Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Ders.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Ders.

10 minuten leestijd

In een tweede schrijven aan Dr. Bavinck zet dezelfde schrijver uit Munnikerzijl, zijne beschouwingen aldus voort:

Met bijzonder veel genoegen heb ik uw vriendelijken en duidelijken brief gelezen. Vergun mij echter, dat ik nog een enkel woord in dit blad aan u richt.

Het is echter niet om de verdeeldheid te ver meerderen. Integendeel, juist doordat de verschillende vraagstukken van verschillende zijden worden bezien, daardoor komt er. dunkt mij, meer helderheid, en indien de broederlijke liefde blijft, dan zal dit eerder tot opbouw dan tot afbreking zijn.

En juist, waar uwe stukken over souders of ge tuigen een punt betreffen, dat tegenwoordig veel wordt besproken, daarom acht ik het gewenscht, dat bij hetgeen u daarover f, eschreven heeft, ook de andere zijde wordt beschouwd.

Waar u duidelijk ook in uwe stukken hebt doen uitkomen »z'« beginsel'' niet te staan tegenover hen die er voor zijn, dat de kinderen dtr geloo vtgen zoo spoedig mogelijk gedoopt worden, daar is het vooral voor de Kerken in het Noorder niet verkeerd, dunkt mij, dat ook dit beginsel wordt gekend. Nu vind ik het zoo jammer, dat er zooveel misverstand heerscht en juist daardoor zooveel verdeeldheid teweeg gebracht wordt.

En door die verdeeldheid wordt de broederlijke liefde verstoord, en wanneer dan een Hoogleeraar oogenschijnlijk den indruk geeft, alsof het er niet op aan komt, wanneer de kinderen der geloovigen gedoopt worden, dan geeft dat weleens aanleiding tot min aangename verhoudingen in de gemeente.

Zeer verheugd was ik dan ook, dat u schreef, van harte er mede eens te zijn, dat de ouders zoo spoedig mogelijk hunne kinderen moeten laten doopen.

Juist dit had ik gaarne, dat u publiek in De Bazuin had geschreven. Wat thans worden uwe stukken door velen misbruikt om den doop uit te stellen. Dat was dan ook de reden, v elke mij noopte, om aan uw adres een stuk te schrijven, in de hoop, dat u duidelijk zoudt laten uitkomen, met zulke drijvers geen gemeenschap te willen hebben.

Ook ik ben een groot vijand van drijverij, zoowel van de eene zijde als van de andere zijde. En waar u als Hoogleeraar eene groote stem in het kapittel hebt, daar zoudt ook gij, zonder het te willen, aanleiding kunnen geven tot tegenovergesteld drijven.

De twisten in de gemeenten komen gewoonlijk niet door het volk, maar door de leiders. Wanneer de heeren Hoogleeraren met elkander verschillen, dan houdt deze het met den een, gene met den ander, terwijl zeer velen schreeuwen, dat zij het met dezen professor houden, zonder dat zij den professor begrijpen.

En waai mij in uwe stukken steeds bleek, dat de vrede van Jeruzalem u lief en dierbaar was, daar bevreemdden mij in de laatste tijden uwe stukken zeer.

Misschien heb ik het mis, maar er ontbr k dunkt mij, een vast beginsel aan. Ten minste ik kan met den besten wil ter wereld geen vast be ginsel ontdekken.

En toch, toen een predikant (ik kan mij zijn naam niet meer herinneren) u vroeg naar ophel dering van het beginsel van de D. K. O., verklaardct ge tegen dat beginsel niet te strijden.

Hoo komt het dan, dat personen, die het Hei hg Sacrament van den Doop feitelijk verlagen tot een gewoon onderscheidingsteeken, zoo verheugd zijn over uwe stukken ?

Hoe komt het dan, dat een blad als De Wekker er over juicht ?

Andere geschriften van uwe hand toonen wel degelijk, dat u den Heiligen Doop als sacrament als een Goddelijk teeken en zegel op de beloften des verbonds, in niets wilt verkorten.

Als sacrament plaatst toch ook u den Doop op één lijn met het Heilig Avondmaal.

Het is mij niet bekend, dat er enkelen zijn. die de moeder bij het doopen, indien deze aanwezig is, gewoon negeeren.

Dat is mijns inziens een dweepen met de letter van het formulier, zonder de beteekenis van de «ouders ' bij den doop tot zijn recht te laten komen.

En in zooverre uwe stukken hiertegen in ver zet komen, kunnen zij mijne volle sympathie weg­ dragen.

U hebt duidelijk uit de geschiedenis laten uitkomen, dat de ouders, dus vader en moeder, bij den doop verantwoordelijk zijn Toch had het, dunkt mij, meer doel getroffen zoo u uit het verbond zelve de beteekenis der ouders had aangetoond. Want nu heeft het al den schijn, alsof de doop meer voor de ouders is dan voor het kind.

Immers de doop is geen bevestigingsteeken op het ernstig voornemen der ouders om hunne kinderen in de vreeze des Heeren op te voeden. Ook zonder doop is ieder ouder hiertoe van Godswege verplicht.

Is dan de doop een soort plechtigheid, die ge bruikt wordt om aan de moeder de gelegenheid te geven haar eersten gang naar de kerk te doen, om God in t midden der gemeente voor Zijne uitredding te danken ?

Dit immers zou een misbruiken zijn van het Heilig sacrament.

De doop is toch een Goddelijk teeken en zegel op de beloften, welke God aan het zaad der ge loovigen schenkt.

Immers, als sacrament even zeker en vast en even Heilig als het Avondmaal.

(Niet dat alle gedoopte kinderen deze beloften hebben ontvangen. Ook alle Avondmaalgangers niet. Doch dit openbaart zich in het opgroeien van zelf, óf zij blijven als hypocrieten zich onder de geloovigen scharen en ook tegen dezen moet gepredikt worden. Doch hierover straks nog een enkel woord).

Nu zijn de kinderen of geheiligd in den man óf in de vrouw, óf in beiden.

Bij den stokbewaarder werd het gezin gedoopt na belijdenis van den man. Bij Lydia na belijdenis van de vrouw.

Is de vader alleen een geloovige, zoo wordt het kind alleen op zijne belijdenis gedoopt. Is de moeder alleen een geloovige, dan alleen op hare belijdenis.

Maar indien èn man èn vrouw kinderen des verbonds zijn, moet dan het kind gedoopt worden op beider belijdenis ? Is dan de belijdenis van den man als het hoofd des gezins en als representant van de moeder, niet voldoende ?

Misschien vragen sommigen : maar kan de man ook voor de vrouw het Avondmaal vieren ? Neen immers, want het Avondmaal is een persoonlijk deelnemen aan de gemeenschap met Christus.

De doop echter is iets, dat het kind en niet de ouders in de eerste plaats geldt.

De ouders hebben slechts hun geloof te belijden, en wat daarmede in verband staat, en op grond van Gods beloften aan het zaad van deze geloo vigen, wordt ook het kind als een geloovige beschouivd en gedoopt.

Dus het kind wordt gedoopt als een jeugdig Udmaat der gemeente of van het lichaam van Christus.

Welnu, waar de moeder geen lidmaat is van de gemeente, daar mag zij niet eens antwoorden op de vragen.

En waar zij wel lidmaat is, is dan de belijdenis van den vader niet voldoende, waar d^ze toch ook m naam der moeder spreekt ?

Is ook de doop niet een pleitgrond voor de ouders in hunne gebeden tot God ?

En is het dan te verantwoorden, dat men dien doop maar al uitstelt ?

U zegt, dat het meer een kwestie van praktijk is, maar zoudt u het dan ook niet beter achten, dat de praktijk zich zóó regelde, dat de eisch Gods zoo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd ?

Want juist het toegeven in de praktijk heeft in de geschiedenis steeds geleid tot een ergerlijk talmen met den eisch Gods. En indien wij 4 weken mogen wachten, hoe dikwijls gebeurt het dan niet, dat de moeder ziek is of te zwak, maar dat zij lederen dag hoop heeft van beter te worden, zoo dat de 4 weken spoedig klimmen tot meerdere weken. Dan kunnen wij toch geen grens aan geven.

Want de moeder, die spoedig klaar is, is er dan beter aan toe, dan eene zwakke moeder. En bovendien, wanneer het eene zwakke moeder is, en zij hecht veel waarde aan het Heilig sacrament van den doop, om dit zoo spoedig mogelijk (n. 1. wan neer zij zelve er bij tegenwoordig wil zijn) te laten bedienen, hoe dikwijls geschiedt het dan, dat eene moeder te snel hare woning verlaat, en later de gevolgen op het ziekbed moet dragen.

Doch boven dit alles geloof ik toch, dat er ook wel degelijk een beginsel in schuilt. U zegt, dat in het N. T. geen tijd is aangegeven.

Hoewel niet met ronde woorden, toch ligt het er bij gevolgtrekking wel in.

Allereerst is de besnijdenis een voorbeeld. Vervolgens, wanneer iemand in het N. T. zijn geloof had beleden, dan werd hij of zij terstond gedoopt, bijv. de Moorman, de stokbewaarder. Lydia enz.

En waar wij toch in beginsel aan den doop der bejaarden precies dezelfde waarde hechten als aan den doop van kinderen (er zijn toch immers gee-i twee verschillende doopen ? ) daar moeten ook de kinderen als geloovigen, als lidmaten van het lichaam van Christus, gereinigd door Zijn bloed en geest gelijk ons doopformulier zegt, zoo spoe dig zich daarvoor de gelegenheid aanbiedt, gedoopt worden.

Hierop hebben die kinderen van Godswege recht. En men onthoudt ze iets, wat zij moeten hebben, n. 1. de Goddelijke verzekering van hun lidmaatschap van de gemeente van Christus

Hierdoor heb ik thans, dunkt mij, voldoende aangegeven het beginsel, waarom ik er voor pleit, dat men zoo spoedig mogelijk zijn plicht doe.

Ik schrijf dit daarom publiek, ogdat wij ook de andere beschouwing zullen vernemen. En nu vind ik 't ten allen tijde verkeerd, dat men met zijne beginselen onverstandig gaat drijven.

Daarom is het echter niet verkeerd, om die beginselen uiteen te zetten, opdat zij zoodoende overdacht worden, en waar noodig verbeterd worden.

Thans nog een enkel woord over het bescliouluen der kinderen als wedergeborenen. U hebt uit dit schrijven reeds mijne gedachte kunnen vernemen.

En waar u mij vraagt: »Zijn zij het ook werkelijk en waarlijk ? ' mag ik u daar met eene wedervraag antwoorden ?

Toen de twaalf apostelen met Jezus rondwandel den, beschouwden de elf apostelen ook Judas niet tot aan zijn verraad toe, als een waarachtig discipel des Heeren ? Maar was hij het nu ook waarlijk en werkelijk ?

Nog eene vraag.

Indien het Heilig Avondmaal wordt gevierd, beschouwt u dan niet alle aanzittenden voor kinderen Gods ?

Maar zijn ze het nu ook waarlijk en werkelijk ?

Uit uwen brief meen ik te moeten opmaken dat ook u de kinderen der geloovigen (alle gedoopten zijn tegenwoordig geen kinderen der geloovigen, want op vele plaatsen doopt men maar voor 't vaderland weg) voor wedergeborenen houdt. Met het hart kunnen wij nooit rekening houden. Indien echter bij het opgroeien zich geen geloof openbaart, dan hebben wij ze als bastaarden en ni t als kinderen te beschowwen. (Dus ook hier weer een houden voor. De werkelijkheid is slechts aan God bekend.) Gelijk u dit met Prof. Rutgers duidelijk in het stuk over «tucht over doopleden ' hebt laten uitkomen.

Indien wij toch de kinderen niet beschouwen en opvoeden als kinderen Gods, dan krijgen de kinderen steeds den indruk, dat zij nog kinderen des Satans zijn, en dan moet er iets bovennatuurlijks geschieden, voor zij gelooven ook kinderen Gods te zijn.

Deze consequentie heeft in vele gemeenten al te veel kwaad gesticht, vooral hier in het Noorden.

Nu schrijf ik deze stukken niet, om mij tegen over u te plaatsen, want in beginsel staat u niet tegenover het hier geschrevene. Misschien drukt u sommige zaken anders uit.

Waar uw schrijven hoofdzakelijk gericht is tegen drijvers van vormen zonder wezen, dit schrijven is hoofdzakelijk gericht tegen hen, die aan de andere zijde drijven en gif uit uwe stukken zuigen om anderen te slaan

Met de bede, dat God in onze Kerken liefde en eendracht mag geven, blijf ik met verschuldigde hoogachting ....

In de reeks artikelen, die Dr. B. thans begon, zal dit alles ongetwijfeld tot helderheid komen. Toch vergete men nimmer, dat zelfs Calvijn niet dan in zijn laatste polemiek met Servet en Westphal tot het klare inzicht kwam, dat de gevolgen van het Verbond noodzakelijkerwijs een geestelijken achtergrond onderstelden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Ders.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 mei 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken