdween toen in de keuken. Een oogenblik later was zij terug, met een pak kleederen.

„Die zijn van mijn jongsten zoon", sprak zij, „ze zullen u wel wat te groot wezen, maar ze kunnen althans nu wel dienen. Als de jonkheer ze eens wil aanpassen. Mijn zoon is op 't oogenblik in Neurenberg en komt eerst over een paar weken thuis", voegde zij er bij.

De knaap haastte zich zijn natte kleeren uit te doen, en die van den molenaarszoon aan te trekken, welke zeker veel te groot waren, „maar", zooals de ridder zei, „hij behoeft er ook niet in te gaan wandelen en alles is droog en helder."

Terwijl nu de vrouw haar gasten verder alleen liet, en de molenaar met Hans de paarden in den stal zoo goed mogelijk verzorgde, zat de ridder peinzend met het hoofd in de hand voor zich uit te staren. Geen geluid werd in het vertrek gehoord, want de jonge gast scheen te sluimerig te zijn om iets te zeggen, dan nu en dan het snuiven van den reeds slapenden hond.

Daar buiten echter woedde de storm thans met kracht, en 't was gelukkig dat onze reizigers nog bij tijds een schuilplaats hadden gevonden, eer het noodweer zoo losbrak.

„Gij hebt een goed geheugen", sprak de molenaar tot Hans, „dat ge in zulk weer mijn molen kondt vinden".

„Daar heeft de hond meer eer van dan ik", was het antwoord. „Maar daarbij, de nood maakt vlugge beenen en scherpe oogen. Ik ben dankbaar dat ik hier ben".

AAN VRAGERS.

Onze lezer W. V. J.Jz. te H. doet twee vragen. De eerste luidt:

„Wanneer drie personen naast elkander gaan of zitten, hoort men vaak de uitdrukking bezigen: „de deugd in 't midden." Nu heb ik altijd gedacht, dat dit gezegde terugslaat op de kruisiging van den Heere Jezus, die, gelijk wij weten, in 't midden hing tusschen twee moordenaars.

Daarom was het mij altijd pijnlijk, zoo te hooren spreken, en kon ik niet nalaten zulks te openbaren.

Ik heb de ondervinding opgedaan, dat menigeen het houdt voor een zeer gewoon gezegde, zonder directe beteekenis; het wordt daarom dan ook zonder bezwaar gebezigd. Wat is uw oordeel ? "

De uitdrukking: „de deugd in 't midden" is met vrij groote zekerheid zoo te verklaren als onze vriend dat doet, schoon er aanstonds bij moet gevoegd, dat zij op zichzelf reeds niet deugt. Want den Heere Christus aan het kruis „de deugd" te noemen, is om zeer vele redenen gansch verkeerd.

De uitdrukking dankt haar ontstaan aan de afbeeldingen van de kruisiging.

, Maar behalve onjuist is het gezegde zeer verkeerd, omdat het van heilige dingen een soort grap maakt. Dit deugt nooit, al geschiedt het soms onnadenkend. De zaak die 't hier betreft is zoo ontzettend ernstig, dat ook maar 't geringste denkbeeld, om er lichtzinnig over te spreken, streng moet afgekeurd.

Dit geldt in 't algemeen van meer wat in Gods Woord voorkomt. Hoe dikwijls leest men b. v. of zegt: „den inwendigen mensch" versterken.

Deze uitdrukking nu is, als zij beduidt „eten en drinken", niet alleen onzinnig, maar is ook een belachelijk gebruik van een Bijbelsche uitdrukking.

We hebben zeer veel Bijbelsche gezegden in onze gewone spreektaal. Dit is op zich zelf niet verkeerd. Maar nooit moet Gods Woord dienen voor iets spotachtigs als bovenvermeld. Wel is het zeer huiselijk omgaan met veel wat in de Schrift voorkomt verklaarbaar voor wie de vroegere tijden kent, maar daarom is nog niet alle gebruik geoorloofd. Het is beter in dit opzicht streng te zijn dan zich te veel te veroorloven.

Over de tweede vraag in 't volgend nr. Eerst moet een ander een beurt hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken