Bekijk het origineel

Buitenland.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Buitenland.

9 minuten leestijd

Duitschland.

Von Bismarck's per­ soonlijke verhouding tot de religie.

In een vorig artikel hebben we uiteengezet welke houding de overleden Duitschen Kanselier aannam tegenover de kerk des Heeren, laat ons nu nog enkele mededeelingen doen omtrent zijn persoonlijke verhouding tot God.

Von Bismarck, zoo schreven we, liet niet na, om als er gesproken werd van de groote uitkomsten die hij door zijn politiek verkregen had, de eere daarvan aan den Heere te geven. Ter illustratie deelen wij de volgende anekdote mede.

De kanselier ontmoette eenmaal in den Berlijnschen „Thiergarten" den generaal superintendant Büchsel. De laatste bleef staan en sprak aldus den rijkskanseher aan; „Doorluchtigheid, ik wilde u gaarne de hand drukken en uitspreken hoezeer ik mij er in verheug, dat u alles zoo merkwaardig gelukt." Von Bismarck antwoordde: „zeg niet te veel, " en hij telde zes groote staatkundige plannen mede, telkens daarbij aantoonend, dat hij het zóó had gewild en dat zoo gansch anders was uitgekomen. „Ik wil u wat anders zeggen; Ik ben blijde wanneer ik bemerk waar de Heere God heen wil, en wanneer ik Hem dan kan nastrompelen."

Den 3denjiili 1851 schreef hij aan zijne vrouw: „Hoe veel schijnt mij thans klein toe, wat mij voor 14 jaren groot scheen; hoeveel eerwaardig, wat ik toen bespotte. Hoeveel bladeren kunnen nog uit onzen inwendigen mensch voortspruiten, en weder verwelken, tot weder 14 jaren voorbij zijn, tot 1865, (vanneer wij het beleven ! Ik begrijp niet, hoe een mensch, dien over zich zelven nadenkt en toch van God niets weet of weten wil, het leven dragen kan, minachting en verveling moet zijn deel zijn.

Ik weet niet, hoe ik het dagen uitgehouden heb; moest ik nu leven als toen, zonder God, zonder u, zonder kinderen — ik zou inderdaad niet weten waarom ik het leven niet zou afleggen als een vuil hemd, en toch zijn de meesten mijner bekenden zoo, en leven."

In een zomernacht zwom hij bij Rüdesheim over den Rhijn naar den Muizentoren bij Bingen en zat toen met een vriend onder een glas wijn — j, mijn klein testament en den sterrenhemel brachten ons op christelijke gesprekken en ik tornde lang aan de deugdzaamheid zijner ziel, waaraan hij zich op de manier van Rousseau vast hield, zonder iets anders te bereiken als dat ik hem tot zwijgen bracht."

In den Pruisischen landdag riep Von Bismarck in 1849 eenmaal uit: „Ik hoop het nog te beleven, dat het gekkenschip (Narrenschiff) van dezen tijd op den rots der Christelijke kerk schipbreuk lijdt: want nog staat het geloof aan de geopenbaarde waarheid bij het volk vaster den het geloof aan de zaligmakende kracht van een artikel der grondwet."

Van groot belang is een brief van Von Bismarck aan Andrae in Pommeren. Juist was de conventie te Gostein gehouden. Von Bismarck had zich aan een badplaats tegelijk met de beroemde zangeres Paula Lucca laten photografeeren. Dit werd door de bladen gemeld, de Kladderadatsch maakte er natuurlijk gebruik van om eenige caricaturen daarover in de wereld te zenden. In dezen tijd had hij ook Virchow, den bekende afgevaardigde, die Von Bismarck gebrek aan waarheidsliefde had verweten, tot een duel uitgedaagd. Daarover was zijn vriend Andrae gebelgd en schreef hem er over. Op den tweeden kerstdag van 1865 antwoordde von Bismarck hierop dat het hem van harte leed was, als hij aan geloovige Christenen ergernis gaf. Maar hij meende dat hij in zijn positie niet kon nalaten ergernis te geven. Hij beroept zich op het gezegde van zijn vriend dat van zijn doen en laten niets verborgen blijft, om aan te toonen dat als dit waar is, het niet kon uitblijven dat er rechtmatig of onrechtmatig ergernis genomen aan zijn handelingen werd. Hij schrijft voorts dat hij niet kan toegeven dat alles van hem openbaar wordt. „Gave God, dat ik buiten datgene wat aan de wereld bekend werd, geen andere zonden voor mijne rekening had, " zoo schrijft hij, en geeft daarbij te kennen dat hij alleen op de verzoening hoopt door Christus bloed.

Wat het duel met Virchow betreft, schrijft hij: „wanneer ik mijn leven op het spel zet, doe ik dit in hetzelfde geloof, dat ik in langen en zwaren strijd, en in oprecht en ootmoedig gebed tot God geoefend heb, en dat mij het woord eens menschen, ook niet dat van een vriendin Christus en van een dienaar zijner kerk, niet afneemt. Wat het kerkbezoek aangaat, moet ik u mededeelen dat het onjuist is als men beweert dat ik nooit een bedehuis bezoek." Von Bismarck deelt dan voorts rnede dat gezondheidsredenen hem beletten geregeld het kerkgebouw te bezoeken, terwijl hij ten slotte mededeelt dat Paula Lucca een dame is, die men, al was zij ook zangeres bij de opera, geen onzedelijk leven kon verwijten evenmin als hem zelven.

Had hij kunnen voorzien, dat het portret ergernis zou geven, dan had hij zich niet onder het bereik van het toestel van den photograaf gesteld. Ten slotte drukt hij de hoop uit dat de genade jGods hem de stot des ootmoedigen geloofs niet ontnemen zal, en dat dit geloof hem niet hardhoorend |voor berispende woorden van vrienden maken zal, noch toornig tegen liefdelooze en hooghartige oordeelvellingen.

Deze brief levert het bewijs dat ook Von Bismarck beheerscht werd door vooroordeel.

Hoe kon hij anders zijn voorgenomen duel goed praten! Over de evangelische „Orthodoxen", die zich aan den Bijbel houden liet hij zich eenmaal op de volgende wijze uit; „Wie uit de kerk treedt, moet aan zijn geloof of liever aan zijn ongeloof een offer kunnen brengen. Den Roomschen neemt men het niet zoozeer kwalijk, wanneer zij, „orthodox" zijn, d. w. z. wanneer zij aan hun geloof vasthouden, den Joden evenmin, in de Lutherschen kon men het niet dragen. Zij worden voor ketterjagers gescholden, wanneer zij de niet-orthodoxen, die het geloof aan den bijbel en aan de waarheden der reformatie er aan gegeven hebben, willen weren. Dat de evangelisch orthodoxen door de pers

en in de maatschappij vervolgd en bespot worden, dit vinden de lieden zoo gewoon. Juist de zoogenaamde „verlichte menschen" zijn dikwerf het minst verdraagzaam; zij vervolgen hen, die gelooven, met spot en hoon.

Aan eene zuster die een veelbel ovenden zoon had verloren, schreef hij een troostbrief, waarin hij haar vermaant hare rechtmatige droefheid niet te laten overslaan tot opstand tegen het bestuur Gods en wijst er haar op hoeveel zegeningen God nog dagelijks schenkt en hoeveel omringend gevaar, Hij afwendt. „Wij moeten niet aan deze wereld kleven, noch ons tehuis daarin zoeken. In het gelukkigste geval duurt het nog 20 of 30 jaar en dan zijn wij uit de zorgen van dit leven, en onze kinderen zijn op het punt gekomen waarop wij thans zijn en worden met verwondering gewaar, dat het vroolijk begonnen leven weder begint te tanen.

Het zou het aan-en uitkleeden niet waard zijn, wanneer het daarmede gedaan was."

De bijbel die Von Bismarck naliet deed duidelijk zien, dat hij door den grooten staatsman veel gelezen was.

In oorlog en vrede was hij des avonds voor hij zich ter ruste begaf gewoon om uit de belijdenisschriften der Broedergemeente en uit de „geestelijke opwekkingsuren" van Heinrich Muller te lezen.

Wij zullen ons er wel voor wachten om over dit alles den staf te breken. Slechts willen wij opmerken dat het persoonlijk leven en belijden van den grooten staatsman niet het uitgangspunt was van zijne handelingen als staatsman.

Engeland. Het kerkelijk vraagstuk opnieuw aan de orde.

De dood van den grooten staatsman Gladstone, zal voor de liberale partij in Engeland het onaangenaam gevolg hebben dat de verdeeldheid in eigen boezem zal toenemen. Gelijk we reeds meermalen hebben aangetoond bedoeld de liberale politiek van Gladstone niets anders, als wat in Nederland de anti-revolutionairen beoogen, terwijl wij de staatkundige tegenstanders der liberalen, of de zoogenaamde Tories, conservatieven met een Christelijken tint kunnen noemen. De liberale politiek die Gladstone beoogde werd gesteund door bijna al de leden der Nonconformistische kerken. Gladstone zou nooit hebben kunnen tot stand brengen wat hij wrocht, indien niet de leden der vrije kerken hem met vereenigde kracht hadden bijgestaan.

Nu is het vraagstuk, of in een land als Engeland een gepriviligeerde staatskerk mag blijven bestaan, alleen maar in Ierland opgelost. In Schotland waar ongeveer de helft der bevolking van lieverlede tot de vrije kerken ging behooren, in het vorstendom Wales waar de meerderheid der bevolking aan de Episcopaalsche Staatskerk den rug toekeerde, bleef het privilegie der staatskerk jaar in jaar uit gehandhaafd.

Het is begrijpelijk dat dit den leden der vrije kerken begint te verdrieten. Zij willen ook gaarne dat Ierland „Home rule" zelfregeering krijgt, maar nu het steeds meer blijkt dat het staatsgeld, tot onderhoud der Episcopaalsche kerk gegeven, gebruikt wordt om het volk te leiden in Roomsche paden, en alzoo een contra-reformatie in het leven te roepen, verlangt men dat het kerkelijk vraagstuk in de eerste plaats aan de orde gesteld worde.

Het optreden van den heer Keiislt heeft daartoe niet weinig medegewerkt. De manier van doen van dien Londenschen heer moge onhebbelijk zijn, maar hem komt de eere toe, dat hij het Engelsche volk heeft laten zien, hoever men in de Episcopaalsche kerken op den weg der contra-reformatie gevorderd is. Altaar gewaden, kruisen, wierookvaten, het bedienen van de mis, beelden van de maagd Maria, enz., enz. wekten de ergernis van den heer Kensit en van zijne volgers, die zich in luide protesten openbaarde. Daardoor werd de vraag aan de orde gesteld: „mag men van staatswege de Episcopaalsche kerk blijven onderhouden, wanneer hare predikanten zich niet houden aan den regel die door den staat voor haar zijn voorgeschreven? "

De bisschop van Londen antwoordde op de klachten van Kensit, dat wanneer hij in de eene parochiale kerk niet eene godsdienstoefening naar zijn smaak kan volgen, hij wel in eene andere datgene zou vinden wat hij zocht. Daardoor bewees deze groot waardigheids bekleeder, dat feitelijk in de Episcopaalsche kerk ieder doet, of althans doen kan wat goed in zijn oogen is. Ook daaraan willen de Nonconformisten paal en perk stellen. Zij verlangen dat de Episcopalen zoolang zij de privilegiën hebben van de staatskerk, zich ook binnen de perken van het book of common prayer, gelijk dit van staatswege is voorgeschreven, zullen houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1898

De Heraut | 2 Pagina's

Buitenland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 september 1898

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken