Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de gemeene Gratie.

16 minuten leestijd

LAATSTE REEKS.

XLV.

HET HUISGEZIN.

V.

Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Chris tus en op de gemeente. Epheze 5 : 32.

Wie van een „Christelijk Gezin", naar hoogere opvatting spreekt, heeft alzoD volstrekt niet enkel het oog op goede en billijke verstandhouding tusschen man en vrouw, ouders en kinderen, broeders en zusters, vrouwen en dienstboden, maar meer bepaaldelijk zelfs op het feit, dat het Hoofd des Gezins den Christus belijdt, en dienovereenkomstig de religie in zijn huis inricht. Natuuriijk stijgt het Christelijk karakter van het Gezin nog in intensiteit, zoo, behalve het Hoofd, ook de overige leden van het Gezin, tot zelfs de dienstboden, mede den Christus belijden, maar toch ligt ook ten deze alleen in het Hoofd des Gezins de beslissing. Al waren alle overige leden van het Gezin geloovigen, en het Hoofd des Gezins is ongeloovig, dan bezit, onder normale verhoudingen, zulk een Gezin niet het „Christelijk" karakter. Wel zijn er ook abnormale Gezinnen, waarin het Hoofd schier niet meetelt, en de vrouw of ook een der oudere kinderen den toon aangeeft; en indien dan het Hoofd zich niet verzet, en het gaan laat, dat een ander in zijn plaats trede en de religieuse vereering in het Gezin leide, dan zeer zeker kan zulk een Gezin zoo goed als Christelijk zijn, maar toch altoos slechts op gebrekkige wijze. De volle eere komt dan Gode in dat Gezin niet toe. Hiervoor ware het optreden van het Hoofd zelf noodig. De apostolische regel is en blijft: od het hoofd van Christus, Christus het hoofd van den man, en de man het hoofd der vrouw (i Cor. 11 : 3); een regel, dien de apostel uitdrukkelijk stelt met het oog op het nakomen der inzettingen, die hij voor Gemeente en Huisgezin gaf. Letterlijk toch schrijft hij: Ik prijs u, broeders, dat gij de inzettingen houdt, gelijk ik u die overgegeven heb, doch ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het hoofd van Christus.”

Gehandhaafd blijve alzoo in het Christelijk Gezin de regel, dat het Gezinshoofd tevens de van God aangewezen Gezinsprüster zal zijn; iets wat van zelf inhoudt, dat bij tijdelijke ontstentenis van den man, door ziekte, afwezigheid of bezigheid, of ook bij het verdwijnen van den man uit het Gezin door den dood, door gevangenschap, door verlating of door krankzinnigheid, de moeder als Gezins/wo/d, en dus ook als Gezinspriesteresse van Godswege in zijn plaats trede. En al verder, dat, waar óók de moeder niet kan optreden, dat recht en deze plicht overga op het oudste kind, of, zoo dit nog te jong is, op de oudste dienstbode. Dit laatste zeggen klinke niemand vreemd in de ooren; immers voor het beheer der geldelijke aangelegenheden volgt men geheel denzelfden regel, en vertrouwt men wel terdege soms ook aan de dienstbode de beurs toe. Want dit is het, waarop het hier aankomt: er moet een regel zijn, geen willekeur, en die regel kan daarom niet gemist worden, omdat het God zelf is, Die dezen dienst van zijn Naam in het Gezin heeft ingesteld, en aan Wien alzoo het onvervreemdbaar recht toekomt, om voor dien dienst de orde te bepalen. Dat dit voor ons besef tot een conflict kan leiden, geven we toe. Het is op zichzelf zeer wel denkbaar, dat de man zeer weinig geschiktheid bezit om in den huisdienst voor te gaan, en dat aan de vrouw deze geschiktheid in bijzondere mate eigen is. In zulk een geval nu zouden wij er allicht toe neigen, om te zeggen: lyaat dan de vrouw het overnemen, en de man er bijzitten. Maar dat juist rnag niet. De man moet als Gezinshoofd weten, dat die dienst voor zijn rekening ligt, en juist deze wetenschap moet er hem toe leiden, om er zich voor te oefenen. Is hij in het lezen geen held, dan moet hij hetgeen aan de beurt is, vooraf nalezen, om het op het vereischte oogenblik goed te kunnen doen. En zoo ook, mist hij de gave van het vrije gebed, dan moet hij een formuliergebed bidden. Maar in elk geval hij moet het doen; hij staat er voor; en hij moet het niet maar op goed geluk af doen, maar het doen zoo goed als hij met alle inspanning kan, ten einde zoo na mogelijk aan den heiligen, hoogen eisch van alle godsdienstige verrichting te beantwoorden.

Doch al is nu op die manier het Huisgezin tevens Huisier^ geworden, toch is hiermede niet iets aan het Gezinsleven toegevoegd, wat er niet krachtens zijn aard en natuur toe behoort. Godsvereering hoort bij het Gezin, en wel bij het Gezin als corporatie. Het is niet genoeg, dat de leden van het Gezin elk voor zich tot God bidden en Hem als God vereeren; óók het Gezin als geheel, het Gezin als lichaam, het Gezin als eenheid is hiertoe geroepen, en eerst waar aan deze roeping voldaan wordt, staat op het Gezin als zoodanig het Christelijk merk afgedrukt. Die eisch van gemeenschappelijke Godsvereering nu geldt voor elk Gezin, door alle eeuwen, en onder alle volken. Op wat gebrekkige en afgodische wijze het Gezinshoofd in heidensche landen hieraan ook poge te voldoen, toch handhaaft hij ook op die verbasterde manier den diepsten grondtrek van het Gezinsleven. En als nu de Godsvereering van het Gezin een Christelijke wordt, grijpt alleen deze verandering plaats, dat de Godsvereering nu een zoodanige wordt, als ze, voor zondaren die verlossing behoeven, naar Gods geopenbaarden wil zijn moet. In den staat der rechtheid zou van dat „Christelijk" geen sprake zijn geweest. Het Christelijke is herstelling van v; at te loor ging en tevens opvoering tot hooger standpunt, en dat juist is eerst mogelijk, waar de zonde vernielend intrad. Reden waarom aan een Gezin, dat uit zondaren en zondaressen bestaat, de onafwijsbare eisch zal gesteld worden, dat de Godsvereering er het speciale Christelijk karakter drage; en wel Christelijk niet in de eerste plaats als opleidend tot hooger deugdsbetoon, maar vóór alle dingen Christelijk als besprengende het Gezinsleven met het bloed der verzoening, en eerst als vrucht van die besprenging het Gezinsleven tot hooger volmaaktheid opleidende. Het Christelijk Gezin in deze_J)eduidenis is het „Gezin onder het teeken van het Kruis”.

Bedoeling hiervan is niet, dat de Huiskerk in de plaats trede van de Kerk in algemeenen zin. Beider begrip is geheel verschillend. De Huiskerk is de saamvatting van het lichaam des Gezins in religieus-Christelijke beteekenis; de Kerk, in algemeenen zin, is de saamvergadering der geloovigen van eenzelfde plaats. Zoo weinig doet dan ook de Huiskerk aan de Kerk als zoodanig afbreuk, dat veeleer omgekeerd het algea^en kerkelijk ieven door niets zoo krachtig gevoed wordt, als juist door de goedgeregelde Godsvereering in het Huisgezin. Steeds meer komt de neiging op, om de Godsvereering te beschouwen als iets persoonlijks, en te vergeten, dat God de Heere de Godsvereering ook in de gemeenschap van eenzelfde lichaam eischt. Het individualisme ondermijnt alle kerkelijk leven, en leidt er hoogstens toe om er het altoos veelkleurige leven der dusgenaamde „Gezelschappen" voor in de plaats te stellen. Nu is dit zoeken van zulke Gezelschappen als bijkomend hulpmiddel uitstekend, en ook kan het dienst doen, om een leemte aan te vullen, zoo de kerkelijke gemeenschap derwijs ontredderd werd, dat de wezenlijk geloovigen er buiten zijn gedrongen. Maar het leven in Gezelschappen doet kwaad, zoo het ook bij goedgeregelde kerkelijke toestanden het publieke kerkelijk leven poogt te verdringen, en zich in de plaats ervan stelt. Er komt dan almeer ook dit kwaad in, dat men een willekeurig gekozen bijeenvoeging van personen voor de van Godswege saamgevoegde gemeente in de plaats schuift. Men handelt dan niet uit het doen Gods, maar naar de keur van menschen. En dit nu uist wordt in het Christelijk Gezin afgeleerd, zoodra het besef opleeft, dat men als Gezin tot gemeenschappelijke Godsvereering ehouden is. Immers het Gezin is juist geen os, willekeurig saamgesteld gezelschap, maar en vaste vereeniging van personen, waarin od als met zijn eigen hand de vrouw aan en man heeft toegebracht, en aan beiden aam hun kinderen heeft geschonken. Wie at nu recht verstaat, wordt van zelf er oe voorbereid, om ook buiten het Huisezin de Kerk niet met het Gezelschap te verwarren, maar om in de Kerk wel waarijk te zien een vergadering van Christgeoovigen, die God vergaderde en alzoo saamhoudt.

Dat deze plicht der gemeenschappelijke Christelijke Godsvereering in het huisgezin tot tal van schier onoplosbare moeilijkeden kan leiden, valt niet te loochenen, maar is niet aan het Gezinsleven als zooanig, doch uitsluitend aan de zonde te ijten; en wie met deze moeilijkheden te orstelen heeft, zal niet morren, maar zich m der zonde wil hieronder verootmoedigen. et pijnlijkst is die moeilijkheid bij gemengde huwelijken. Ook dan toch blijft e regel gelden, dat het Hoofd des gev l l m g i a o g p t zins de leiding heeft en den toon aangeeft. Maar hoe nu, als hij Roomsch en zijn vrouw Gereformeerd is, of ook zoo hij, bij minder verschil, toch tot een ander kerkgenootschap behoort, en dus een andere belijdenis volgt dan zijn vrouw.? Hoe kwaad al zulke gemengde huwelijken zijn, voelt men dan ook nooit dieper, dan wanneer men scherp op deze verplichting tot gemeenschappelijke Godsvereering onder de leiding van het hoofd als Gezinspriester let. Doch ook bij niet gemengde huwelijken kunnen de moeilijkheden vele zijn. Dat men beide lid van eenzelfde kerk is, waarborgt nog volstrekt niet altijd, dat men beide even diep het stuk der religie opvat. Er kan bij den één groote achterlijkheid in het geloof, soms verregaande onverschilligheid zijn, terwijl de ander innig en teedcr voor Gods aangezicht leeft. Ook de kinderen kunnen, als ze opgroeien, moeite baren. Van de school kunnen de kinderen een waanwijsheid medebrengen, die tegen het geloof der ouders almeer in verzet komt, natuurlijk niet buiten de schuld der ouders, want zij waren het, die naar zulk een school hun kinderen heenstuurden; maar als de gevolgen van de ongeoorloofde keuze eener niet-Chfistelijke school uitkomen, treedt er toch stoornis voor de huislijke Godsvereering in. Bovendien kan gelijk verzet tegen het geloof ook intreden bij kinderen, die, niettegenstaande ze op een Christelijke school gingen, hetzij uit verkeerde gezelschappen, hetzij uit hun eigen onbekeerlijk hart, vonden tegen God opnamen. Dan komt er een breuke; dan wordt het heiligste in het Gezinsleven, wat vrede en rust en wijding moest geven, een bron van onvrede, twist en ontwijding; en draagt wie het dichtst bij God leeft, de bittei'ste smart. Toch baat ook dan geen klagen noch morren, en zullen de ouders in verreweg de meeste gevallen niet kunnen zeggen, dat zij vrij uitgaan. Meestal toch is zulk een jammerlijke toestand daarvan het gevolg, dat de godsdienstige opvoeding der kinderen te veel overgelaten en verwaarloosd is; dat de ouders zich te weinig moeite gaven om zelf in kennisse des geloofs te rijpen, ten einde ook hun kinderen te kunnen voorlichten, of ook, dat zij door verkeerd gedrag en voorgaan geen eerbied voor hun geloof aan hun kinderen wisten in te boezemen. Waar dan nog bijkomt, dat in niet zoo weinig gevallen het verzet van de zijde der kinderen ook dan nog zou zijn uitgebleven, indien de gemeenschappelijke Godsvereering een heiliger karakter had gedragen. Veelal toch komt dat verzet daar tenslotte het brutaalst uit, waar die gemeenschappelijke Godsvereering in sleurwerk ontaard was, elk bezield karakter miste, en niet gevoeld wordt, dat, als er een gebed werd gedaan, er werkelijk in dit gebed gebeden werd. Goed geleid zit in het kinderhart zulk een natuurlijk ontzag voor het heilige, dat, mits het heilige heiliglijk bediend worde, openlijk verzet zeer hooge zeldzaamheid zal blijven.

Ook de gezagsquaestie spreekt hier meê. Doen vader en moeder blijken, dat ze wel waarlijk met Goddelijk gezag bekleed zijn; den ernst, de hooge beteekenis en de diepe verantwoordelijkheid van dat gezag gevoelen; en het gebruiken niet om het aan eigen genot, gemak of willekeur dienstbaar te maken, maar om Gods recht ongerechtigeid in hun Gezin te handhaven, dan zal ook de heilige Godsvereering door dat gezag gedragen worden, en een kind niet zoo icht tegen het aldus uitkomend gezag worstelen. Geven daarentegen vader en moeer het Goddelijk gezag, waarmede zij bekleed ijn, of geheel prijs, zoodat ze den moed misen om het uit te oefenen en te handhaven, f misbruiken ze het voor egoïstische doelinden, dan heeft het ten slotte geen vat eer op het kinderhart, dan lokken e ouders tegenspraak, en als gevolg an die tegenspraak straks openlijk veret uit. Zulk verzet van den één is dan aantekelijk voor den ander. En is zoodoende et gezag in het gewone huislijk leven onderijnd, dan natuurlijk kan het zich evenmin oen gelden bij de gemeenschappelijke Godsereering. Wie een plant in den wortel wondt, ehoeft zich niet te verwonderen, zoo straks ij het opgroeien ook de vrucht niet aan de erwachting beantwoordt.

Zoo is dus het karakter van het Christeijk gezin reeds in tweeërlei beteekenis toegeicht. Het gezinsleven heet, ten eerste, in algeeenen zin „Christelijk", zoo het in zijn drie rondbetrekkingen .beantwoordt aan wat n Christelijke landen door usantie en wet ls eisch is gesteld. Het staat dan tegenver het Heidensche of Mohammedaansche ezin. En daarbij komt dan, in de tweede laats, het „Christelijk" gezin, in i? «f«'^ beeekenis, als het belijdende gezin, dat saam h z n b l h w i g t z en gemeenschappelijk, onder leiding van het hoofd als huis-priester, God den Heere in Christus zijnen lieven Zoon aanroept, en alzoo huiskerk wordt. Maar ook hiermede is het begrip nog niet uitgeput. Er kan toch in het Huisgezin Christelijke Godsvereering zijn, zonder dat er daarom nog een Christelijk saamleven is, en het behoeft wel nauwelijks gezegd, dat waar dit ontbreekt, de Godsvereering haar zegen weg heeft en te scherper het Gezinsleven veroordeelt. Het Onze Vader op het Gezinsleven toegepast, leert niet alleen bidden, ó-sX ook in het gezin Gods naam geheiligd worde, maar ook dat in het gezin Zijn Koninkrijk kome, en dat Zijn wil, gelijk in den hemel, zoo ook in het gezin volbracht moge worden. Dit nu doelt er in de eerste plaats op, dat de drie grondbetrekkingen van het Gezinsleven opgevat worden in den vollen zin van het apostolische woord. Men weet dan ook, hoe de apostelen herhaaldelijk de kerken vermanen, om juist ook die grondbetrekkingen tusschen man en vrouw, ouders en kinderen enz. naar den vollen regel van Gods heilige ordinantie te doen gelden, en ze te adelen door het Christelijk merk. Maar dit is nog slechts het begin der zaak. Wie saamleven in één huisgezin, leven ook als menschen saam, en zijn dus evenzoo gehouden, ook in den gewonen omgang als menschen, de beginselen van waarheidsliefde, eerlijkheid, hulpvaardigheid, vergevingsgezindheid en toewijding in toepassing te brengen, die aan elk Christen als eisch worden gesteld. En daarom is het «t goed voor God, als de leden van een Oiristelijk huisgezin op dat alles wel bedacht zijn tegenover vrienden en vreem den, maar het in hun omgang met de eigen huisgenooten minder nauw r.emen; een kwaad dat, helaas, maar al te veel voorkomt, o. Zooveel liefde en teederheid voor buiten de deur, maar in huis tegenover elkander zich zoo vaak alles veroorlovend. En natuurlijk, waar het zoo gaat, is de eere van het Christelijk gezin weggeworpen. En hierbij komt dan nog in de laatste plaats, dat van het Christelijk gezin de leden ook als geloovigen, of als tot het geloof geroepenen, zullen saamleven. Voor zijn eigen ziel verzekerd zijn, en zich om de zielen zijner huisgenooten niet bekommeren, is blijk van gemis aan liefde, en alzoo ongeloof. En ook waar men saam gelooven en belijden mag, volgt rechtstreeks de geloofsverplichting, om op elkander toe te zien, elkander te vermanen in teederheid en ernst, en ook, om saam die gemeenschap des geloofs in omgang en gesprek en saamwerking tot het goede na te streven, die van het Christelijk geloofs-en liefdele ven onafscheidelijk is. Men moet elkander op het hart dragen, geestelijk elkander voorlichten en steunen, en zoo gestadig arbeiden aan elkanders geestelijke opbouwing in J Christus. En juist hiervan geldt het vaak zoo droef, dat men dit, o, zoo gaarne tegenover vrienden betracht, en buiten de deur zoekt, maar onderwijl geestelijk van ijn eigen huisgenooten vervreemdt. Een i nnatuur, die er toe leidt, dat men zijn s eligieus leven almeer afscheidt van zijn v uiselijk leven, en zoo aan beiden schade s h a oebrengt. Van de dienstbaren in het gezin preken we nu nog niet eens, omdat ze niet ot het eigenlijke gezin zelf behooren, maar r een aanhangsel van zijn. Toch toont ons eeds het voorbeeld van Abraham, wat orge ook voor hen ons is aanbevolen ; en ergeten mag nooit, dat de apostelen, als e man en vrouw, ouders en kinderen op un weg voor God wijzen, nimmer nalaten ok op de goede, echt Christelijke vertandhouding van „heer" en „dienstknecht" an te dringen.

Onze slotsom is derhalve, dat het Huisgezin n drieërlei gradatie het Christelijk merkeeken ontvangt. Het is Christelijk in tegentelling met het heidensche Gezin, zoo het eeft naar de gezinswet en gezinsusantie, die n Christelijke landen ten regel zijn gesteld. et is Christelijk in tegenstelling met het ereldsche Gezin, zoo er gemeenschappeijke vereering van God in Christus nder de leiding van het Gezinshoofd als ezinspriester plaats grijpt. Maar Christeijk in geestelijken zin is het in tegenstelling et het dood-orthodoxe Gezin dan eerst, ls de Geest des Heeren in alle levensberekkingen doordringt en de liefde Christi eel het samenleven doorademt.

Dat nu zelfs in dien volsten en rijksten in niets bij het Gezinsleven bijkomt, dat iet naar Gods bestel tot zijn aard en wezen ehoort, blijkt overtuigend uit de symboische afstraling in het Gezinsleven van het eilige Gods. Dat God onze Vader zijn il. Hij die de eeuwige Vader van Christus s, en eeuwiglijk den Zoon genereert, laat een twijfel over, of de aardsche betrekking usschen ouders en kinderen is slechts een wakke afschaduwing in den beelddrager v n i z l l l d v e h Gods van wat in God zelf zijn grondvorm bezit. Het Huwelijk, zoo zegt de heilige apostel, is een verborgenheid, doelende op Christus en de gemeente, en in dien zin afschaduwing en uitstraling van het heilig Huwelijk tusschen God en zijn verbondsvolk. En waar ook in het Huisgezin broeders en zusters samenwonen, daar is die broederband in het natuurlijk leven eveneens slechts de afschaduwing en de uitdrukking van dien hoogeren broederband, die, in het mystieke lichaam van Christus, alle uit God geborenen vereenigt. Cats blijft de onvergelijkelijk rijke zanger, die van uit dat gezichtspunt heel ons menschelijk leven ontleed, weer saamgebonden, en in Christus gewijd en geheiligd heeft, zelfs in verband met het leven der natuur. Uit dat oogpunt moet dan ook het Gezinsleven beoordeeld worden; het Gezin namelijk, gelijk het in de Schepping des menschen zelf gefundeerd werd, door de zonde met ontbinding bedreigd was, door de Gemeene gratie in stand gehouden is, en nu door de kracht van het Evangelie niet alleen in oorspronkelijken luister hersteld wordt, maar zelfs tot hoogere Geestesbetooning opgevoerd worden kan, en daarom moet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 december 1900

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 december 1900

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken