Bekijk het origineel

„Jesus de koning der Joden”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Jesus de koning der Joden”.

8 minuten leestijd

En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven : Deze is Jezus, de Koning der Joden. Matth. 27 : 37.

Naar den oogenschijn der wereld stelt wie Keizer is, alle Koningen in de schaduw. Eerst in den Keizer-titel vindt een machtige monarchie de voleinding van haar glorie.

Oostenrijk heeft zijn Keizer, Duitschland heeft zijn Keizer. Frankrijk had zijn Keizer. Engeland heeft zich voor zijn koloniën in een Keizerrijk omgezet. En ook Rusland's Czaar wordt, hoezeer ook ten onrechte, Keizer van Rusland genoemd ¹).

Zelfs breidt men dit nog verder uit, en spreekt thans ook van den Keizer van Turkije, den Keizer van China, den Keizer van Japan.

„Koning” is een bijna tweedehandstitel geworden. Koning van Pruisen. Koning van Saksen. Koning van Wurtemburg. Zelfs een Koning van Servië; - maar de Keizer van Duitschland.

Met het oog hierop is het opmerkelijk, dat in de H. Schrift nooit en nimmer op God en op zijn Christus een andere of hoogere titel dan die van Koning wordt toegepast. Als ook, dat om aan te duiden hoe de heerschappij des Heeren HEEREN ook over de Koningen der aarde gaat, nooit een andere uitdrukking wordt gebruikt dan die van „Koning der koningen en Heere der heeren”.

Het Godsrijk heet altoos het der hemelen." „Koninkrijk

En ook nu nog zou het ons vroom gevoel stuiten, ja zou het ondenkbaar zijn, om van God als Keizer, of ook om van „Keizer Jezus" te gaan spreken.

Toch verdient dit zeer de aandacht.

Immers, in de dagen toen Jezus op aarde was, en leed en stierf, stond de keizerstitel nog veel hooger dan thans. Er waren toen niet k vele keizers. Er was maar één keizer. Maar die ééne keizer voerde dan ook het bewind over heel de bekende wereld.

Wat had dan meer voor de hand gelegen, dan om ook op Jezus, die immers niet Koning over een enkel land zou zijn, maar juist Koning over heel de wereld, dien weidschen, dien doorluchten, dien hoogverheven titel \& n Keizer tot te passen.

En toch, dit is niet geschied.

Zelfs op Pathmos, bij de afsluiting der Bijzondere Openbaring, geeft de Christus zichzelf geen anderen titel dan dien van „Koning der koningen en Heer e der heeren"; en aan zijn geloovigen wordt toegevoegd, niet dat ze als keizers met den Keizer, maar dat ze als koningen met Jezus hun Koning heerschen zullen.

De oorzaak hiervan ligt voor de hand. De Koninklijke waardigheid is op natuurlijke wijze, organisch, uit het leven der volken opgekomen; de Keizerlijke macht heeft zich,

1) Dit laatste ten onrechte, want in de oudste Bijbelvertaling der Slaven, wordt de titel Czar steeds gebezigd om het woord Koning te vertalen, en staat voor Keizer Augustus enz. altoos Késar, mechanisch door overmacht en geweld, over de volken opgeworpen.

De Keizerlijke macht is het Caesarisme, het Imperialisme. En de schriklijke-krijg, thans in Zuid-Afrika gevoerd, toont op nieuw tot wat gruwel de Keizerlijke idéé als vanzelf leidt.

Het is daarom van hooge beteekenis, dat Pontius Pilatus, die, als vertegenwoordiger van Rome's Keizer, Jezus, met verkrachting van het recht, ter dood veroordeelt, als opschrift boven zijn Kruis plaatste: Deze is Jezits, de Koning der Joden.

„Ik toch heb mijn Koning gezalfd overSion" luidt Jehovah's betuiging in den tweeden Psalm, en die Psalm eindigt met den uitroep, dat de „Koningen der aarde" voor dien Koning van Sion de knie zullen buigen.

Tégenover dien van God gezalfden Koning nu had zich de wereldmacht onder den Romeinschen Keizer verheven, Ook Palestina was door den Keizerlijken adelaar overweldigd. En toen op Gabbatha Jezus voor Pilatus verscheen, stonden in Pilatus en Jezus deze twee machten verpersoonlijkt tegenover elkander. De Christus, aan wien God als zijn Koning alle macht gegeven had in hemel en op aarde, en de Landvoogd van den Romeinschen Keizer, die met wapengeweld de heerschappij over de geheele toen bekende wereld veroverd had.

En in verband hiermede sprak het zoo sterk, dat, onder de leiding des Heeren, de keizerlijke macht alsnu haar eigen oordeel boven het Kruis van Jezus liet aanslaan.

Of is het niet zoo, dat juist in het Koningschap, dat de Christus van zijn God ontving, de meest volstrekte en de scherpste veroordeeling lag van heel Rome's keizerlijke macht? Zeker, het was zoo niet bedoeld. Naar Pilatus' bedoelen was dat opschrift een woord van spot en hoon.

Maar zoo is het telkens in dit heilig drama. Caiaphas spreekt van „één die sterven moet voor al het volk, " en Pilatus schrijft van den „Koning der Joden"; en in dit ondoordacht woord van Caiaphas en van Pilatus, spreekt God, als door zijn onwillige instrumenten, zijn heilig mysterie uit.

Aldus stond de tegenstellmg ten opzichte van Rome's keizer; maar anders stond het in Messiaanschen zin.

„De Joden", zegt heel iets anders dan „Israël".

„Israël" is, voor het volk uit Abraham gesproten, de heilige, de door God zelven aan dat volk gegeven naam. „Joden" gingen ze heeten, toen hun eere vervallen was, toen vreemden over hen heerschten, toen de staat door Mozes geordend te niet was gegaan, toen hun geestelijk ideaal was verdonkerd, en toen ze hunhoogste verwachtingstelden in de komst van een aardschen Messias, die een rijk van aardsche glorie voor hen zou oprichten. Zoo was Herodes, de zoon van Edom, koning der Joden geweest.

Maar zoo is de Messias van den Psalmist, zoo is de Messias der profeten niet. Hij zou zijn de spruit uit den afgehouwen tronk van Isaï, de Koning Israels,

Tusschen het Sanhedrin en Jezus was daarom de tegenstelling niet Koning of Keizer, maar Koning der Joden of de Koning van Israël.

En zoo verstaan, was dat opschrift boven het kruis een smading. De naam van den valschen Messias geplaatst boven het kruis van den Messias, die door God over Sion gezalfd was.

De taal der zelfverblinding.

Van blindheid voor het Godsrijk, voor het Koninkrijk der hemelen, met oog en oor alleen voor de herstelling van den verbasterden, van zijn oorsprong vervreemden Joodschen staat.

Zoo werd, wat door Pilatus als hoon voor ezus was bedoeld, een hoon voor de Joodsche volkstrots.

Dat opschrift wekte der Joden woede op.

Zooals het er nu stond: „Deze is Jezus, de Koning der Joden", was het de Keizer, die met de aemechtige Joden zijn hoonend spel dreef. En daarom riepen ze: Neem weg wat er staat, en schrijf, dat Jezus zich zelf als Koning der Joden had opgeworpen.)

In die ergernis der Joodsche onmacht verkneukte de trotsche landvoogd zich. Hij zou het niet veranderen. Het zou zoo blijven. De oden hadden het met dien Jezus hem lastig gemaakt. En nu had hij er lust in, die woel zieke en prikkelbare Joden in hun machteloosheid te beschimpen.

Met die pretentie der Joden, van een eigen Koning te hebben, moest het voor eens en altijd uit zijn.

Dat was dan nu hun Koning, een Koning aan het Kruis!

Elk onzer zou hierin, staande aan het Kruis, allicht mede genoten hebben.

Slachtoffer van den feilen, fanatieken Joodschen haat, zou het voor elk ander allicht een voldoening zijn geweest, die bittere, vervolgzieke Joden aldus in het garen van hun eigen fanatisme gevangen te zien.

Maar uw geloof, uw liefde waarborgt het u aanstonds: Zelfs de opwelling van zulk een gevoel was in den Christus geheel ondenkbaar; in hem, die nog stervende voor zijn verbitterde vijanden bad.

Hij die weende om Jeruzalem, omdat het zich niet onder de vleugelen zijner liefde liet verzamelen, worstelde nog stervend aan het Kruis met zijn liefde voor zijn volk, dat in Hem en zijn Kruis den Messias der vaderen verworpen had.

Meer nog, den hoon van dat opschrift boven zijn Kruis, heeft hij, bij den aanblik van dat Kruis toen het omhoog ging en in den gegraven uil werd vastgetreden, dieper nog dan één der o verpriesters gevoeld.

Het was de smading van zijn Israël door den Romeinschen geweldenaar. Het was de smading van den door God gezalfden Messias door het in Joodsche dweepzucht zichzelf verdervende Israël.

Neen, die Joden zouden geen koning meer ebben. Verworpen van hun staat zouden ze als ballingen, eeuw na eeuw, onder de natiën omdolen, en alleen in den droom der Chiliasten zou het onheilige denkbeeld van een Koning der Joden nog nabloeien.

Stervend aan het Kruis zag en voorzag en doorzag Jezus den smadelijken ondergang van zijn Israël, dat zich aan hem den nationalen dood at.

Voor wie Israël minde, zooals alleen Jezus het minnen kon, een nieuwe bittere teug uit den drinkbeker, dien hem de Vader op de hand zette.

Maar ook, door den dood van Israël henen, zag Jezus, stervend aan zijn Kruis, de geboorte, het opbloeien, het eens gewisselijk tot triomf komen van het „Koninkrijk der hemelen".

En in dat Koninkrijk zou zijns de kroon der eere zijn, hem door den Vader zelf gereikt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1900

De Heraut | 4 Pagina's

„Jesus de koning der Joden”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 april 1900

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken