Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

20 minuten leestijd

DERDE REEKS.

LXIV.

De laatste vijand, dieteniete gedaan wordt, is de dood. I Cor. 15 : 26.

De uitkomst van het dusver ingesteld onderzoek was, dat God tegen de ellende in al haren omvang strijd voert, en dat wij, als geschapen naar den heelde Gods tot gelijken strijd geroepen zijn. Alzoo vlak het tegenovergestelde van wat zoovelen in dool geraakte vroomheid nog steeds drijven willen. Ons is ten plicht gesteld, niet een lijdelijk berusten in leed en ellende als in een oordeel Gods dat over ons komt, maar van ons wordt geëischt, dat we leed en ellende als een gemeenen vijand bestrijden willen. God zelf gaat ons hierin voor, en Christus verstond het, toen hij op aarde was, evenzoo. Lijdelijk berusten is alzoo geen vroomheid, maar besliste zonde, en onder de kinderen Gods moet het steeds luider worden uitgeroepen: Leed en ellende is uw vijand, waartegen ge u wapenen en den kamp opnemen zult. Maar, gelijk we reeds opmerkten, wie dit voor het eerst hoort, stuit op een zeer ernstige moeielijkheid, en vraagt onwillekeurig, hoe dit dan samen kan gaan, dat God eenerzijds leed en ellende als een straf, om der zonde wil over ons brengt, en dat Hij anderzijds zelf tegen dat leed en die ellende strijd voert, die ellende scheldt en bestraft.

De oplossing dier moeielijkheid nu zal ons vergemakkelijkt worden, zoo we vooraf letten op den Dood. Immers van dien dood staat het vast, dat hij als straf voor de zonde in de wereld is gekomen, en van dien dood is het evenzeer uitgemaakt, dat hij in de Heilige Schrift een vijand heet, waartegen God strijd voert. Er staat toch duidelijk dat door de zonde de dood in de wereld is gekomen, wat in zich sluit, dat er, ware de zonde uitgebleven, geen dood zou geheerscht hebben. Alle voorstelling, alsof de dood natuurlijk is, en tot het wezen der schepping behoort, moet op dien grond, door een ieder, die voor de Heilige Schrift buigt volstrektelijk worden afgewezen. Na^tuurlijk volgt hieruit niet, dat de eerste mensch in dat geval eindeloos op deze aarde zou geleefd hebben, eer blijkt het tegendeel. Stellig was het paradijs niet de hoogste gelukstaat. Het rijk der heerlijkheid dat komt, staat boven het Paradijs. Maar uit de verheerlijking van Jezus op Thabor blijkt duidelijk, dat onze menschelijke natuur zeer wel zonder te sterven in een hoogeren toestand kan overgaan; en Paulus heeft ons stellig voorzegd, dat de kinderen Gods, die 's Heeren wederkomst zullen beleven, eveneens niet zullen sterven, maar zonder dood in hooger heerlijkheid zullen veranderd worden.

Het feit blijft alzoo: De dood heerscht op aarde uitsluitend door de zonde. En dat

niet alleen, maar de Schrift leert even beslist, dat God den dood over deze wereld gebracht heeft als een oordeel, en als een straf voor de zonde. De uitspraak: Ten dage als gij daarvan eet zult ge den dood sterven, wijst dit uit. De dood is alzoo niet in dien zin door de zonde in de wereld gekomen, dat hij er als een gevolg uit voortvloeide, maar de dood is gedreigd, en in den dood heerscht een oordeel Gods, dat ons den dood als een straf doet overkomen. Dat dit voor den Christen niet meer zoo is, en dat wie deel aan Jezus heeft belijden mag: „De dood is mij niet meer een betaling voor de zonde, maar een doorgang tot het eeuwig leven, " heft dit feit allerminst op. Immers wat Christus, toen hij ons van den dood verloste, voor ons gedragen heeft, was juist straf, oordeel en vloek. Er valt alzoo niets aan te verwrikken: De dood is door een oordeel Gods als de straf voor de zonde over ons menschelijk geslacht gekomen, en staat alzoo op één lijn met pestilentie, hongersnood, oorlog, en wat andere ellende God om der zonde wil als een straf over ons brengt. De vergelijking gaat in den meest volstrekten zin door. En van dien dood nu zegt de Heilige Schrift ons even beslist, dat hij voor God een vijand is, waartegen God strijd voert, en die door Gods heilig bestel overwonnen en te niet gedaan zal worden. „De laatste vijand, die zal te niet gedaan worden, is de dood." Hierop nu wijzen we met bijzonderen nadruk, om wie nog aarzelen mocht, geheel te overtuigen. Ons vorig betoog toch rustte nog alleen op de uitdrukking: bestraffen van

als de straf voor de zonde over ons menschelijk geslacht gekomen, en staat alzoo op één lijn met pestilentie, hongersnood, oorlog, en wat andere ellende God om der zonde wil als een straf over ons brengt. De vergelijking gaat in den meest volstrekten zin door. En van dien dood nu zegt de Heilige Schrift ons even beslist, dat hij voor God een vijand is, waartegen God strijd voert, en die door Gods heilig bestel overwonnen en te niet gedaan zal worden. „De laatste vijand, die zal te niet gedaan worden, is de dood."

Hierop nu wijzen we met bijzonderen nadruk, om wie nog aarzelen mocht, geheel te overtuigen. Ons vorig betoog toch rustte nog alleen op de uitdrukking: estraffen van de koorts, van den wind enz. en zoo ook op het schelden Gods tegen het wild gedierte, den storm, de heidenen enz. In dat betoog was alzoo de slotsom, dat leed en ellende voor God een vijand zijn, waartegen Hij den strijd aanbindt, nog slechts afgeleid. Hier daarentegen hebben we zelfs zulk een afleiding niet noodig. Het staat er toch letterlijk, duidelijk, en met zooveel woorden: e dood is voor God een vijand; een vijand die wel het laatst, maar dan toch zekerlijk wordt te niet gedaan. Zelfs gaat de Heilige Schrift nog verder en profeteert ons in Openb. 20 : 14, dat het ontzettend oogenblik aanstaande is, waarop de dood geworpen zal worden in den poel des vuurs. Uit de Openbaringen ware hierover nog veel meer te zeggen, maar om de aandacht niet van de hoofdzaak af te leiden, laten we dit hier rusten. Voor het onderhavig doel is het ons genoag, zoo maar op niet te weerspreken wijze is aangetoond: ». dat de dood er door de zonde is; 2'. dat de dood als oordeel en straf over de wereld is gekomen; 3". dat de dood een vijand\s, en 40. dat deswege tegen den dood eea strijd is te voeren, die zal eindigen in zijn tenietdoening.

Thans verbinden we dit met het voorgaande. Er bestaat toch tusschen den dood, en tusschen alle overig leed en alle overige ellende een niet te loochenen verband. Feitelijk ziet men dit bij pestilentie, hongers­

nood en Oorlog. Als de pestilentie is het de dood die door die plage de menschen ombrengt. Hongersnood, het is nog onlangs in Engelsch Indie gezien, velt dbor den dood zijn slachtoffers. En wie weet dat zelfs in onze negentiende eeuw het aantal gedooden door den oorlog en zijn nasleep, ver over de vijfmaal honderd duizend beloopt, kan wel niet in twijfel verkeeren, ofook de oorlog is bondgenoot van den dood. Hetzelfde moet gezegd worden van zee en wind. Ontzettend zijn de verhalen die telkens tot ons komen van de honderden gedooden, die bij schipbreuk, voor altoos door de golven verzwolgen zijn. Eveneens geldt dit van allerlei ongelukken, van brand die uitbrak, van spoorwegrampen, of ongelukken op de rivieren, of met paarden. In Indië worden jaarlijks nog duizenden menschen doodelijk door slangen gebeten of door tijgers verscheurd. Kortom van de breede reeks openbaringen van de ellende die om der zonde wil over ons is gekomen, is het voor een ieder vatbaar, hoe in dit alles de dood werkt en de bittere dood zijn bange triomfen viert.

Toch reikt dit nog veel verder. Ér is, o, zooveel namelooze ellende, die nog wel niet dè volstrekte dood is, zoodat we sterven, maar die toch het leven ten deele voor ons inperkt, het leven drukt en benauwt. Blindheid doet omwandelen als in de donkerheid des doods. Allerlei sleepende ziekten en kwalen, brengen een halven dood over ons menschelijk leven. Gebrek te lijden is half levend sterven. En zelfs als ge let op het meer innerlijke lijden, ook dan is het een schaduw als des doods die over ons komt. Vanzelf voelt een ieder dit bij rouwe, als het de dood was die ons hart beroofde. Maar ook bij ander verdriet, bij alle zielepijn en kwelling van het hart, is het altoos of banden des doods ons omstrikken, of ook alsof een zedelijke dood ons terneêrsloeg. Alle dichters die ons menschelijk leed bezongen hebben, toonen dan ook in hun zangen, dien samenhang tusschen het innerlijk leed en den dood zoo diep gevoeld te hebben, dat ze, elk op hun eigen wijze, in het beeld des doods ons het verdriet onzer ziele hebben vertolkt. De dood is niets op zichzelf. De dood is levensbeneming. Dit nu kan in volstrekten zin geschieden, en dan sterven we. Maar dat leven kan ook ten deele worden aangetast, het genot van dat leven kan voor een deel ons benomen worden, en al wat de kracht van ons leven breekt, of de volle genieting van het leven derven doet, is een begin van dood, een sterven nog terwijl we leven. En nu zegge niemand, dat dit slechts beeldspraak is. Wie zoo spreekt, kent het lijden in zijn doodelijke bangheid niet. Of vraag het maar aan dien ongelukkige, die in zelfmoord heil zocht, of dat levend sterven door leed en zieleangst hem niet nog harder viel te dragen, dan den dood opeens, den dood in zijn volkomen uitwerking, den dood in zijn volstrektheid.

Zoo zijn de feiten, en hetgeen de Schrift omtrent het opkomen van leed en ellende leert, zegt ons dat het niet anders kan. Er was slechts één ding, zoo de mensch tegen

God opstond, bedreigd, en dat ééne was de dood. Slechts van één oordeel is vóór den val sprake, en dat ééne was het oordeel des doods. Van geen andere straf voor de zonde was sprake dan van den dood. En in dat ééne bange woord : Gij zult den dood, d.i. dat is den eeuwigen, den volstrekten dood sterven, had God Almachtig al de komende openbaring van zijn toorn saamgevat. Van een andere ellende, die nevens of voor den dood zou opkomen staat er geen woord. Ten dage als ge daarvan eet, zult ge den dood sterven, is de eenige, alle leed en ellende en alle eeuwige rampzaligheid in zich saamvattende dreiging van den Heilige. De dood was het inbegrip en de saamvatting van al wat nu of eeuwig 's menschen leven, aanzijn en bestaan benauwen of kwellen zou, naar ziel en naar lichaam. Daarom kon in dat ééne begrip van dood nooit uitsluitend de tijdelijke dood zijn aangeduid. Dan toch had God moeten zeggen: Ten dage als ge daarvan eet zult gij den dood sterven, en en na uw dood eeuwig rampzalig zijn. Doch daar staat niets van. Adam en Eva zouden den dood sterven. Meer niet. Niets er bij. Zoodat noodzakelijkerwijs in dat ééne woord ook de eeuwige dood besloten was.

Wil men den dood recht verstaan, dan moet men den dood alzoo opvatten als het ééne begrip, waarin zich de stralen van twee kanten tegelijk als in één middelpunt vereenigen. In den dood ligt alle eeuwige rampzaligheid, en van den anderen kant alle tijdelijk leed en gemeene ellende begrepen, en de tijdelijke dood is niets dan de overgang die voor den onwedergèborene uit de tijdelijke ellende in de eeuwige rampzaligheid overleidt. Gelijk vroeger in den breede door ons betoogd is, had, terstond na den val de eeuwige dood moeten ingaan. Dat dit werd opgeschort is de gemeene gratie, en onder dit gezichtspunt bezien, is de tijdelijke ellende niets dan de gete7nperde dood. De tijdelijke ellende zijn de weeën, de voorweeën, waarin de dood met gebroken kracht zijn werking als vooruit gevoelen doet. De dood is de wortel, waaruit alle menschelijke ellende opschiet. Dood en ellende zijn van één geslacht. Alle ellende is een begin van dood, een voorsmaak van dood, een eerste station op den langen weg, aan welks einde de dood ligt. Er is geen menschelijke ellende, noch uitwendig noch inwendig denkbaar, of het stempel van den dood staat er op afgedrukt. De dood is de ééne, altijd, opwellende bron, waaruit alle menschelijke ellende voortkomt. Het is de geest, de kracht, de vijandige, demonische macht van den dood, die in al ons leed en in alle onze ellende werkt. Of wil men de dood is als de bekende moederplant, waar al de kleine plantjes van leed en van ellende, als met organische banden aan hangen.

Te erkennen dat de dood een vijand Gods is, de laatste vijand, die zal te niet gedaan worden, en niet te erkennen, dat alle leed en ellende een macht is, die als een vijand tegenover God staat, is alzoo

beide Schrift en ervaring in, het aangezicht weerspreken. Leed en ellende zitten aan den dood vast, vormen met den dood één geheel, zijn van den dood niet af te scheiden. Het zijn de wapenen waarvan de dood zich bedient, om, zoolang hem nog belet is ons den doodelijken slag toe te brengen, ons vooruit te benauwen en te kwellen, en iets te doen voorgevoelen van zijn nadering. „De banden des doods hadden mij omvangen en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik' vond benauwdheid en droefenis, " dat is het pijnlijk besef, de angstige gewaarwording, die we bij alle zielsbeklemdheid onder het leed der ziele en des levens doormaken. En daarom is de dood een vijand Gods gesteld, een vijand dien God bestrijdt, en dien God wil dat wij bestrijden, dan kan er ook geen twijfel rijzen, of ons leed en ellende is een vijand Gods, ons als uit de vooruitwerking van dien éénen doodelijken vijand toekomende, en dus staat het hiermee tevens vast, dat God ook tegen leed en ellende strijd voert, en van ons eischt, en het ons oplegt, dat wij onverzoenlijk en standvastig, met mannenmoed van geloofstrouw den strijd tegen alle leed en tegen alle ellende zullen aanbinden.

In het Oude Verbond ziet ge dan ook, hoe de dood als een vijand Gods ontwijdde en ontheiligde. De Hoogepriester van Jehova mocht deswege zelf zijn naaste bloedverwanten niet begraven. Alle aanraking met een doode maakte onrein, en om weer Levietisch rein te worden, moest een offerande worden gebracht. Duidelijker kon het wel niet worden uitgedrukt, dat God den dood verafschuwt, en de dood Gode een wederpartijder is. Maar ditzelfde wordt nu volstrekt niet enkel van den dood geleeraard, maar ook ziekte, denk slechts aan de melaatschheid, maakte onrein voor God en eischte verzoening. Was nu de melaatschheid geen pestilentie.'' Was ze geen oordeel .'' Was ze geen plage.' Was ze geen straf .^ Overkwam ze niet van Godswege den ongelukkige.' Ongetwijfeld. Maar desniettemin maakte ze onrein, was ze een booze macht, die over den bezochte kwam, en moest die booze macht als vijand afgeweerd en bestreden worden. Israels wet zegt dan ook van verre niet, dat de bezochte onder het oordeel Gods lijdelijk verkeeren moest. Integendeel de zorgvuldigste strijd tegen de melaatschheid is den bezochte zoowel, als den priester opgedragen. Een lijdelijke Jood zou God verzocht en zijn wet overtreden hebben. En dan eerst kon een Jood zeggen, bij zulk een plage, recht voor God te staan, zoo hij in de melaatschheid, evenals in den dood, een vijand zag, die op alle manier moest worden bestreden. Zelfs de muren van het huis moesten worden afgekrabd.

Zoo bevestigt zich, van den dood uit bezien, geheel de voorstelling, waartoe we gekomen waren. Aan het leed toegeven, en er in berusten, er niet tegen strijden, maar er stil onder zitten, is zonde, is een vijand Gods in de hand werken, en zich

tot een bondgenoot maken van een macht, die God als een vijand tegenover zich stelt en bejegent. Op dat stellige woord der Schrift: De dood is de laatste vijand, kan daarom niet genoeg de aandacht worden gevestigd. Natuurlijk is de dood niet de eerste vijand: De eerste vijand blijft Satan.

Maar na Satan gaat in twee lijnen de vijandschap uit. Eerst in de geestelijke lijn door val en zonde, en daarna in de uitwendige lijn door vloek en dood; en op die lijn van vloek en dood ligt nu alle uitwendig lijden, en alle lichamelijke ellende,

die ons in dit leven, of hiernamaals overkomen kan. De oplossing van de moeielijke vraag, hoe beide bestaan kan, eenerzijds dat de ellende een straffe Gods is, en anderzijds dat wij de ellende met alle macht bestrijden moeten, is dan ook niet op te lossen, dan door terug te gaan op den oorsprong van dood en ellende in Satan. Eerst als helder is ingezien, dat de laatste oorsprong van het lijden niet in God ligt, maar in den Duivel, kan het klaar voor ons worden, hoe de ellende over ons móést komen,

en hoe toch strijd tegen de ellende, evenzeer, en niet minder dan strijd tegen de zonde, ons ten plicht is gesteld.

woord is. Het is dezelfde geest, die de Socinianen deed spreken van nieuwe wet ten, die Christus ons had gegeven, waardoor de Oud-Testamentische Wet was afgeschaft; die een Luther in de Wet alleen deed eeren een tuchtmeester tot Christus, maar haar voor den in Christus vrij geworden geloovige alle beteèkenis ontzei; en die in de ethische richting onzer dagen dé Wet e hoogstens beschouwt als een belangrijke oorkonde uit Israels religieuse geschiedenis, maar van haar als de blijvende grondwet voor heel het zedelijke leven niets weten wil. Of wil men liever het is de geest van het antinomianisme, die in allerlei vorm en gestalte zich steeds in Christus' kerk heeft geopenbaard. Tegen dezen geest nu, voorzoovcrrc hij zich ook in onze kerken openbaart, kan niet ernstig en principieel genoeg de strijd worden aangebonden. Het geldt dan niet langer een liturgische gewoonte, de vraag, of het wenschelijk is of niet de Wet juist iederen Zondag te lezen, maar een der meest cardinale punten onzer Gereformeerde religie. Op dit punt ook maar een voetstap te wijken zou ontrouw zijn aan de heerlijke belijdenis, die God de Heilige Geest aan onze kerken schonk. Het voor­ et lezen van de Wet wordt dan slechts een vooropgeschoven pion, waartegen schijnbaar de aanval zich keert, maar die niet minder bedoelt dan na die pion te hebben weggenomen schaak te geven aan den koning zelf. Het gaat dan niet langer om het ondergeschikte punt van het voorlezen, maar om de geheele beteèkenis van de Wet zelf. Want wel heeft men getracht aan dezen aanval een minder scherp karakter te geven, doordat men wees op de „Israëlietische inkleeding" van de Wet, waardoor wel de grondtrekken van de Wet, maar niet haar letterlijke inhoud voor ons. Christenen, gold, maar men gevoelt, dat dit slechts een doekje is voor het bloeden. Onze Gereformeerde vaderen, en de Heraut op hun voetspoor, hebben steeds erkend, dat bij de Wet onderscheid moet gemaakt worden tusschen vorm en wezen, inkleeding en gedachte, maar er terstond aan toegevoegd, dat dit voor het onderhavig geding niets beshst, om de eenvoudige reden, dat God de Heere ons de Wet in geen anderen vorm geschonken heeft, en wij dus aan dezen vorm waren gebonden. In eiken Gereformeerden Catechismus wordt dan ook op de vraag wat voor den Christen de eenige regel des levens is, geantwoord: „De Wet des Heeren", en op de vraag wat deze Wet inhoudt niet verwezen naar eenige grondtrekken van de Wet, maar naar de Tien Geboden, zooals God de Heere die op Sinaï schonk. Eerst bij de toelichting dier Tien Geboden kwam dan het verschil tusschen Israël en ons, of wil men liever tusschen vorm en inhoud ter sprake. Wie een anderen weg volgt, de practijk heeft het telkens getoond, breekt, ook al wordt het zoo niet bedoeld, het gezag van Gods heilige Wet in de consciëntie af. Juist omdat het verzet tegen het voorlezen van de Wet in zoo vele kerken een principieel karakter draagt, gelooven wij, dat onze broeders, die, zij het dan ook op geheel andere gronden, deze oude gewoonte willen afschaffen, niet voorzichtig handelen. Zij werken, schoon huns ondanks, het antinomianisme in de hand. Toch is dit, tot hun rechtvaardiging moet dit gezegd, geenszins hun bedoeling. Hun verzet wortelt niet in antinomianisme, maar in afkeer van alle vaststaande en bindende liturgie, in een verwerpen van den vorm, omdat de vorm zoo vaak tot formalisme leidt. Ook dit is een geestesrichting, die in Christus' kerk niet nieuw is. Calvijn had er reeds meê te worstelen te Geneve, en moest zijn liturgie op zeer belangrijke punten wijzigen, omdat de gemeente te Geneve met Calvijns opvatting van de liturgie het niet eens was. In Engeland, juist door het overdreven ritualisme der Episcopale kerk, werd bij de Dissenters, Non-conformisten en Independenten dezelfde afkeer van alle vaste liturgie weer opgewekt. Door den invloed van deze Engelsche schrijvers, vooral van Owen, werd dezelfde geest ook in ons land aangekweekt. Men kent Koelmans strijd. En nog werkt deze geest in onze kerken na in den tegenzin tegen het liturgisch gebed, tegen het gebruik van het Onze Vader, de voorkeur voor het vrije woord bij Doop en Avondmaal en wat meer op deze lijn ligt. Al de gewone argumenten, waarmede deze richting de liturgie in het algemeen bestrijdt, keeren dan ook bij het verzet van het lezen der Wet weer; het is een vorm, die door het telkens herhalen geestdoodend werkt; Gods Woord geeft nergens een gebiedend voorschrift, waaruit de noodzakelijkheid van dit gebruik blijkt; de vrijheid der Christenen wordt door zulke inzettingen aan banden gelegd. En daarbij komt, dat men meent vooral op dit punt zeer sterk te staan, omdat geen enkele Generale Synode der Gereformeerde kerken in Nederland dit voorlezen der Wet heeft voorgeschreven, onze officieele liturgie er met geen enkel woord melding van maakt en dus hoogstens van een „gewoonterecht" sprake kan zijn. Aan dit gewoonterecht nu hecht men in het geheel geen waarde. Calvijn heeft immers zelf telkens herhaald: Christus zegt niet: Sum Consuetude (ik ben de gewoonte) maar Sum Veritas (ik ben de waarheid). Wie zich beroept op de gewoonte staat dus lijnrecht tegenover Calvijn. Of Calvijn het met deze exegese van zijne woorden eens zou zijn, wagen wij te betwijfelen. Wie onze oude Kerkenordeningen kent of Voetius' meesterwerk, zijn Politia Ecclesiastica, doorbladerde, weet hoe groote plaats juist daar aan de „gewoonheid der kerken" wordt toegekend. Naast het beschreven recht loopt overal en te allen tijde het recht van gewoonte. Zelfs de jurisprudentie van den Staat houdt er wel degelijk rekening mede. Wanneer Calvijn en de mannen in zijn school gevormd hun scherp protest tegen „de gewoonte van Ro stition dekken, ceremon heilighe in deze nig hen dreef b zijn Ins het niet goede af te sc door on ja waar •zulke v heid be Met lezen de te doen naar ei houden formeer reeds e kerken, daarbuit niet op redenen dat dez van het niet lan Dat nu reed in dit s liturgie zaamhei 10. aan danken ristiek langrijk de oors innam. Wat dit geb daarop lezen v Geloofsa de Gere is van m den oor saam. men hi Roomsc overgen element kent no van het Gereform instellin Dit f gaan ve vadersch zelf toe Praktisc professo ven, sch ben, hoe op Zon dat door loog in ingevoer juist. R ordnung dat iede Vader, Geloofsa Codex L had in overgeno Essai su en gelijk vergelijk die Alts 1894 pa Duitsche burg de Zelfs zo ben, also zet was liturgieën komen v drukkelij is dit ni bronnen althans dag vóó zingen li bijzonder te Straa leesbaar den, wa door ee Straatsbu schreven ven in 1 seizième in 1886 langrijks vijns ou die blijk ders uit berij ha door een sel, dat zong. H deelinge wat de vóór de de Tien pseaulme apres, la les dix c je eusse (p. 22) liturgie d uitdrukk boden v Liturgia 1551. H nam in onomsto is het te werd aa landsche dat de G in 1563 uitgaven gebruik Alleen t

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1898

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 november 1898

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken