Bekijk het origineel

,,Onze Hulpe en ons Schild.''

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

,,Onze Hulpe en ons Schild.''

9 minuten leestijd

Onze ziel verbeidt den Heere: ij is onze Hulp en ons Schild. Psalm 33 : ao.

Bij het noemen van het Schild, werkt in ons niet zoozeer de herinnering, als veelmeer de voorstelling van wat we op plaat of prent geteekend zagen.

Schilden gebruiken onze krijgslieden niet meer en zelfs het schobbejak en pantsieris afgelegd. Van geen beukelaar of rondas hoort men onder ons. Een schildknaap is bij onze veldheeren thans onbekend.

Maar zoo was het in Davids dagen niet.

In die dagen werd elk jong man bij lans en speer, en deswege ook bij schild en rondas opgevoed. Elk man in Israël had het schild op den arm gedragen. En als het wapentuig in dagen van vrede aan den wand hing, zag vrouw en kind vaak naar dat schild op als naar het wondere instrument dat het leven van vader óf reeds gered had óf straks zou redden.

Destijds leefde dus het schild voor aller verbeelding. Men zag het voor zich. Men zag er de deuken in van den lansstoot of van het pijlschot, dat er door was afgeweerd. Het schild was schier in elke woning een voor ieder uitgestald instrum'ent dat den wand sierde. Men wist van kindsbeen af, wat dat schild te beduiden had.

Men zag voor oogen hoe het gehanteerd werd. Men gaf er zich rekenschap van wat kostelijke diensten het had bewezen.

Zoo werd het schild, of wat op hetzelfde neerkomt, het rondas en de beukelaar, voor een iegelijk in die dagen het symbool van heil en redding, van zekerheid te midden der gevaren, van beveiliging tegen nood en dood.

En zoo machtig is de indruk van dit schoone symbool op volken en talen geweest, dat wij nu nog, ook nadat reeds eeuwenlang het schild is afgeschaft en ons volk nauwelijks meer weet wat onder een rondas of beukelaar te verstaan zij, nog altoos in allerlei lied, in allerlei betoog en in allerlei predikatie de beeldspraak van het schild ontmoet. Men heeft dan het schild wel niet gezien, maar men laat het voor zich opleven in de voorstelling.

En zoo zingen ook wij nog van „God den Heere die een zon en schild is, en is het ook ons een vertroosting, als we tot den vader aller geloovigen de Goddelijke betuiging hooren uitgaan: „Ik ben uw schild, uw loon zeer groot."

Want ook al leven wij in de rijke, volle beteekenis van het schild slechts met moeite in, toch vindt de uitroep van den psalmist; „De Heere is onze hulpe en ons schild" ook in onze ziel nog zoo veelszins weerklank.

Immers die uitroep zegt ons, dat er, wat gevaren ons ook dreigen, een almachtig God is, die, ongezien en ongemerkt, noclitans voor ons ivaakt.

In wat gevaren we telkens verkeeren, verstaan we zelven niet, en reeds daarom beseft geen onzer ook maar van verre wat de trouwe onzes Gods voor ons gedaan heeft, om ons te redden.

We zijn nog zoo telkens gelijk aan kleine kinderen, die gedachteloos spelen aan den rand van het woud, terwijl het oog van vader reeds het spoor van den wolf gezien heeft, die in dat woud schuilt, en er op loert om op ons aan te vallen.

Natuurlijk is zulk een beeld nog veel te zwak, om de volle werkelijkheid uit te drukken, maar iets zegt het ons dan toch.

Immers het is zeer gewoon, dat ook in het huislijk leven kleine kinderen van zes, zeven jaar, niets hoegenaamd bespeuren van de ernstige dingen, die het geluk of den welstand van het gezin bedreigen, en dat vader en moeder diep in zorgen zitten, en dat het hun gelukt ook in de toekomst voor hun kleinen een zeer ernstig gevaar af te wenden, zonder dat de kinderen onder hun spel ook maar iets kunnen vermoeden van wat, indien vader en moeder niet gewaakt hadden, ook hun toekomst zou vernietigd hebben.

En ditzelfde nu grijpt in nog veel ernstiger zin gedurig met Gods kind plaats.

Dan is er allerlei onheilige macht, die het op hem aanlegt, dan is er allerlei gevaar dat voor onze ziele en voor onze toekomst dreigt, dan vliegt er allerlei pijl om ons heen, die op ons gemunt is, maar niet wij die het ontdekken, niet wij die het zien, niet wij die het ontwaren.

Als het pijlschot trof, dan ja, zouden we de wonde bemerken.

Maar nu niet.

Nu wandelen we gedachteloos voort, en vervolgen half lachend, half spelend onzen weg. Maar omdat wij het gevaar niet zagen, daarom zag God het toch.

Hij voor wien zijn kind als het zwart van zijn oogappel is.

En toen nu de giftige pijl in rechte vaart ons hart zou getrofifen hebben, hief onze trouwe God en Vader dekkend en reddend en beschermend de hand zijner goddelijke hefde voor ons op.

Hij was onze Hulpe en ons Schild.

Toch gaat het niet altoos buiten ons om.

Hoe dieper we in de kennisse van onze zonde en van Gods genade worden ingeleid, des te meer wordt Gods kind ook opmerkend gemaakt voor de onheilige invloeden en demonische machten, die het op hem aanleggen.

Zijn leven klimt uit het onbewuste almeer tot helderder bewustzijn op. Hij begint er meer van te merken wat er met hem voorvalt, wat er om hem omgaat, wat strijd er tusschen God en Satan ook om zijn ziel gestreden wordt.

Eerst was dat ook voor hem alles verborgen achter een ondoordringbaar gordijn.

Zoo zag hij niets en merkte hij niets.

Maar hoe verder hij komt in geestelijke kennisse, hoe meer dat gordijn begint weggeschoven te worden.

Zoo merkt hij steeds duidelijker, dat zijn worsteHngen en zijn strijden op aarde niet op zich zelf staan, maar slechts het uitvloeisel en de nawerking zijn van een veel banger strijd, die achter dat gordijn der hemelen tusschen Michael en zijn heilige engelen tegen Satan en zijn booze engelen gestreden wordt.

Die engelenwereld gaat voor hem open, die wereld der demonen wordt voor hem een ontzettende werkelijkheid.

En daarom als hij bidt, denkt hij aan die engelen, en begeert „Gods wil te doen, gelijk die engelen in den hemel, " en denkt hij evenzoo aan dien Satan, en begeert hij van zijn God „verlost te worden van den Booze."

Hij merkt nu althans iets van het gevaar, hij hoort nu het gonzen van den giftigen vliegenden peil, zijn ziel doorworstelt duizend dooden; en als hij nu toch niet bezwijkt, maar het gevaar ziet wijken, en de vredegroet van Gods heilige engelen begint door zijn ziel te ruischen, dan weet hij, door wien hij gered en uitgeholpen is, en juicht en jubelt hij in zijn God, die immer zijn Hulpe was en zijn Schild.

En hierbij leeft hij.

Immers hij heeft het dubbel getuigenis én in Gods Woord én in zijn eigen geestelijke ervaring. Zijn God heeft het hem betuigd en met zijn Goddelijk Amen bezegeld : Ik ben uw schild, uw loon zeer groot"; en de ervaring heeft het hem bevestigd, dat wel waarlijk in de ure des gevaars zijn God zich als een schild over hem verhief en hem uit nood en dood gered heeft.

En nu gelooft hij.

Nu is hij in die heerlijke gedachte, dat zijn God zijn Helper en zijn Schild is, reeds vooruit zaHg, ook al is er op dat oogenblik nog van geen dreigend gevaren sprake.

Hij weet nu, dat zijn God zijn Schild is; dat hij in zijn God een hem dekkend en ondoordringbaar schild bezit; en dat, welke doodsgevaren er ook over zijn ziel zullen opkomen, hij in zijn God veilig is.

Niet hij kan zich zelven vrijwaren of dekken, maar zijn God staat voor hem in.

„Vrees niet, gij, kleingeloovige, zoo klinkt het met hemeltaal door zijn ziel, mijn oog zal op u zijn, Ik zal maken dat uw voet niet wankele, en als de doodelijke pijl u treffen zou, zal ik uw schild zijn, dat de pijl tot u niet genake."

En dit nu schenkt aan Gods kind dat hooge gevoel van geestelijke ruste in zijn God.

Zoo vliedt de angst en wijkt de bangheid van zijn ziele. Niet meer als het gejaagde hert, beeft en schrikt hij voor den pijl des daags, maar als Gods kind rust hij in de Vadertrouw zijns Heeren.

Immers, wat er ook kome, en wat duizend dooden hem ook bedreigen mogen, hij gelooft, dat zijn God zijn schild is en zijn zal, en achter dat Goddelijk schild weet hij zich in nood en dood veilig.

Toch wordt daarom niet elke pijl op dat heilige schild opgevangen.

Soms wil de Heere het, en beschikt Hij het alzoo, dat toch onze ziele bitterlijk gewond wordt.

Van achteren weten we dan wel waar dat aan Hgt.

Niet aan dat heilig schild, maar daaraan, dat wij in plaats van achter dat schild te schuilen, onszelven hadden blootgegeven, en gewaand hadden, met eigen doorzicht den pijl wel te zullen mijden, of met de eigen hand den pijl die ons treffen zou, af te kunnen wenden.

Natuurlijk, wie achter het schild zijns Gods veilig wil zijn, moet zeJi dicht nabij zijn God blijven, moet bij Hem schuilen, en zich niet vermeten om het hoofd buiten dat schild uit te steken.

En toch juist dat doen we zoo gedurig.

Niet altoos uit boos opzet; maar meest uit zorgeloosheid. Omdat het gevaar op dat oogenblik was afgewend en we niet aanstonds nieuw gevaar duchtten. Omdat we aan onzen zekeren en vasten stand in God gewend raakten, en het schild onzes Gods niet meer waardeerden.

En dan straft God niet zelden onze roekeloosheid, door ons te laten wonden; niet opdat we gewond zouden zijn, maar opdat we door die wonde van onze roekeloosheid zouden genezen worden.

Die pijl die ons treft moet dan in Gods hand het middel zijn, om ons weer naar God toe te drijven, en ons achter zijn heilig schild te doen schuilen.

Vooral de jongeren van jaren moeten gedurig op die wijs geleerd worden, om niet van eigen hand redding te verwachten, maar al hun heil in het schild huns Gods te zien.

Op later leeftijd komt zulk een uitglijden bij Gods kinderen dan ook minder voor.

Wie reeds lang op den weg is, kent de ervaring van den Psalmist: „Ik sloeg eer ik werd verdrukt den dwaalweg in, maar nu geleerd houd ik uw wet en wegen."

Door zieleschade en geestelijke schande zijn dezulken wijs geworden.

Zij weten, zij verstaan het, dat alle menschelijk schild niet baat, en dat er maar één veiligheid, maar één redding, maar één afdoende bescherming te vinden is, die beveiliging en bescherming, die achter het schild onzes Gods gezocht en gevonden wordt.

En daarom zingen ook de jongeren van jaren het wel mee, dat „God de Heere een zon en een schild is", maar toch ze zingen meer op den klank af, om het schoon der woorden, om het rijke der heilige poëzie.

Maar de waarheid, de volle werkelijkheid van zulk een psalmlied verstaat en bekent alleen hij, die zelf voor den eeuwigen dood gestaan heeft, en van dien dood door het schild zijns Gods is gered.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1898

De Heraut | 2 Pagina's

,,Onze Hulpe en ons Schild.''

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1898

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken