Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

IN DEN DRUK,

XXI.

Op Hohentwiel vinden we hertog Ulrich weder. Reeds vroeg in den morgen van een schoonen zomerdag bevond zich de hertog in zijn kamer, een groot vertrek, dat minder meubelen bevatte dan voor de gezelligheid goed was. Doch tijdens des ridders afwezigheid had niemand er aan gedacht de vroeger bijna niet gebruikte kamer in orde te brengen, en de middelen van den hertog lieten niet toe alles in vorstelijken, ja ook maar in behoorlijken staat te houden. Wel hinderde hem dat, hem die vroeger zoo goede dagen had gekend en op geen geld had gezien, doch de Heere God die nog een groote taak voor hem had, onderwees hem in de school der beproeving. En gelukkig behoorde de hertog tot dezulken van wie de apostel getuigt, dat bij hen „de kastijding werkt een vreedzame vrucht der gerechtigheid", dezulken „die er door geoefend worden."

Blijkbaar wachtte hertog Ulrich op dit vroege uur reeds iemand, en inmiddels korte hij zich dien tijd met het zingen van een^ied, gelijk hij de gewoonte had te doen als zijn geest gedrukt was. En krachtig klonk zijn schoone stem door het ruime vertrek, terwijl hij aanhief:

„Mijn wegen heb ik Hem bevolen,

Die raad en leiding geeft en troost, Van Hem zal eens mijn heilszon dagen,

Gelijk het morgenlicht in 't Oost. De nacht zal niet duren 'k Spring over muren Met mijnen God.

Hij stiert mijn lot.

Schoon ook benden mij omringen

En bespringen,

'kZal niet vreezen. Want God wil mijn redder wezen!"

Nauwelijks was het gezang geëindigd, of er werd aan de deur geklopt. Een oogenblik later trad Max Stumpf von Schweinsberg, de slotvoogd, binnen. Zijn heer reikte hem vriendelijk de hand en vroeg :

„Zonder ongeval weergekomen, Max? " „God zij geloofd, ja, " was het antwoord, , „schoon ik in het Wurtembergsche soms gevaar heb geloopen. Oostenrijk heerscht er met een zware hand, en al geloof ik niet dat strenge heeren lang regeeren, toch is voor het oogenblik geduld ons wachtwoord."

De hertog zag eenigzins teleurgesteld den spreker aan en vroeg:

„Hoe bevondt gij het volk." „O, dat is het juist wat mij moed geeft", sprak de slotvoogd. „Het volk blijft u en uw huis trouw; zelfs diegenen die vroeger den Zwabischen bond aanhingen, zijn nu door ervaring wijs geworden. De boeren zeggen ronduit: „Al is ons dan niet vergund van hertog Ulrich te spreken, dan zullen we toch van hem droomen."

De hertog werd geroerd en sprak: „God geve dat ze nog eens wat beters doen en we elkaar ook in werkelijkheid wederzien."

„Dat zij zoo", sprak de slotvoogd, „en het zal ook, geloof ik, zekerlijk geschieden."

„Ik dank u voor uw trouw en goede hoop", hernam de hertog. „Laat nu Janowitz hier komen."

De slotvoogd vertrok, en de hertog, na met Janowitz het ontbijt gebruikt te hebben, wilde pch met hem onderhouden over hetgeen dien dag moest geschieden, toen hem gemeld werd dat er een bode met brieven gekomen was. Haastig liet hertog Ulrich den man tot zich brengen, nam de schrifturen in ontvangst, en gelastte hem toen in de keuken een goeden maaltijd te gaan gebruiken, en te wachten tot hij antwoord kon meenemen.

„Van George", sprak hij bij zichzelf, 't zegel verbrekend.

Hij liep den brief door, die niet lang was, doch blijkbaar wichtig van inhoud, want de gelaatstrekken des lezers toonden soms hevige ontroering, tot hij eindelijk het geschrift neerlei, en in diep gepeins verzonk.

't Was geen wonder, dat hem die brief treurig stemde. Veel was den hertog reeds over't hoofd gegaan, doch hij had het als man gedragen, als Christen onder het lijden geduld geoefend en gebeden. Doch in den laatsten tijd was de toestand al erger geworden. De hertog had, gelijk zijn broeder, kennis gemaakt met een gebrek, waar hij dusver nooit aan had geleden: geldgebrek. Uit zijn hertogdom vloeiden hem natuurlijk geen inkomsten meer toe. De trouwe vrienden die hij had, en die bereid waren alles voor hem te doen, schenen niet te vermoeden, dat hun heer in groote verlegenheid verkeerde, meer moeite had om te leven en zijn stand op te houden dan de meesten hunner. En de hertog was te fier om zijn getrouwen iets te laten merken van zijn ongelegenheid.

Trouw had George dusver voor zijnongelukkigen broeder gezorgd, doch de taak werd hem te zwaar. De goederen van het Wurtembergsche huis waren, de enkele die over den Rijn lagen uitgezonderd, in vreemde handen. De twee burgten in den Elzas kostten vrij wat aan onderhoud, en brachten weinig of niets. op. En zoo had graaf George dan op alle wijs raad moeten schaffen tot hij er eindelijk niets meer op wist.

„Ik kan nu eerlijk verklaren", zoo schreef hij zijn broeder, „dat alle middelen zijn uitge put. Hoe gaarne ik ook wil, ik kan u geen geld meer zenden; ik heb zelf niet. Noch Joden noch Christenen willen meer kenen"

Joodsche en Christelijke bankiers en geldschieters waren destijds vaak de toevlucht van groote heeren bij geldverlegenheid. Men weet uit de geschiedenis hoe de Vader des Vaderlands, prins Willem I, ook den Joden te Frankfort zijn zilver en kostbaarheden overdeed, om met de ontvangen gelden ons vaderland van dienst te kunnen zijn.

Een tijdlang bleef de hertog moedeloos zitten. Zulk een pijnlijken toestand had hij nog nooit gekend, 't Was een diepe weg, waarin de Heere hem leidde, een weg moeilijk voor het vleesch. Reeds had hij zich meermalen afgevraagd, of het aanging zoo op kosten zijns broeders te leven. Vaak had het hem gehinderd voortdurend eens anders — zij 't ook eens broeders — gast te zijn, al was die gast geen last; dat wist hij Maar alles in den hertog kwam er tegen op, Had hij niet vroeger schitterende feesten gegeven, edelen en vorsten met onbeperkte gast vrijheid aan zijn hof onthaald ? En thans!

Doch er moest gehandeld worden. Niet lan ger kon hij op Hohentwiel blijven, zijn broeder als 't ware nopen tot groote uitgaven. Hij liet zich papier en schrijfgereedschap brengen en richtte toen aan zijn broeder een hartelijken brief. Daarin meldde hertog Ulrich, dat hij, ziende op hetgeen hem pas was gemeld, van zins was Hohentwiel, dat hem nu ettelijke jaren had geherbergd, te verlaten. Dan kon het slot aan enkele bewakers worden toevertrouwd. Hij, Ulrich, zou van zijn broeder komen afscheid nemen, en dan waarschijnlijk in vreemden krijgsdienst treden, tenzij de Heere een anderen weg voor hem opende.

Met den brief, die deze mededeelingen bevatte, vertrok de bode nog diezelfden avond weder. Toen graaf George het schrijven gelezen had, schudde hij droevig en medelijdend het hoofd en sprak:

„Ulrich had vroeger wijzer moeten zijn, doch hij is nu een ander man. Ik heb gedaan wat ik kon, maar ik zal nog eens een poging wagen om hem te helpen, en in Duitscbland te houden. De tegenspoed zal toch niet altoos duren, en keert de kans, dan is het beter dat mijn broeder nabij dan in den vreemde is."

En de daad bij 't woord voegend zette ook hij zich tot schrijven. We zullen zien wat het uitwerkte.

CORRESPONDENTIE.

Op ettelijke vragen hopen we spoedig te antwoorden. Óngeteekende echter komen niet in aanmerking. Onze vriend F. v. W. te H. die er 6 tegelijk zendt, met verzoek om spoedige beantwoording, zal wel eenig geduld willen oefenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 september 1898

De Heraut | 2 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 september 1898

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken