Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Mysticisme.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Mysticisme.

9 minuten leestijd

II.

Er behoort eenig nadenken toe, om zich duidelijk en helder rekenschap te geven van hetgeen onder verkeerde Mystiek te verstaan is.

Ze komt altoos op uit de stemming van psalm 42 van het „hijgend hert, " en daarom voegt het ons, alles wat met het Mysticisme in verband staat, met zekere teederheid te bejegenen.

„Dan mijn ziel verlangt naar God.'" Dat is de zielskreet. Het is het dorsten naar den levenden God. Het heimwee van de ziel naar gemeenschap met het Eeuwige Wezen. Een verlangen dat ook wel in vermetele nieuwsgierigheid ontaarden kan, evenals er menschen zijn, die in de diepte van Satan willen inzien. Maar in den regel begint het daar niet meê. Gemeenlijk komt dat er later bij.

De eerste opwelling is gewoonlijk behoefte om lief te hebben, 'n vagen oneindigen zin. Zooals er in htt ; ongel ngshart of in het hart van een jon/^edochter een vage behoefte om verliefd te iij •. kaïvpost vatten. Dat men niet verliefd is op een bepaald persoon, maar in het gemeer. Dat behoeft dan nog in het minst niet een verliefd zijn in zinlijken zin te wezen. We zeggen niet, dat dat er niet vaak onder speelt en er niet soms bij komt; gelijk de uitkomst dan ook leert, hoe de meest my stieke secten ten slotte in den dienst van zondige lusten zijn ontaard. Maar dat hoeft het niet te zijn. Wat God van Adam zeide, dat hij geen hulpe tegenover zich had, is in heilig reinen zin bedoeld. Onze aanleg als mensch is niet om op ons zelve te blijven. Men kan zijn aanleg wel ten slotte zoodanig wijzigen, dat men alsnu in het celibataire zijn geluk vindt, hetzij als man of als vrouw, maar dan is er altoos iets in ons geknakt; en veel hooger staat de mensch, die, gedrongen alleen te blijven, zijn teleurstelling hierover tot zijn dood toe bekent, dan de vergroeide, die er over heen i.s, en zich nu aangepast heeft aan zijn cnnatuurlijken toestand.

Een man is een half mensch, bij wie een andere helft hoort, en een vrouw is evenzoo slechts een half wezen, passende bij een wederhelft. Dit zit in heel het wezen, in heel onze natuur, en volstrekt niet in' een enkele neiging.

Daardoor nu is hetheimwee der genegenheid van ons wezen en van onze natuur onafscheidelijk; is er een verlangen dat om bevrediging roept; een uitgaan van het hart naar wat het weet en voelt, dat het alleen in een ander hart vinden kan. En al behoort het nu tot de hooge uitzonderingen, dat dit heimwee, dat verlangen, als het zich op een bepaald persoon concentre' rt, gespeend blijft aan elk gevoel van tekurstelling, toch blijft het waar dat deze per soonlijke concentratie hetnatuai'i, kstenhet gezondst is.

Maar aan dat richten van zijp hsrt en zijn genegenheid op één bepaald persoon, gaat bijna altoos vooraf een onpersoonlijk verlangen, een heimv/ee zonder een bepaald voorwerp waarvan het uitgaat. In het kleine kind is dit nog niet. Maar met de jaren wordt dit besef in het hart wakker, en het is uitzondering dat het wakker wordt geroepen door een bepaald persoon. Dat kan wel, en het komt voor, maar het is de exceptie. En van daar dat gemeenlijk, zoodra men zekeren leeftijd bereikt heeft, en het hart niet door hoogmoed en zelfgenoegzaamheid is verstikt, dat vage verlangen niet om bemind te worden, en dan lief te hebben, maar eerst het verlangen om zelf lief te hebben opkomt, en dan dat dwepende, dat onbepaalde, dat onbeteugelde karakter vertoont, dat zich verliest in niet te grijpen idealen. Dit spreekt veelal sterker bij het meisje, dan bij den jongen man. Het komt onder mannen meer onder Duitschers dan onder Nederlanders uit. En in Duitschland het meest bij de Saksers.

Met deze van nature opkomende behoefte om te lieven en te minnen, houa'c nu de vrome opwelling ontegenzeggelijk veri^^^n soms gelijken tred.

De liefde voor God en de Ikf J; v , o" den naaste liggen vast in geboden, ^vaarvat^ Je? us zelf gezegd heeft, dat het een aan h't and°re gelijk is.

Het is één leegte in het hart; één gegevoel dat er bij ons hart iets hoort, dat we zelf aan ons hart niet geven kunnen; één gewaarwording dat we geschapen en bestemd zijn, om voor iets anders te bestaan; ons aan een ander te geven; en het alleen-zijn te doen ondergaan in zalige gemeenschap.

En nu is er in een menschelijk hart, dat nog eenigszins zuiver werkt, tegelijk tweeër lei hieruit geboren aandrift, die beide uit onze schepping opkomen. Omdat we schepselen zijn, naar Gods beeld geschapen, dringt ons de ziel naar God; en omdat we man of vrouw geschapen zijn, dringt ons het hart naar het lieven van wie ons tot wederhelft kan zijn.

Die tweeërlei aandrift gaat nu uiteen en werkt zelfstandig, "oodra de drang om een mensch te minnen, 7ich geconcentreerd heeft op een bepaald persoon. Dan toch staat deze eindige liefde onderscheidenlijk over tegen dat lieven van den Oneindige, dat geen grens of niaat stellen kan.

Zoolang daarentegen de heimwee naar eei mensch zich nog niet gericht heeft op een bepaald persoon, en dus nog vaag, onbepaald en zwevend blijft, wordt vooral bij hooggestemde naturen dat onderscheid tusschen deze tweeërlei aandrift verzwakt. Het is dan eenerzijds dorst naar het lieven van den Oneindige, en anderzijds dorst naar het lie^nn van het onbepaalde. En zoo vloeien beide gewaarwordingen in elkander. Vooral de > ; zus-aanbidding vormde hier dan vaak den T^rbindingsschakel. Immers in Hem is én het Oneindige én het bepaalde. En de voorbeelden ontbreken in de historie niet, die toonen, .toe die tweeërlei aandrift waarvan we sprnken, zich in één aandrift oploste, die zich dan richtte op den Zone Gods en den Zoon des menschen. Een ineensmdting die, al naar zin en ziel was, de eene maal geleid heeft tot .dwepende, heilige aanbidding, de andermaal tot afglijden in achter het heilige masker loerende lust.

Het is dan ook in de levensperiode, die we hebben aangeduid, dat gemeenlijk de eerste zaden van het ongezond mystieke, d. i. van het Mysticisme, ontkiemen in het jeugdig hart. De ziekelij k-mystieke secten hebben zich deswege veelal op den jongen man en vooral, op de jonge vrouw van die levensjaren geworpen. Toch ging deze neiging bij de meeste der verleiden later weer over, zoodra ze huwden, of ook maar zich verloofden. Bij anderen daarentegen werd die ongezonde neiging later nog sterker gevoed, en het is in deze personen, dat het eigenlijke Mysticisme dan zijn dragers en tolken vond.

In tweeërlei richting ging dat dan bijna altoos uit elkaar. Het ziek geworden heimwee der ziel ging overhellen óf naar den geestelijken, óf naar den zinlijken kant. Ging het zinlijk over stag, dan kwam er een diep zondig verloop, dat ten slotte in de brutaalste onzedelijkheid eindigde. Ging het, overwinnend, in geestelijke banen, dan vlamde het op in heilige dweepzucht, die soms tot de verwonderlijkste zelfopoffering en zelfkastijding in staat stelde, maar bijna altoos met ongemeene zelfverheffing gepaard ging. Reeds in de eerste eeuwen der Christenheid borg meer dan één klooster mannen en vrouwen, wier heilige, dwepende toewijding u zou beschaamd hebben. Maar ook de ontzettende tafereelen, die onder Jan van Leiden's geestverwanten in Munster zijn afgespeeld, waren' én vroeger evenzoo bekend, én hebben zich ook daarna van eeuw tot eeuw, zij het ook op andere schaal, herhaald.

Ziet het menschelijk heimwee, naar de bij ons hoorende wederhelft, van alle concentratie op een bepaald persoon af, en lost ze zich in haar vaagheid op in het heimwee naar God, dan leent het aan de drift naar God iets hartstochtelijks. Maar ook, vloeit omgekeerd de liefde naar God in de menschelijke en op den mensch gerichte liefde in, dan eindigt ze met eiken slagboom van het zedelijke op zij te duwen, en wordt het onheiligste ten slotce geheiligd voor het dool geraakte zielsbesef.

Tot die uitersten komt deze onnatuurlijke vermenging van twee tochten in ons hart nie' dan exceptioneel, in bepaalde tijden, bij bepaalde personen, en onder bepaalde omstandigheden.

Weet de Kerk van Christus tucht over de zislen te oefenen, dan bestaat er voor ralke exces.'"en geen vrees.

Wel past het ons, om altoos uiterst voorzichtlg te zijn. Men weet, wat klej'ne vonk een grooten hoop houts kan aansteken. En nu en dan hoort men ook in ons land weer van opzienbarende verschijnselen die ons ter waarschuwing mogen strekken. Ook komen nu e dan, ook or.der Gereformeerden, sexuëele verhoudingen aan het licht, die toonen hoe ook de Duivel van het Mysticisme nog altoos als r-en brieschende leeuw rondwaart.

Maar toch, als zoodanig zou het geen algemeen gevaar mogen heeten, en niet met het Intellectualisme op één lijn te stellen zijn. Ook mag dankbaar worden erkend, dat de Gereformeerde Belijdenis en de Gereformeerde kerk-usantie aan elke ziekelijke mystieke neiging een heilzamen teugel aanlegt.

Het meer algemeene kwaad onder ons verloopt gemeenlijk noch in het ééne noch in het andere uiterste, maar bestaat in een onzuivere richting die aan de vroomheid wordt gegeven. Bij lieden die stug van hart zijn en geen zaligheid in het vrome vinden, komt dit gevaar dan ook niet voor. Maar als in een gezin, in een kring, in een gemeente metterdaad vrome zin mag heerschen, zoodat de Godsvrucht niet in uitwendigheid en redekavelen over diepe stukken opgaat, maar de consciëntie teeder maakt en naar God uitdrijft, en in liefde zieleweelde doet zoeken, — dan ziet men gemeenlijk, dat er overhelling óf naar het veel doen óf naar het veel genieten komt; en het is het verbreken van het juiste evenwicht tusschen deze twee, waardoor het Mysticisme dan een kans krijgt.

Er ontstaat dan zoo licht een aanstekelijke stemming, een imponeerende manier van omgang en samenzijn, iets overgeestelijks, dat u niet vrijmaakt, maar benauwt, en waaronder uw eigen ziel lijdt zoolang ge er u niet door laat verleiden.

En die altoos bedenkelijke geestelijke conditiën weten zich dan daarom met zooveel kracht te handhaven, omdat ze haar grond en oorsprong metterdaad vinden in het verlangen van veel zielen om nauwer, inniger, verborgen omgang met het Eeuwige Wezen te hebben.

En dat is natuurlijk heerlijk. Alleen in den weg waarin die gemeenschap gezocht wordt, ligt de fout.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juni 1900

De Heraut | 4 Pagina's

Mysticisme.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 juni 1900

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken