Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

20 minuten leestijd

DERDE REEKS.

XLVII.

Opdat gij eerzamelijk wandelt bij degenen die buiten zijn en geen ding van noode hebt, I Thess 4 : 12.

Ge kent de tegenstelling tusschen het gewone en het buitengeivmie, met al de bekoring die het buitengewone veelal op ons uitoefent. Het gewone prikkelt niet, het vreemde, het buitengewone boeit. Voorzoover zich hier nu de behoefte in uitspreekt aan zekere bekoring te midden van het rusteloos, eentoonig verloop der dingen, is deze aantrekkelijkheid van het buitengewone in onze natuur zelve, krachtens de schepping gegrond. Ons menschelijk leven volgt in den Sabbat den rhytmus van het Goddelijk leven, en feitelijk is die Sabbat telkens weer het buitengewone in tegenstelling met de zes gewone dagen, die hem voor en achter insluiten. Telkens als de Sabbat weerkeert, doet wat men noemt het Zondagsgevoel ons verheffend aan, en kinderen en ouden van dagen genieten er in dat het weer Zondag is. Dat er nu en dan een dag van de week wegvalt, betreurt men niet, maar als er een Zondag wegviel, en de werkdagen over twee weken doorliepen, zou het een gevoel van afmatting en vermoeidheid geven. Al was het maar in voorstelling en gevoel, noode zou men zijn Zondag missen. Doch is reeds hierdoor de tegenstelling tusschen het gewone en tusschen hetgeen dat gewone breekt, van nature in ons menschelijk leven ingeweven, de trek naar het buitengewone, is tengevolge van de zonde, en van den vloek die met de zonde saamhangt, daarna zelfs versterkt, en zulks uit heel ander motief. Ons leven is thans onder peil. Hiermee is bedoeld, dat het peil buiten zonde, in en om ons veel hooger zou staan. We zonken. Maar al daalde het peil van ons leven, daarom is de heugenis van het peil waarop ons leven staan moest, niet uitgesleten uit onzen geest. Er leeft in onze borst besef, dat we hooger gestemd moesten zijn, dat hooger onze krachtsontwikkeling moest wezen, dat we hooger onze vleugels moesten kunnen uitslaan. Met het heimwee naar den bergtop in deze dalen levend, zien we nu onwillekeurig telkens naar boven op, en mag het ons dan gebeuren, dat we af en toe, eens weer een eindweegs naar boven klimmen, d. w. z. een dag van hooger genieting, van hooger vreugde, van hooger levensactie, van hooger geestdrift, van hooger bezieling kennen, dat het bloed ons sneller door de aderen vloeit, en de pols krachtiger klopt, en de kleur op het gelaat zich hooger tint, en de glans in het oog sterker vonkt, en de lach zich ongedwongen om de lippen plooit, dan leven we metterdaad rijker, dan snuiven we iets van de hooge berglucht in, en ervaren hoe dat buitengewone een anders onvoldane behoefte van ons hart toespreekt.

Zelfs geldt dit niet alleen van zielsverheffing in genot en vreugd. Als er dagen van ernst komen, als het leven in spanning geraakt, en bange strijd alle schuilende kracht van hoofd en hart wakker roept, hetzij door aangrijpende gebeurtenissen in eigen leven en dat van ons gezin, hetzij door geweldige beroeringen in de zaken van vaderland en menschheid, hgt er in die spanning, al wondt ze ons hart, toch iets dat ons hart meer toespreekt, dan de sleur van het gewone en alledaagsche. Tusschen die tweeërlei aandrift, die naar het buitengewone doet hunkeren, dient ook wel onderscheiden te worden. Er is eenerzijds aan onze natuur ingeschapen behoefte aan een rhythmisch leven, d. i. aan een leven, waarin de gewone loop gedurig wordt afgebroken door een inschuivenden Sabbat. Maar er is ook anderzijds een uit de zonde opgekomen dorst, om, na ver beneden peil gezonken te zijn, telkens eens weer op hooger peil te komen. Voorbeelden aan te geven, zou hier overtollig wezen. Ieder weet uit eigen ervaring en uit het genot zijner kinderen, wat dat meerder genieten van hooger en rijker leven in die buitengewone toestanden te beteekenen heeft. Zomers een dag uit te kunnen gaan, niet altoos in zijn stad of dorp te blijven, maar te kunnen reizen, de geboorte van een kindeke, een geslaagd examen, een verloving, een bruiloft, zelfs een verjaardag, het zijn altegader lichtpunten die ons tegenglanzen op den weg die anders zoo vaak door misten nevelen heenleidt.

Niet onbegrijpelijk heeft deze trek van ons hart zijn uitwerking ook op geestelijk gebied niet gemist. We leven onder peil. Maar zie, de genade in Christus is er nu juist, om ons weer op peil te brengen.

Al wat rechtstreeks met dit genadeleven samenhangt, staat alzoo hooger dan het gewone leven. Het is het buitengewone dat door het wonder van de wedergeboorte, door het wonder van den Christus, door het wonder der Schrift, in ons leven inkomt, en uit dien hoofde ligt er allereerst niets vreemds in, dat we zekere neiging in ons ontwaren, om het specifiek-Christelijke hooger te stellen, dan het gekerstende gewone leven. Vandaar zoo vaak de inspiratie van het hart, alsof men alleen door Evangeliedienaar te worden, zich eigenlijk geheel aan den Heere gaf; alsof wie in de Zending gaat, beter Christen is dan een Christen-huisvader; alsof wie zich aan ziekenverpleging wijdt een heiliger standpunt inneemt dan een dochter die zich aan het stille huishouden wijdt; en zoo ook, alsof de tijd, dien men aan zijn beroep besteedt eigenlijk verloren tijd is, en alsof de eigenlijke werkzaamheid van een Christen pas begint op het terrein van de Zondagsschool, van Christelijke vergaderin gen en vereenigingen. Geheel het ordewezen, en het kloosterwezen wortelt in dezen trek van het hart. Men plaatst dan het wereldleven en het geestelijk leven als twee afgescheiden sferen naast elkander. Men ziet dan in die eerste sfeer het aardsche, het alledaagsche, het gewone, het zeer ordinaire, en in die tweede sfeer het hemelsche, het hoog staande, het buitengewone en rijke. Gelofte van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, houdt dan in, dat ik die aardsche, die ordinaire levenssfeer vaarwel zeg, en mij laat opnemen in de hooge, geestelijke sfeer. Ik antidateer dan mijn sterven. D. w, z. een overgang uit sfeer in sfeer, als eerst met het sterven intreedt, vervroeg ik, maak dien nu reeds, zeg de wereld vaarwel, wil voor de wereld als dood zijn, en wandel op aarde rond als een hooger wezen, dat eigenlijk niet meer van de aarde is, maar nog hier vertoeven blijft, hetzij om de afsterving van de wereld te voleinden, hetzij om die wereld met hemelsche gaven te zegenen. Er zit alzoo in dit denkbeeld heel een stelsel, een stelsel dat rust op de voorkeur van het buitengewone boven het gewone, en dat deze tegenstelling voleindt door wereldsch leven en geestelijk leven in volstrekten zin tegen elkaar over te stellen.

Onder Protestanten komt dit natuurlijk anders uit maar in den grond is de bedoelde trek toch onder ons [dezelfde, wat duidelijk blijkt aan de half kloosters en halforden die nu reeds in de Episcopale kerk van Engeland aan het opkomen zijn. Het Leger des heils ontleent aan denzelfden trek voor menig jeugdig hart zijn aantrekkelijkheid. Moeder thuis te helpen, te naaien, te breien, les te geven, en zooveel meer, dat alles is te taai, te gewoon, te ordinair. Maar met een Hallelujahoed en Hallelujamantel op straat te verschijnen, door ieder aangegaapt te worden, van meeting naar meeting te loopen, op te treden, overluid te bidden, te zingen, te prediken, biedteen leven vol van dat pikante en afwisselende, waar het jeugdig gemoed in geniet. En ook waar die jacht op het extraordinaire niet dien krassen vorm aanneemt, merkt ge toch in alle Methodistische actie steeds iets van datzelfde. Voor het gewone leven oor noch oog, maar liefst in de geestelijke spanning, in de sfeer van geestelijke opwinding, in alles wat een specifiek geestelijk merk draagt. Ook de blauwe knoop vindt kracht in die zelfde zielsneiging. En waar onder ons Gereformeerden die actieve vorm zeldzamer is, zeg veilig te zeldzaam, woelt toch ook onder ons dezelfde zielsneiging weer op andere wijze, meestin het willen vertoonen van een geestelijke gestalte, in een veel en lang bidden, in een gelaat en houding, die iets ongemeens uitdrukken, en in wat onze vaderen noemden een kunstmatige „precisiteit, " die ten slotte verloopt in een wettisch redekavelen over regel op regel en gebod op gebod, eerst in toepassing op zich zelven, maar dan ook als maatstaf om zich tot het beoordeelen van anderer doen en laten op te maken.

Nu moet men hiermee voorzichtig zijn. Menigeen toch het on-Schriftuurlijke van dit verwaarloozen van het gewone en dit hunkeren naar het buitengewone inziende, slaat zoo licht in het tegenovergestelde uiterste over, en legt er zich op toe, om al wat specifiek geestelijk is uit te bannen. Zoo vindt ge onder ons mannen en vrouwen, met wie ge nooit een geestelijk gcsprelc kunt hebben, die zich stelselmatig aan al het geestelijke onttrekken, uit wier oog nooit een hoogere bezieling spreekt, en die achten dan eerst waarlijk Gereformeerd te zijn, als ze met iets van den oud-Israëlietischen hartstocht de laatste korrel van den Methodistischen zuurdeesem uit hun hart en hun woning hebben uitgezuiverd, tot er ten slotte niets dan hêt gewone, wereldsche leven, zoo

als ook de lieden der wereld dit kennen, overblijft. Dit zijn de vijanden van eiken réveil, die op hun best even onverstandig handelen als diegenen, die een leven met niet anders dan réveil zoeken. Réveil is een gewekt worden uit de sluimering. Zooals er ook in het leven neiging tot slaap en sluimering over de geesten komt, zal steeds de réveil noodig blijven, en als een gave Gods dankbaar moeten aanvaard worden, om ons weer wakker te schudden, ons de oogen weer helder te doen openslaan, en ons als wakende en nuchterlij k door het leven té doen gaan. Daarom is het dwaas niet anders dan den réveil te willen. Dat men u 's morgens als ge slaapt, wekt is heerlijk, ook al luidt ons de bel wat hard. Maar als men u, nadat ge terdege wakker zijt geworden, en opvloogt en aan uw werk zijt, maar steeds die bel in de ooren liet luiden, zou het u ergeren en u bij uw arbeid belemmeren. Daarom is het zoo onredelijk en onzinnig om het leven in den réveil te laten opgaan, daar immers op eiken réveil een wakker leven moet volgen, tot de slaap u weer te machtig wordt, en straks een nieuwe morgenwekker (d. i. réveil) noodig wordt. Maar omdat het heel den dag luiden van den morgenwekker dwaas zou zijn, moogt ge u niet inbeelden dat de réveil overbodig zou wezen. Dat ge u dat inbeeldt is alleen omdat ge het gerustelijk sluimeren liefhebt, en tegen het wakker worden en opstaan opziet. En dan eerst staat ge gezond, zoo ge begrijpt, dat op eiken sluimer een réveil moet volgen, en op eiken réveil een wakker leven van arbeiden. Of om het geestelijk te noemen, dat, zoo dikwijls de Christenheid weer gerustelijk indommelt, het „Ontwaakt en staat op uit de dooden en laat Christus over u hchten!" weer over het land moet weerklinken, zoolang weerklinken tot de Christenheid weer wakker is. Maar dat ook het gelui van den morgemvc^^c'-straks weer zwijgen moet, om plaats tV maken voor het zingen van den psalm des levens.

Toegepast nu op de tegenstelling tusschen uw specifiek geestelijk leven en uw leven in de wereld beduidt dit, dat ge zondigt door het geestelijk leven uitsluitend te zoeken in het heilige en inmiddels de wereld te verwaarloozen, maar dan ook, dat ge evenzoo zondigt, door u in te beelden dat ge alleen een roeping voor de wereld hebt, en dus van den plicht om uw geestelijk leven te voeden ontslagen zijt. Integendeel, wie de wereld ingaat, zonder zijn geestelijk leven te voeden, wordt in minder dan geen tijd een wereldling, en alleen wie gedurig terugkeert in de tente zijns Gods, om weer met versche olie gezalfd te worden, kan uit die tente de wereld ingaan om er zijn God te verheerlijken, en die wereld te zegenen. Dit moet scherp en duidelijk op den voorgrond gesteld, om de kinderen Gods te beveiligen voor het ontzettend gevaar, dat ze, om niet eenzijdig geestelijk te zijn, in ^«geestelijkheid zouden overslaan, en eer ze het zelf vermoedden, kinderen der wereld worden zouden. Eiken dag moeten we weer met onze lamp de wereld in, om ons licht in die wereld te doen schijnen, maar die lamp in onze hand maakt ons te schande, brengt smaad over den naam onzes Gods en kan geen enkelen lichtstraal in de wereld doen schijnen, zoo we niet telkens die lamp met heilige olie vullen, en ze niet telkens weer ontsteken aan het eeuwige Licht. Steeds te vorderen in kennisse der waarheid, aldoor in het gebed onze ziele te heiligen, rusteloos naar de gemeenschap met het Eeuwige Wezen in Christus te staan, ons te voeden met het Woord en te versterken door de gemeenschap der heiligen, is stellig even onafwijsbare voorwaarde, zult ge voor het optreden in de wereld bekwaam zijn.

Doch is dit eenmaal wel verstaan, dan moet even helder worden ingezien, dat de pijlen er niet zijn, om in den pijlkoker te rusten, maar om straks op de pees gelegd te worden. Alle geestelijke oefening, alle geestelijke verrijking moet uw kracht sterken, maar ook die kracht moet straks in den strijd haar sterkte toonen. Oefening is altoos middel, kan nooit doelz\]n. En wie zich geestelijk oefent, zalft en verrijkt, en voorts zich opsluit, herinnert aan het keurig gewapend en wel geoefend leger, dat zich opsloot achter onneembare wallen, en inmiddels het vaderland aan den vijand overliet. Zoo vast als dus de eisch staat, dat ge, eer ge de wereld ingaat, en om in die wereld doeltreffend te kunnen optreden, uw specifiek Christelijk karakter steeds dieper in uw wezen hebt in te snijden, zoodat het Christen-zijn u geen gemaaktheid meer is, maar een vanzelfheid werd, en zoo dus steeds de eisch blijft gelden, dat ge u geestelijk wapenen en oefenen zult, even vast staat uw roeping, om het bij dit buitengewone niet te laten, in dat extra-ordinaire niet heel uw Christen-zijn te laten opgaan, in dat buitengewone niet al uw taak te zoeken, maar om uit dit buitengewone weer telkens in het gewone leven af te dalen, om in dit gewone uw geestelijke meerderheid te openbaren, en dit te doen om drieërlei motief, mits altoos in deze volgorde, vooreerst om uw God te verheerlijken, ten tweede om de wereld te zegenen, en ten derde om zelf voor den strijd u te stalen en te harden tegen Satan. En deze plicht moet door u volbracht niet als hadt ge op een u vreemd erf en in een u vreemd land bij kalklicht beelden van een hoogere wereld te vertoonen, maar zoo dat ge optreedt als in die wereld Gods wereld herkennende, onder menschen in wie tnu natuur leeft, in een omgeving die wel krank is en bloedt aan haar wonden, maar die niettemin bij u hoort, en waarvan gij u niet zonder de zonde van geestelijken hoogmoed kunt of moogt afscheiden.

Leg op dit laatste vollen nadruk. Geestelijke hoogmoed is de zonde die bij elk kind van God voor de deur van zijn hart ligt. Ik Gods kind, begenadigd en geheiligd, en die onbekeerde wereld verre beneden mij staande. Daarom komt gij als de rijke tot die arme wereld, en werpt haar uw geestelijke aalmoes toe. En juist dit sluit het hart der wereld voor u toe. Dat breekt de gemeenschap met die wereld voor u af. Dan zijt ge haar een vreemde. Dan gunt men u het vertrouwen niet. En dan kunt ge haar niet zegenen. De Christus deed anders. Hij kwam tot die wereld, ging in de wereld in, en werd ons in alles gelijk, alleen uitgenomen de zonde. En zoo moet ook uw optreden zijn. Ge moet niet tot die wereld komen als een meester tot schoolkinderen, als een arts tot de patiënten van een ziekenzaal, maar als tot een wereld die van uw familie, van uw vleesch en bloed, van één geslacht met u is, als tot een wereld waarin ge Gods eigen werk, zij het ook beschadigd, nochtans herkent en terugvindt, en als tot een wereld waarvan ge weet, dat God haar zoo lief heeft gehad, dat Hij haar zijn eeniggeboren Zoon schonk. Zoo moet ook gij dan die wereld liefhebben, en zoo liefhebben, dat ge haar u zelven geeft. En dat moet ge doen, niet als een kunstmiddel om haar te lokken, maar omdat ge het zoo ziet en gelooft, uw saamhoorigheid met die wereld voelt, de profetie kent van haar wedergeboorte, en het allermeest hierom, dat immers alle werk der genade er op doelt, om de wereld aan den Satan te ontrukken, en haar weer te stellen tot een naam voor onzen God die haar uitdacht, schiep, en niettegenstaande haar verwildering in stand hield. Dit laatste doet God door zijn gemeene gratie, en eerst waar de particuliere genade in u er toe leidt, om die gemeene gratie Gods in de wereld te ontdekken, te eeren en dankbaar te aanvaarden, is de harmonie bereikt die uw geloof behoeft om als „mensch Gods" in deze wereld te verkeeren.

Dit komt dus hierop neer, dat ge niet uit uw kring en beroep uitloopt, maar blijft in de ordening en op de plek, die God u in het leven aanwees; dat ge in dien kring, en in dat beroep uw talent niet begraaft maar er op alle manier meê woekert; dat ge in , uw dagtaak volijverig zijt, en u door niemand van gelijke kracht in de hoeveelheid en uitnemendheid van uw werk laat overtreffen; dat ge al uwe verhoudingen tot menschen ernstig opneemt, en uw invloed op hen nooit ten kwade, steeds ten goede laat werken; dat ge in vriendelijkheid van omgang, in minzaamheid van verkeer de sympathie van uw hart toont, en wederkeerige sympathie in anderer hart wekt; dat ge u oefent om minder aan u zelf dan aan anderen tedenkenj dat ge helpt waar ge helpen kunt met ujj raad, uw daad, uw tijd, uw geld, uw troostwoord; dat ge uw humeur ontdoe^ van al wat netelig, prikkelend, onaangpj^ naam is, en den plooi van uw kar^'k^ër steeds vaster zet in heiligen stijl; d.9, te^'gp het stuk van eerlijkheid niets in'^'üzelvpn door de vingers ziet; strikt rechtvaarjqTi^'ih uw oordeel zijt; de zinnen ondei^'rdé_heerschappij van den geest zet; uw hartsroctvtpn een aanbevelingsbrief van den' CKrisfu, ^ biiüg consciëntiën der menschen möog: , ZTO. O< J

Doch hieruit volgt dan .ook aait, ii^t voor u van het hoogste gewich^^is^lK)^^®^!; ^^^!} van de gemeene gratie (|óds^föön^V iiit^iiw leven worden opgenomen., jl|j)„„n^£rMn Afrika, die jaren langj.: ^Sje^ptirok ipj^i zi^ii naburen te overweldigden, , , en ^h^d zi^., , staJi overwonnen, uit te moorc|en, zal, oggS^^wer^ hij tot Christus bekeerd, toch telkens nog den lust in zich voelen opkomen, om weèréÖPis zijn assagaai in de ribben van een vijand te stooten. Gij daarentegen, die nooit die woestheden gekend hebt noch mededeedt, maar door de gemeene gratie Gods het levenslicht zaagt in een land van vrede en orde, en nooit iemand gedood hebt, zult die verzoeking van den bloeddorst nooit in u voelen opkomen. En ook bij minder sterk verschil, zal een verloste des Heeren, die opkwam uit een kring, waarin oneerlijkheid en leugen dagwerk waren, ook na zijn bekeering veel sterker verleiding tot kleine bedriegerijen en onwaarheden in zich blijven voelen, dan een ander die opgroeide in een wel wereldschen kring, maar waarin alle leugen geoordeeld en alle oneerlijkheid gewraakt was. De zeer onderscheiden bedeeling van de gemeene gratie Gods brengt alzoo teweeg, dat de zelfreiniging voorden een een heel ander karakter aanneemt dan voor den ander. Als regel kan zelfs gezegd, dat de zelfreiniging wat het grondverschil aangaat, op en neer gaat met het dalenen klimmen van de wateren der gemeene gratie. Christenen die het profijt van die gemeene gratie in zeer hooge mate hebben, en diensvolgens, en dank zij dit feit, de zelfreiniging tot aanmerkelijke hoogte konden opvoeren, zien soms met verontwaardiging neder op andere Christenen die dit profijt missen, en wier zelfreiniging op zoo veel lager trap bleef staan. Toch is dit niet recht. Omdat zij, gesteund door veel sterker gemeene gratie, het zooveel verder brachten, staan ze op zich zelf, en vergelijkenderwijs, nog volstrekt niet hooger dan die anderen. Want wel zijn ze verder, maar hieruit volgt nog volstrekt niet, dat ze sterker geloofskracht ontwikkeld hebben. Wie zonder spet op zijn gewaad uit een malschen zomerregen thuis komt, heeft nog niet het minste recht uit de hoogte neer te zien, op wie met een wel bespet kleed uit een stortregen kwam.

Juist hieruit echter volgt dan ook, dat het van het hoogste belang is, den schat van gemeene gratie in onze kringen te verrijken, allereerst door alle denkbare zorg te besteden aan de opvoeding van het opkomend geslacht. Ons schoolwezen had een oogenblik de neiging, om zich als hoofddoel, bijna als eenig doel het „brengenvan de kinderen tot Jezus" voor te stellen; ren natuurlijk dingen we hierop op zichzelf niets af. Maar toch voelt men terstond'da; t dit mis zou gaan, zoo men er on^ër Verstond, een .dienstbaar stellen van héél óiïs schoolwezen uitsluitend aan de particuliere genade, en zoo men vergat, dat de school een der hoofdinstrumenten-js juist voor de verrijking met gemeene.') gratiey.; ; Niet alsof deze twee tegen • elkander ; '.ovèrstonden. Noch ook alsof' men zeggen moest, dat de Christelijke dnderwijzerr zwijgend door zijn persoon getuigt. Ü"w school is geen Christelijke school, zöö het Woord en het gebed.jCr niet is, zoo de kennisse der waarheid erojijet door bevorderd wordt, zoo de roepstgjnsi : t; ot Jezus er niet uitgaat, en de partjit!uliere; genade uit den Doop er niet döóïwerfot.'. Maar dit alks neemt niet weg, •dS.V'dë'gemeene gratrevan denzelfden God'3sfcitKfi"Wiens-Qnze Dóópis, en dat de school ^öi^t^.ÏÏpiW* c^ het. 'terrein der gemeene jgjati'é'Haai-" lauwéi'eh heeft te verdienen. lyi: •geheel ditzelfde wat van de schoolop voed ing , geldt, geldt van de huislijke opvQgdingr, k iö, de Uuislijke opvoeding moet van G®Jd'T; tweeëirlei, beek afvlieten, d^obëglaiiTiJHeio zalignaakende genade, ifiagiC'^ÏSikï'fdgi bfeef-èijner gemeene gratie, •'"••en "airéeti' Hv-ié ' daf'verstaat, helpt zijn fcïnd, als het straks aan de zelfreiniging^'„'t.öckomt, doet. Hét een hooger standpunf^'^Jii]: nsmen, _, .^zal, , 'de mogelijkheid sterken, 'dajj; |^rak|f, zjj|? 'kind werkelijk al? Qiaie, ; jee; j; e t: ya*)x: -.G^5roéfi) in de: , wepdd csfttijedéi.'saAiiesibshepéfke - jöigffl Öat ü.löegrip-'bv^i-^Biopvoeding '.niet tot de Mêiriie' Kttóé'êfefi.si'-Keel-het huiselijk saaffilëVën'TriSët'-öiJ'txfc^éiiafop allen-werken, ëh de ouders versïS& 'fl'^dö kracht Van het gezinsleven niet, zoo ze niet ervafeii^, 'dat' ze jiun .^kinderen opvoedend, .nog steeds zich zeivën'''opvoe(ïên, ja, : ten , _'deele; opgevoed WQi'den, : , door, hun.'k/ncterèn'. ', Geheel hét ^^^ips^fey^iij; ; geheel oflzé .pmgang moet er op^zijnii9aingeleg4.-!P.0^fl^n lev^nstoon te verr h®oè'^n; ; i.'onT.'ikiL6teeds; rijker. bedecUng van gemeene gratie in te gaan. Zoolang iniéii gfét^dats-iftOaAtèeröiimihisefi^-Sög-eeii tóeer-•gè¥e.'|é'faaMè\gi-a{ïé^.wërlèn%i@è't m. mtt \im0, jffld6rlc]ih•éïeïikénƒ' om" 'oöfc zetyen. < ïat rijker deel deelachtig te wordeii. 3tya', 5^^iJ3, (; s m< pct , ; iiiigcstrècfd, . niet .uit gHcfet'jjtptjjjdele •y^i'lie.fiing, noch als iets dstjfe^nmast, '. joixze; , i3§i^igi^, f staat, , maar omdat sllfe gepieenb gf6tia[ ¥ai'\i, disf|r.elfdeii; God.{en iadnqoee«Erroigf9Heit3wiotót(, - )j ea: iomdat SfëfeiS'Vakééz^fgratie^öfizesf^Gods'^deelf WkiWHé'-'^otmè. fe"rKtüur-lijk< vrucht i's kfk'ii^fe'»P%f^W8f Öb^ in" öi^^^ 'hatt Woont. I

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 mei 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken