Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

DERDE RKEKS.

LXXXII.

Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen. Col. I : 26.

Uit het nu afgehandelde stuk over den .samenhang, die er tusschcn de Gemeene gratie en Gods Voorzieniglieid bestaat, bleek ons hoe God gewild heeft, dat de menschheid een Iiisiorie zou doorloopen Het is na den val niet plotseling uit, maar de wereld gaat door. Er volgen dagen, maanden, jaren, eeuwen; en dat die eeuwen elkander rusteloos opvolgen, is alleen mogelijk door het intreden der Gemeene gratie. Denkt ge u die \\& g, dan zou alras het onheilig vuur van zonde en vloek de vlammen laaie hebben doen uitslaan, en het menschelijk leven OJD deze planeet zou een prooi van algeheele verwoesting zijn geworden. Maar dank zij de Gemeene gratie blijft dat vernielend vuur in staat van gedempte smeuling. De vernieling die dreigde wordt tegengehouden. En zoo eerst werd het mogelijk, dat er op het Paradijs, en na den val, een historie stond te volgen, en dat zich een onafzienbare tijd ontsloot, die nu reeds eeuwen lang zonder tusschenpoozen voortschrijdt.

Toch zou dit volgen van eeuw op eeuw geheel doelloos zijn geweest, indien het tot niet anders had gestrekt, dan om het bestaande onveranderd te laten voortbestaan. Hoe groot ook de genade ware, die zich in dat louter doen voortbestaan van ons geslacht zou hebben uitgesproken, toch zou het aldus gerekte bestaan voor den mensch op aarde niet zóó uitlokkend geweest zijn, dat een herhaling zonder eind van een gelijksoortig leven, als Adam na zijn val ten deel viel, in zichzelf reden van bestaan zou hebben gehad. Van den toestand waarin Adam zijn lange existentie na den val, over niet minder dan negen eeuwen, gesleten heeft, kunnen we ons thans moeilijk meer een voorstelling vormen; maar stellig zou elk onzer het hart ineenkrimpen, als het ons opgelegd werd, al ware het ook slechts een leven van vijftig jaar, in zulk een toestand te doorleven. En nu was er in Adams leven nog vooruitgang. Maar als we den toestand, waarin Adam verkeerde, nemen, niet gelijk die ten slotte wierd, maar gelijk die was in de allereerste jaren, toen het Paradijs pas verdwenen was, en hij met Eva alleen, en met een paar nog hulpelooze kinderen, op de gevloekte aarde zich tegen een verwilderde natuur en tegen de wild geworden dieren te beveiligen had, om zonder eenig instrument tot zijn huipe, als met zijn handen, aan de aarde zijn brood te ontworstelen, dan gevoelt ieder toch bij het indenken, hoe Adams eerste existentie na den val bitter hard en hopeloos verlaten moet geweest zijn. Ware daarin nu geen verandering gekomen, ware daarop geen ovAmVk^Ymg, geen vooruitgang gevolgd, en hadden de eeuwen die daarna kwamen, niets opgeleverd dan het altoos weer verschijnen van nieuwe menschenparen, gedoemd om in geheel denzelfden toestand hun pijnlijk bestaan voort te zetten, waartoe zou dan zulk een redelooze repetitie van menschelijke ellende hebben gediend.?

Neen, zou er op den val een menschelijke Historie volgen, dan moest er iets heel anders gebeuren, dan moest de mogelijkheid ontsloten worden, om uit den toestand waarin men was allengs uit te komen, en in een anderen, meer gewenschten toestand over te gaan. Zoo alleen verkreeg elke nieuwe eeuw van menschelijke existentie een doel, een taak, een roeping. Zij had van een vorige eeuw het verleden over te nemen, en dit gezuiverd en veredeld, en verrijkt met nieuwe vinding, aan de eeuw die dan komen zou over te leveren. En bleek nu, dat op die wijs elke komende eeuw den door vroegere eeuwen begonnen bouw voortzette, en toonde de uitkomst dat dit niet uitHep op een los op elkaar stapelen van steenen die weer uiteenvielen, maar dat als resultaat van den arbeid veler eeuweif saam, ten slotte vaste lijnen, muren in het lood gezet, en een gevel die sprak, te voorschijn kwamen, dan trad aan het licht, hoe deze arbeid der eeuwen onbewust door een ongezienen Bouwmeester geleid werd; en juist die ongeziene leiding, die deze Opperste Bouwmeester aan het werk aller eeuwen gaf, maakte dan het leven der menschheid in deze eeuwen tot een Historie. Onze vaderen beleden dit van oudsher in het stuk van Gods Besluiten. In die Besluiten lag alles vast en bepaald. Niets kon in der eeuwen loop uitkomen, tenzij tdt die Besluiten en overeenkomstig die Besluiten. Iets dat aanzijn of wezen zou hebben buiten die Besluiten, anders dan in die Besluiten stond, of tegen die Besluiten in, scheen hun volstrekt ondenkbaar. En evenzoo beleden ze van die Be-.sluiten zelve, dat ze niet de uitdrukking waren van onsamenhangende willekeur, maar dat in die Besluiten met de hoogste wijsheid én het einddoel gekozen, én op dat einddoel alle ding als middel ^^QXÏdüX Was

Zoo voor de Schepping, als voor de Historie die daarna kwam, boden alzoo die Besluiten Gods ons het volledig program. Zoo als het in die Besluiten stond, zóó en niet anders zou het komen. Of juister nog gezegd, gelijk het in die Besluiten stond, zóó was het verleden geweest, zóó was nu het heden, en zóó zou de toekomst zijn. God was niet eerst zonder zijn Schepping, en zonder de Historie, en zonder de eindelijke Heerlijkheid, om eerst daarna, uit dit niet opgewaakt, eerst door de Schepping en door de Historie, de wereld zijner aanschouwing te erlangen. Neen, van eeuwigheid af zijn de Besluiten, en in die Besluiten bezat God van eeuwigheid de kennis en de aanschouwing van heel zijn Schepping, van heel de Historie en van heel de Heerlijkheid die komt. En het onderscheid tusschen hetgeen nog in die Besluiten is en tusschen hetgeen reeds znt die Besluiten is voortgekomen, bestaat alleen in ditzelfde onderscheid dat gij zelf als voor oogen ziet tusschen den eikel, waaruit de eikeboom straks opschiet, en dien eik zelven. De band die de Historie met de Schepping, en de enkele stukken der Historie tot één geheel, en aller eeuweri loop tot één aanbiddelijk drama verbindt, is alzoo niet óns overleg, noch zelfs óns bewustzijn, maar eeniglijk het bewustzijn Gods in zijn eeuwig Besluit. En onze kennis van de Historie is niets dan een zwak inzicht in den samenhang, dien God in zijn Besluit voor den loop der Historie verordend heeft.

De Gereformeerde Belijdenis, die meer dan eenige andere, .op het stuk der Besluiten nadruk legde, had daarmede volstrekt niet alleen de uitverkiezing dergenen die ten leven zouden ingaan op het oog. Ongetwijfeld beheerschte in Gods Besluit de zaligheid der uitverkorenen al het overige. Edoch . niet als einddoel noch op zich zelve. Einddoel bleef haar steeds de zelfverheerlijking van God Drieëenig, En onder dit hooge einddoel werd nu de toebrenging der uitverkorenen alleen daarom onmiddellijk gerangschikt, omdat God zelf den mensch als profeet, priester en koning aan het hoofd zijner gansche Schepping geplaatst had, en overmits voorts die aldus bevoorrechte menschheid alleen in deze uitverkorenen, gedacht als het Lichaam van Christus, die zelfverheerlijking van God Drieëenig rechtstreeks en ten volle dienen kon. Maar juist daarom mocht dan ook het Besluit der uitverkiezing geen oogenblik los gedacht worden van liet geheel van Gods Besluiten. De uitverkiezing mocht in die Besluiten de eindspil zijn, waarom het geheel zich bewoog, toch stond ze met geheel den overigen inhoud van die Besluiten in organisch verband. De roeping der uitverkorenen stond in rechtstreeksch verband met het leven van Christus' kerk. Het leven van Christus' kerk met het volk van Israël. Het volk van Israël met de existentie en de historie der overige volkeren. Het leven dier overige natiën met de existentie der stammen, geslachten, gezinnen en der enkele personen. Heel dit leven der volkeren met de ontwikkehng van 's menschen kennen en kunnen. Dit kennen en kunnen der menschen met het leven der natuur om ons heen. En eindelijk dat leven van de natuur om ons heen met de existentie van zon, maan en sterren, of wilt ge met de existentie en het verloop van het heelal. Eerst dat alles saam, gelijk het was, is en zijn zal, vormde den inhoud van de Besluiten Gods, en eerst in dien samenhang bezat de uitverkiezing haar hooge en rijke beteekenis.

Doch dan springt het ook in het oog, hoe de Gemeene gratie in de Besluiten Gods niet kon gemist worden, ja hoe eerst, dank zij het motief van deze Gemeene gratie, de Historie der menschheid in de Besluiten Gods kon worden opgenomen. We laten in dit verband het vraagstuk der Beneden-of Bovenvaldrijving uiteraard buiten bespreking, maar dit staat dan toch vast, dat zoowel de voorstanders van het ééne als die van het andere stelsel, erkennen, dat de val in het Besluit als feit was opgenomen. Geen man van Gereformeerden huize heeft ooit geleeraard, dat de val er buiten de Besluiten om was gekomen, noch ook dat de Besluiten ter oorzake van den val, later gewijzigd zijn. En gaan we nu van dit vaste standpunt uit, dat de val in het Besluit is, dan zou in datzelfde Besluit na den val niet anders dan de wegzinking van deze wereld in het eeuwig verderf kunnen gevolgd zijn, indien niet de Gemeene gratie deze plotselinge ineenstorting van het heelal had afgeweerd. Op den val volgt dan ook onmiddellijk het intreden der Gemeene gratie. Edoch, en hier lette men op, niet als een willekeurig inge­ , schoven hulpmiddel, maar als rechtstreeks door het einddoel van Gods Besluiten geëischt. De zelfverheerlijking van God Drieëenig is de eenige beweegreden waarom het heelal ontstaat. Er was, buiten het zoeken Gods van zijn eigen verheerlijking, niets waarom de Schepping ontstond. Niets buiten zichzelf bewoog God tot de schepping, en allerminst had die schepping plaats om der menschen wille. De mensch is in de Schepping zelve begrepen, en hoe hoog ook de rang zij, dien God hem in die Schepping aanwees, toch is en blijft ook de mensch onder de middelen begrepen. Hij ontstaat in en met de - wereld, omdat God door dien mensch als priester zich heel de '.vereld wil zien toewijden, en omdat Hij er lust aan heeft, zijn eigen beeld in die menschenwereld af te spiegelen. Maar altoos blijft alles wat in die wereld is, wat met die wereld saamhangt, of die wereld aanbelangt, ondergeschikt aan het eenig einddoel, dat God zich gesteld heeft, en dat uitsluitend ligt in zijn eigen zelfverheerlijking. Zelfverheerlijking is daarom bij den mensch, door trots en hoovaardij, zoozeer de moeder van alle zonde geworden, omdat alle menschelijke zelfverheeerlijking rechtstreeks ingaat tegen het einddoel aller dingen, en .zelfverheerlijking alleen Gode, en nooit aan eenig scnepsel toekomt. Komt derhalve de val in het Besluit voor, dan moet onmiddellijk daarop in datzelfde Besluit ook niet alleen de Particuliere gratie, maar moet tegelijk daarmede ook de Gemeene gratie als machtige drijfveer worden opgenomen. Immers de val, niet gevolgd óók door de Gemeene gratie, zou heel het voortbestaan der wereld voor altoos aan de zelfverheerlijking Gods onttrokken hebben. Iets wat in de Besluiten Gods ondenkbaar ware, overmits juist het voornemen Gods om zichzelven te verheerlijken, alle Besluit en alles in de Besluiten bepaalt.

Of zoudt ge wanen, dat het intreden der Particuliere genade genoegzaam ware geweest, om de verijdeling van dit „einddoel van de wegen des Heeren" te voorkomen.' Doch denk het dan in. De Particuliere genade redt ten eeuwigen leven hen die daartoe van God verordineerd zijn, en zulks wel in het door God gewild verband met Christus als hun Hoofd. Maar om menschen, die zondaars wierden, ten eeuwigen leven te redden, moeten die personen toch geboren worden. XQ moeten er toch eerst zijn. p En hoe zouden nu, laat ons zeggen, de uitverkorenen Gods die in deze onze 19e eeuw leefden of nog leven, ooit tot aanzijn zijn gekomen, indien terstond na den val, ten dage, dat Adam en Eva van den boom der kennisse aten, aan beiden de dood, gelijk hun bedreigd was, overkomen ware.? Dan was noch Abel, noch Kaïn, noch Seth ooit geboren, en zou er geen menschelijk geslacht geweest zijn. Reeds om de personen der uitverkorenen te doen geboren worden, moest er alzoo, na den val, tempering van het doodvonnis intreden, en een voortgezette existentie van ons geslacht mogelijk worden gemaakt; en dit juist kon alleen geschieden, en is alleen geschied door de Gemeene gratie.

Doch dit is niet al. Eenmaal geboren moesten die uitverkorenen toch ook als menschen leven kunnen, in hun gezinnen, in hun geslachten, in hun stammen, in hun volkeren. Als menschen moesten ze toch een natuur om zich heen vinden, die een menschelijk bestaan mogelijk maakte. Hun geestelijke redding had niet ten gevolge dat ze op eenmaal uit de wereld werden weggenomen. Al stelt ge dit toch op zichzelf denkbaar, en al moet toegegeven, dat God reeds in den moederschoot zijn uitverkorenen kan wederbaren, en terstond na de geboorte tot zich oproepen, gelijk stellig met zeer vele uiiverkorenen het geval is, toch kon dit onmogelijk voor allen gelden. Dan toch ware ons menschelijk geslacht toch weer onmiddellijk uitgestorven. Om alle uitverkorenen ten eeuwigen leven te brengen, moesten velen hunner dus althans zoolang leven, dat ze zelven aan nieuwe uitverkorenen het aanzijn konden schenken. Meer nog, zoolang tot ze niet alleen kinderen geteeld, maar ook die kinderen opgevoed hadden. Minstens een halve eeuw zouden ze dan toch op deze wereld hun bestaan moeten gerekt hebben. En in die vijftig jaar moest alzoo een menschelijke existentie, op een wereld daarvoor geschikt, hun deel kunnen zijn. Welnu, na den val en onder ÜZVL vloek, ware dit alles ten eenemale ondenkbaar geweest, indien niet aanstonds bij de Particuliere genade de Gemeene gratie ware gevoegd, om den vloek te temperen, de uitbarsting der zonde te beteugelen, en een menschelijke ontwikkeling mogelijk te maken.

Men vergist zich derhalve, indien men zich voorstelt, alsof de Particuliere genade op zichzelve genoeg ware geweest. Veeleer is de Particuliere genade, en is met name de uitvoering van het Besluit der uitverkiezing, volstrekt ondenkbaar, indien ge staan blijft bij den val, en het doodvonnis met den vloek. Juist de Particuliere genade, die alleen ten eeuwigen leven redt, roept om de Gemeene gratie, opdat ze haar doel bereiken kunne. In het stuk der Verbonden ligt deze saamhang tusschen het leven der Particuliere genade en het leven der natuur dan ook bezegeld, en het misverstand dat ten deze insloop, kwam alleen daaruit voort, dat men Natimr en Genade op min juiste wijze tegenover elkander stelde. Deze tegenstelling tusschen Natuur en Genade toch maakte maar al te zeer den averechtschen indruk, alsof de Natuur nog de natuur in haar oorspronkelijken staat was, gelijk de Schepping die tot aanzijn riep, waarbij men dan het feit uit het oog verloor, dat over die natuur de vloek was gekomen, en dat een onder vloek verkeerende «rt/? < ? /rnoodzakelijkerwijs in het verderf wegzinkt, tenzij er geen genade komt om ze op te houden. Zoo zag men voorbij, dat de natuur gelijk we die thans kennen, zelve begenadigd is; begenadigd niet ten eeuwigen leven, maar begenadigd tegen de uitwerking en doorwerking .van den vloek. Indien wij thans, na den val. Natuur en Genade tegenover elkander stellen, mogen we daarmede dus niet anders bedoelen, dan de begenadigde natuur, als staande tegenover de Particuliere genade, die ten eeuwigen leven redt.

Doch, gelijk vanzelf spreekt, ligt hier bij het vervallen in misverstand voor de hand. Stelt men toch Natuur en Genade als twee elkaar uitsluitende begrippen tegenover elkander, dan ontvangen we onwillekeurig den indruk, alsof de natuur buiten alle genade voortbestaat; en alsof er alleen genade bewezen is en bewezen wordt aan Gods uitverkorenen. En dit nu is volstrekt onhoudbaar. Er is gemeene Genade bewezen aan de natuur, en er is particuliere Genade bewezen aan Gods uitverkorenen; en eerst onder deze nadere bepaling gaat de tegenstelling door. Veel klaarder en zuiverder is dan ook de tegenstelling van Schepping en Herschepping, waaraan men thans meer gewoon raakt. Wat wij natuur noemen is al datgene wat zijn oorsprong en wet vindt in de oorspronkelijke Scheping. Dit alles leed wel onder den vloek, die na den val intrad, maar het is de Gemeene gratie, die de doodelijke gevolgen van den vloek afweerde, en een, zij het ook gedrukt, voortbestaan van datgene wat uit de oorspronkelijke Schepping was, mogelijk maakte en verzekerde. En daartegen over staat dan hetgeen uit de Herschepping is, en wat saam het terrein uitmaakt van de Particuliere genade. De Particuliere genade stuit niet alleen, ze schept nieuw. De geredde ten leven is „een nieiav schepsel in Christus". Hij is „de nieuwe mensch". Aldus is geheel de heilige Openbaring. Aldus is de Christus. Aldus zijn alle wedergeborenen. Aldus is de kerk. Aldus is het Lichaam van Christus. Altegader een nieuive Schepping, die wel verband houdt met de oorspronkelijke, want ze is Herschepping, maar toch is dit nieuwe, dat niet uit het oude kan verklaard worden, haar eigen karakter. De onz-iivere tegenstelling tusschen natuur en genade is ons uit de Middeleeuwsche Theologie toegekomen, en kan nog wel gebezigd worden, mits dan altoos met de bijvoeging, dat ook de natuur, in haar zelve gevloekt, alleen door de Gemeene gratie stand houdt. Maar uit het Gereformeerde beginsel volgt toch , veel zuiverder de tegenstelling tusschen hetgeen it de Schepping en hetgeen uit de Hercheppi7ig is. Juist dat toch is het diep ngrijpende onderscheid tusschen alles wat we aan de Gemeene gratie en hetgeen we an de Particuliere genade danken, dat in e Gemeene gratie nooit iets nieuws is, en ooit iets anders dan wat uit de oorspronelijke Schepping te verklaren is, en dat aarentegen in de Particuliere genade niets s dat uit de Schepping komt, maar het al ieuiv is, en alleen uit nieuwe Schepping f Herschepping kan verklaard worden.

Eer we in onze slotreeks aan de pracische beteekenis van de Gemeene gratie g l voor ons menschelijk leven toekomen, is het daarom eisch, dat in de nu afioopende reeks van de leerstellige zijde der Gemeene gratie, nader op haar verband met de Particuliere genade worde ingegaan. Al kon het toch niet anders, of die samenhang kwam ter loops reeds herhaaldelijk ter sprake, helderheid eischt dat op dien samenhang ook meer opzettelijk de aandacht worde gevestigd. En daarbij nu nemen we ons uitgangspunt in wat we straks aangapen, dat de Gemeene gratie allereerst een Historie opent, een breede tijdsruimte ontsluit, een ver zich uitstrekkenden stroom van gebeurtenissen doet uitvloeien, of om het kort te zeggen, een afloopende reeks van eeuwen de eene op de andere, volgen doet. Kan nu, gelijk we aantoonden, die reeks van eeuwen niet een eindelooze herhaling van altijd hetzelfde ten doel hebben, dan moet er in den loop dier eeuwen een gegestadige verandering, wijziging en vervorming van het menschelijk leven plaats grijpen, die, zij het ook door tijdperken van verdonkering heen, steeds meerder licht moet ontsteken, aldoor verrijking van het menschelijk leven moet aanbrengen, en dus het karakter moet dragen van steeds voortgaande ont'wikkeling van minder tot meer, een vooruitgang, een voller levensontplooiing. Wie den afstand indenkt die er nog op dit oogenblik bestaat tusschen het leven van den Hottentot in zijn kraal en het leven van een fijn beschaafde familie in onze huidige Europeesche samenleving, meet de nu reeds doorloopen ontwikkeling als in een oogwenk. En al waant men aan het eind van elke eeuw, dat de vooruitgang zoo verbazend was, dat zich nauwelijks nóg verder gaande on* wikkeling denken laat, toch leert elke nieuwe eeuw, dat het nieuwe dat er telkens weer bij komt, alle vroegere voorstelling te boven gaat. Wat heeft niet weer de 19de eeuw ons menschelijk leven gewijzigd, verrijkt en vergemakkelijkt!

Zeer ten onrechte was men dan ook in vrome kringen vaak geneigd om tegen dien vooruitgang en die steeds verder gaande ontwikkeling van ons menschelijk leven in verzet te komen, en zonder twijfel dient erkend, dat juist de Christenen, door zich aan die gestadige ontwikkeling te onttrekken, oorzaak zijn geworden, dat in zedelijk en godsdienstig opzicht die ontwikkeling zoo dikwijls verkeerde sporen insloeg. Wie in Christus zijn moesten zich tegen die ontwikkeling en dien vooruitgang niet alleen niet verzetten, maar zelfs moesten ze niet van verre blijven staan. Anderen voor te gaan, ware ook op dit terrein hun roeping. Het Calvinisme in de i6de en 17de eeuw ging vooraan, beheerschte daardoor het leven. En dat we onder allerlei Doopersche en Methodistische invloeden thans het veld voor het ongeloof ruimden, is een schuld onzer vaderen, waarvan wij thans de bittere gevolgen dragen.

Juist daarom moet er dan ook met nadruk op gewezen worden, dat de tijdsruimte der eeuwen, die sinds den val verliepen, geen ledig kader kan vormen i: i de Besluiten Gods; dat die tijdsruimte van eeuwen die achter ons ligt, naar Gods Besluit een bedoeling, een bestemming moet gehad hebben ; en dat die bedoeling dan eerst begrepen wordt, zoo men verstaat, dat de voortgaande ontwikkeling van ons menschelijk leven in het plan Gods begrepen is. Dus ok dat de Historie van ons geslacht, die eze ontwikkeling tot resultaat had, niet it Satan, noch uit den mensch, maar uit God is; en dat het werk Gods in de Hisorie miskent, al wie deze ontwikJceling veroochent, en niet waardeert. De Schrift preekt van „de voleinding der eeuwen, " at niet zeggen wil, dat de eeuwen eens it zullen zijn, maar dat ze zich richten p een einddoel, en dat al wat in die euwen ligt, met dat einddoel in verband taat.

Tot die ontwikkeling nu prikkelt God en mensch, door den nood, door het ijden, door de ellende. Daarom is' het zoo oor en door verkeerd, in dat lijden eenigijk een oordeel te zien, waaronder we te uchten hebben, maar moet dat lijden eer erkend ils de vijand waartegen God ns ten strijde oproept. Edoch, en hier nu ringt de schoen, de middelen om tegen at lijden ons te beveiligen en te verween, en die God ons alleen kan aanwijzen, ijn ons niet op eenmaal van God geopenaard. Achtereenvolgens in den loop der euwen, heeft God ons telkens iets nieuws, ets meer van die middelen doen ontdeken. Noach was hierin verder dan Adam, ozes verder dan Noach, Salomo dan ozes, en zoo al voortgaande wij verder an onze vaderen. Niet alsof er iets nieuws eschapen ware. Al wat God ons ontdekte ag in de Schepping van den aanvang af

maar wij kenden het niet, en zagen het niet, en God heeft de eeuwen gebruikt, om ons gaandeweg al meer en telkens nieuwe dingen te doen ontdekken, waardoor ons menschelijk leven verrijkt kon worden. En dit nu, dat God ons in den loop der eeuwen nieuwe dingen, die we eerst niet zagen, ook al waren ze er, getoond heeft en ons liet ontdekken, dat is de ontwikkeling van ons geslacht geweest, dadrin alleen bestond de wezenlijke vooruitgang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 april 1899

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken