Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van ’s Heeren Ordinantiën.

22 minuten leestijd

VI.

Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk Mijner verbolgenheid; opdat hij den roof roove, en plundere de plundering en stelle het ter vertreding gelijk het slijk der straten.

Hoewel hij het zoo niet meent, en zijn hart alzoo niet denkt; maar hij zal in zijn hart heb ben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken. Jesaia 10 : 6 en 7.

Ging het in de twee voorgaande artikelen om wat uit 'sHeeren Woord, zoo als wij dat naar Gereformeerd belijden verstaan, voor het verband van de zedelijke wereldorde tot zijn Almacht valt af te leiden, daarvan brengt nu dit artikel het slot. Onder zedelijke wereldorde verstaan wij ook hier Gods ordening, voor de werking zijner zedelijke schepselen en meer bepaald voor hun willen en daaraan voorafgaand denken.

Wij hebben ia den loop van ons onderzoek gevonden, dat God niet slechts, met Souvereinen Wil, in Zijn Raadsbesluit de werking dier schepselen heeft gepraedestineerd, maar daar ook, met Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht inwerkt. Waaruit dan viel af te leiden, dat ook in het menschelijk willen evenzeer als in de werking der natuurdingen noodzakelijkheid, vastheid is.

Wijl verder Schrift en ervaring ons leeren, dat de noodzakelijkheid, die bij deze inwerking van de eerste Oorzaak op de tweede oorzaken ontstaat een andere is dan die bij de natuurdingen, daar toch bij de laatsten juist ontbreekt, wat aan de zedelijke schepselen niet mag worden ontzegd: de vrijheid en daarmede de verantwoordelijkheid, zoo zagen wij ons geplaatst voor het probleem van de Goddelijke Almacht en de menschelijke vrijheid.

Het ging daarbij om de vraag of en hoe deze twee termen voor ons denken te vereenigen zijn.

Allereerst bleek toen noodig, een onderzoek in te stellen naar het wezen van de vrijheid, en vfQltevst af gedacht van de sonde. Daarbij is toen slechts van de vrijheid om te willen of niet te willen en van de vrijheid om van twee dingen, die op zich zelf noch goed noch slecht zijn, het eene te willen en het andere niet te willen, gehandeld.

Wij vonden uit wat het ontstaan en verloop van het menschelijk willen ons leert en de practijk des levens ons van onderling vertrouwen bij de menschen te aanschouwen geeft, dat het wezen dier vrijheid niet moet worden gesteld in een atomistisch willen, d. i. een willen dat in geenerlei verband, los op zichzelf staat en dat gewoonlijk als de vrijheid der onverschilligheid of der eveneensheid wordt aangeduid, maar in vrijwilligheid of vanzelfheid als vrucht van redelijk overleg, of, wat men ook wel noemt, redelijk welbehagen.

Overmits nu bij dit laatste vrijheidsbegrip wel de natuurnoodwendigheid, maar niet de noodzakelijkheid ais gevolg van Gods voorbeschikking over en inwerking bij het menschelijk willen en handelen is uitgesloten en tevens de mensch daarbij de vrije, naaste oorzaak van zijn willen en handelen blijft, was daarmede de eerste vraag:0/de Goddelijke Almacht en de zedelijke vrijheid af gedacht van de zonde, voor ons denken te vereenigen zijn, toestemmend beantwoord.

Thans rest ons nog aan te wijzen hoe, altijd nog afgedacht van de zonde, de beide termen voor ons denken te vereenigen zijn om daarna de moeielijkheid, die het probleem ons denken biedt, onder de oogen te zien, wanneer wij rekenen met de zonde.

Wat nu het eerste betreft, laat zich dit het best verduidelijken door een voorbeeld, waartoe wij nog eens van het geval met dien boerenarbeider op een zomeravond onder de linden van het dorpsplein, ons bedienen.

Hij stond daar tusschen de keuze van te willen of niet te willen; tusschen de keuze van uit vele dingen die hem mogelijk schenen, een te willen en al de andere niet te willen, en hij eindigde met op te zoeken zijn oude moeder in de stad.

Hoe hebben wij ons nu bij deze wilsactie die God van eeuwigheid heeft voorbeschikt. Zijn inwerking te denken?

Op tweeërlei wijze en wel zoo middellijk als onmiddellijk.

Terwijl toch eerst allerlei voorstellingen zich in het bewustzijn van den man verdringen, verbleeken plotseling alle anderen, in aanmerking komen. zinken onder den dorpel van dat bewustzijn terug, .en staat daar, in hoogen graad van helderheid, alleen het beeld van zijn moeder.

Hoe komt het, dat hij zoo op eens aan zijn moeder denkt.?

Misschien zag hij juist een oude vrouw over het dorpsplein gaan, _, of viel zijn oog op de tabaksdoos, die zijn moeder hem onlangs gegeven had. In dit geval heeft er dus plaats gegrepen wat men noemt, een verbinding van voorstellingen. Dan, voor ons, die aan de Voorzienigheid gelooven, is dit niet toevallig, maar onder Gods bestel. Ook zoiïder dus de tusschenschakel der associatie of verbinding van voorstellingen te miskennen, moet gij ten slotte uitkomen bij God, als de laatste of eerste — al naar gij uw uitgangspunt kiest — oorzaak, die hier in het denken van dezen mensch middellijk werkt.

Maar bovendien is hier ook een rechtstreeksche inwerking Gods met Zijn alomtegenwoordige Kracht op het denkvermogen van dien mensch waardoor het tot een denken aan zijn moeder komt.

Terwijl daar nu de voorstelling van zijn moeder in zijn bewustzijn staat, paart zich aan die voorstelling een begeerte om haar te zien, een verlangen dat bevrediging eischt. Een begeerte, op hare beurt ontstaan uit het onlust-gevoel van haar nabijheid te missen. Een begeerte die hem met zijn verstand doet zoeken en zinnen naar de middelen om haar te verwezenlijken, in dit geval, naar de stad wandelen.

Hoe komt het, dat zich zoo opeens aan de voorstelling van zijn moeder paart het gevoel van onlust haar te missen.''

Er waren vele arbeiders op dat dorp, vreemdelingen als hij, die bij het denken aan hun moeder haar gemis volstrekt niet zoo voelden. Zonen, bij wie de moederliefde minder sterk is dan bij hem, omdat hun gemoed minder teeder is, of ook omdat zij minder teedere moeders hebben. Maar is het dan buiten Gods bestel, dat dit alles bij hem anders is.?

Bovendien, er waren vele oogenbhkken geweest, in de dagen toen hij werkte op het dorp, in welke hij aan zijn moeder gedacht heeft, zonder dat hij zoo sterk als op dien avond, haar gemis heeft gevoeld. En zoo komen [wij ten slotte dan weer uit bij God, als de laatste Oorzaak, die hier Zelf op het begeeren van dien mensch inwerkt.

Middellijk door de tusschenschakels van een ontvankelijk gemoed en een zonnige, door de liefde van zijn moeder bestraalde, jeugd, maar ook onmiddellijk door met Zijn Kracht dat begeeren zoo te sterken, dat die mensch met zijn verstand gaat zoeken, hoe hij haar bevredigen zal.

En als nu voorts allerlei beweegredenen op dien mensch, op Zijn Ik, aandringen om te willen of niet te willen; de begeerte om zijn moeder te zien tot willen; maar zijn vermoeidheid en de lange weg tot niet-willen hem bewegen en zijn verstand dan ten slotte beslist, — of liever hij zelf als scheidsrechter, als arbiter optreedt met dat verstand en hij bij de gedachte: mijn beenen zullen van een verre wandeling niet bederven, maar de oude vrouw kan sterven, tot willen besluit, — dan komt ge ook hier weer met uw denken uit bij God, die als de laatste oorzaak op het kiezen van dien mensch inwerkt. Middellijk door de tusschenschakels van een sterke moederliefde, van een door jeugd en gezondheid machtig zelfgevoel, maar ook onmiddellijk, door met Zijn Kracht in te werken op het. Ik, de persoonlijkheid van dien mensch en hem tusschen de tegenstrijdige motieven te doen kiezen.

Zoo verstaan wij, hoe die mensch, als nu straks zijn wil door middel van zijn beweegzenuwen zijn beenspieren in beweging zet en hij naar de stad gaat, handelt naar een noodzakelijkheid, als gevolg van Gods middellijke en rechtstreeksche inwerking maar ook, dat die mensch de vrije, naaste oorzaak van dit zijn willen én doen is. Hij toch wil het en doet het, door niets gedwongen, maar uit eigen beweging van zelf; en dat niet, zoo als het water ook van zelf stroomt, maar als gevolg van redelijk overleg, en dus niet met natuurnoodwendigheid; hij doet het met redelij ken lust, vrijwillig.

Thans gaat het om de vraag, of de noodzakelijkheid als gevolg van Gods Voorbeschikking over en Zijn Inwerking of Invloeiing in het menschelijk willen en handelen, voor ons denken is te verbinden met de vrijheid die aan dat willen en handelen niet mag ontzegd, ook waar ge te doen hebt met een zondig willen en handelen.

Het gaat daarbij èn om de vastheid der zedelijke wereldorde èn om 's menschen vrijheid en daarmede zijn verantwoordelijkheid, schuld en straf.

Wij hebben hier te doen met die derde onderscheiding van de vrijheid, een vorig maal reeds genoemd als: de vrijheid om van twee dingen, dij als goed en slecht, of zedelijk en on-zedelijk, tegenover elkaar staan, het eene te willen en het andere niet te willen..

Nu zijn zeker het zondige en het onzedelijke twee begrippen, die elkander niet volkomen dekken. Onder het on-zedelijke toch verslaan wij alleen, wat onder de kategorie van de verantwoordelijkheid valt, wat dus door den mensch als de naaste, vrije oorzaak gewild, waarvan hij het subject, de dader is. Het zondige ziet echter niet alleen op ons willen, maar ook op ons denken, maar ook op wat achter ons willen ligt, op de nog niet tot wil geworden begeerte, ook in haar eerste opkomen, ja zelfs op de hebbelijkheid van dat begeeren, waaruit als een brandstof al dat zondig begeeren opvlamt.

Van daar, dat wel al het onzedelijke zondig, maar nog niet al het zondige onzedelijk is. Wij kunnen het zondige, voor zoover het buiten het willen omgaat echter voorloopig laten rusten, en ons voorshands alleen bepalen bij de vraag, indien ook het willen en handelen van den mensch, waar het zondig is, door God is voorbeschikt en Hij bovendien ook daarin, gelijk in alle ding, de Werker is, of en hoe dan voor ons denken daarmede is te vereenigen, dat nochtans de mensch door God schuldig wordt gesteld en gestraft.

Verschillende oplossingen zijn hiervan door het menschelijk denken beproefd, waarbij men dan óf het bestaan van de zonde ontkent, óf Gods Voorbeschikking en Voorzienigheid loochent óf wel God tot auteur van de zonde maakt.

Men ziet, hoe de eerste twee slechts schijnoplossingen bieden, wijl zij eenvoudig een der termen vernietigen, en de derde een oplossing biedt, die wij, op grond van de Schrift, nooit mogen accepteeren.

Liever zij dan ook hier, zonder eenigen zweem van terughouding, erkend, dat een volkomen bevredigende oplossing van dit probleem "niet is te vinden voor ons denken. Dat wij hier staan voor een mysterie, dat alleen ware op te lossen bij een kennis van den mensch, als waarover wij, ten minste thans, nog niet beschikken, en een kennisse van (jod den Heere, die wat Hij van Zich zelf in Zijn Woord heeft geopenbaard overtreft, en dus hier op aarde der menschheid nimmer, zal worden geschonken.

Zonder dus ook maar den schijn aan te nemen van een oplossing te wagen, moeten wij toch de beide termen, al blijft hun verbinding in God ons ook verborgen trachten in te denken en wel tot aan dat punt, waar ons menschelijk kenvermogen zijn grens vindt; waar zelfs de Schrift ons geen hcht biedt. En dat is noodig om ons èn van God èn van den mensch bij dit probleem geen valsche voorstellingen te maken.

Gij moogt het willen en handelen der menschen ook waar het zondig is, aan Gods bestel en voorzienigheid niet onttrekken Dat toch is tegen de Schrift. Denk slechts aan Josef's zeggen tot zijn broederen: reest niet; want ben ik in de plaats van God.' Gij lieden hebt wel kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden. (Genesis 50:19 en 20). Aan al wat Joden en Heidenen, Herodes en Pilatus hebben gedaan bij den rechterlijken moord van Jezus, een handelen, waarvan gezegd wordt dat het wa.s, om te doen al wat Uwe hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou. (Hand. 4 : 28). En ook een bepaalde inwerking Gods op dat willen en handelen waar het zondig is, wordt in de Schrift nadrukkelijk geleerd. Van een David vloekenden Simeï staat geschreven: e Heere heeft hem gezegd: loek David (2 Sam. 16:10); van David zelf, als hij later zondigde door het volk te tellen: ij, de Heere, porde David aan, zeggende: a tel Israël en Juda. (z Sam. 24: ). De Heere verwekt Salomo in Hadad een tegenpartijder (i Ken. II : 14); heeft de heidensche wereld, te midden waarin Paulus leefde, overgegeven om hunne lichamen onder elkander te onteeren (Rom. i : 24); overgegeven tot perverse geslachtsdrift (vs. 26 en 2^); overgegeven tot alle onzedelijkheid (vs. 28). Hij, God de Heere, verstokte Farao's hart (Ex. I0: ) en Hij verhardt, wien Jiij wil. (Rom. 9 : 18).

Ge ziet dat het willen en handelen, ook waar het zondig is, volgens de Schrift, niet slechts door God is beschikt, maar ook niet buiten Zijn inwerking staat.

Maar evenzeer belijden wij Gereformeerden, Aanvragen en vermelding van l dat hoewel er niets — en dus ook het zondig willen en handelen — geschiedt zonder Zijne ordinantie, God noch ati-teur is, noch schuld heeft van de zonde; want Zijne macht en goedheid is zoo groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk beschikt en doet, wanneer ook de goddeloozen onrechtvaardiglijk handelen. (Ned. Gel.-Belijdenis Art. 13).

En ook dit belijden wij op grond van Gods Woord.

Met Elihu zeggen ook wij: erre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht (Job 34:10); met David: ij zij t geen God die lust hebt aan goddeloosheid; de booze zal bij U niet verkeeren (Ps. 5:5); en met Habakuk: ij zijt te rein van oogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien (i : 13). Neen, de Heilige Israels, dien de Serafs het driemaal heilig toezingen in Zijn tempel; de Heilige Vader tot Wien onze eenige hoogepriester heeft gebeden (Joh. 17 : 11), is niet de bevorderaar, de bewerker, de auteur van de zonde. Hij is niet de oorsprong van de zonde; de zonde is niet uit den Vader (i Joh. 3L : 16).

Maar bestaat er dan in het gereformeerde denken een tegenstrijdigheid.'' Beweegt het zich in een antinomie, een tegenstrijdigheid tusschen twee met gelijke strengheid bewezen oordeelen.?

God de Werker in ons willen en handelen ook waar het zondig is, en God niet de auteur de bewerker van de zonde.

Onze tegenstanders hebben heel vriendelijk altijd onze logica willen redden. Zij beweerden en beweren nog, te veel eerbied te hebben voor ons verstand, dan dat wij tegen een der eerste en eenvoudigste wetten van het denken zouden zondigen en twee met elkaar zoo tegenstrijdige oordeelen als waar zouden erkennen. Steeds heeft men ons Gereformeerden dan ook toegedicht, dat wij wel degelijk in ons denken God tot den auteur van de zonde maken. Bekend is op dit stuk een boekje dat anoniem, in het jaar 1619, verscheen, waarvan, meer dan waarschijnlijk, de Arminiaansche predikant Henricus Slatius de schrijver is, en dat tot titel heeft den gepredestineerden dief. Later, als wij toekomen aan de antithetische behandeling van ons onderwerp, zullen wij dit werkje, vooral met het oog op in onze dagen zeer verspreide en verdefelijke theoriën, nader bespreken.

Dat wij nu geen fout tegen de logica begaan met de beide stellingen: God de Werker ook in ons willen en handelen waar het zondig is, en God niet de auteur van de zonde — als waar te erkennen, zal duidelijk worden indien wij ons een begrip trachten te vormen van de zonde. Bij het probleem dat ons thans bezig houdt moeten toch twee zaken wel uit elkander worden gehouden.

Allereerst of, ook waar ons willen en handelen zondig is, het al dan niet onder Gods voorbeschikking en inwerking staat t In de tweede plaats of van dat zondige in ons willen en handelen God al dan niet de auteur is. Van deze twee vragen bevestigen wij Gereformeerden de eerste en ontkennen de tweede.

Zien wij nu wat zonde is.

Zij is geen wezen, geen ding, geen zelfstandige kracht. Ware zij dit, dan moest zij geschapen zijn, doch na de schepping zag God al wat Hij gemaakt had en ziet het was zeer goed (Gen. i 31). Zij is dan ook niet een soort gif, want wel vergelijkt de Schrift haar met melaatschheid, maar daarom is zij dat nog niet. De zonde is geen zelfstandigheid, er zijn slechts zondige engelen en menschen. Is zij dan een eigenscJiap van die wezens, gelijk b.v. vloeibaarheid een eigenschap van het water.' Ook dat kan niet, want wat aan de dingen eigen is, hun wezen uitmaakt, is Gods werk, die alle dingen schiep naar zijn aard. Daar zijn zondige menschen, en wijl nu niet het wezen dier menschen verloren is blijft niet over dan de zonde te stellen in zekere bijkomstige hoedanigheid, zoo als b.v. het troebel zijn van het water of het hinken van het paard.

Het willen, op zichzelf een wezenlijke eigenschap van den mensch, is dus gebleven. In de Canones van Dordt Hoofdst. III en IV § 16 wordt dan ook gezegd, dat bij de genade der wedergeboorte de wil en zijne eigenschappen (p r o p r i e t a t e s) niet vernietigd wordt. En in diezelfde Canones heet het in § 11: In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden (q u a 1 i t a t e s) en maakt dat dezelfde wil, die dood was, levendig wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde nu metterdaad wil; die wederspannig was gehoorzaam wordt.

Deze hoedanigheden nu welke het willen tot een zondig willen maken, dragen alle het karakter van het negatieve, d. w. z. van het niet-zijn, Het ia een missen van wat iefdegaven en Verslaan van Vereen. IS Ct.p. regel. moet wezen, gelijk het water dat troebel is, zijn helderheid mist; het paard dat hinkt zijn regelmatigen gang.

Nu kunt gij op tweeërlei wijze iets missen. Een mensch mist vleugels, maar hij heeft er geen hinder van, hij heeft ze nooit gehad, zij behooren niet bij hem; doch anders staat het indien een mensch zijn haren, zijn tanden mist, of wel een stuk van zijn huid. Dat alles toch heeft hij gehad, het hoort bij hem. Voor missen in den tweeden zin, heeft de taal dan ook een eigen woord.

Wij spreken dan van privatie, berooving. Zoo is dan de zonde een berooving van wat de mensch had toen God hem schiep; van wat hij moet hebben om voor God goed te zijn.

De zonde is geen kracht, en toch is er een kracht in de zonde. Denk maar aan uw eigen zondigen. Dan, wat in de zonde werkt, de energie, de drijfkracht waarmee ze voortstuwt naar den eeuwigen dood, is niet anders dan diezelfde goede kracht die God in u schiep, de zedelijke kracht, in den den ruimsten zin, maar nu omgeslagen in haar tegendeel. Omgeslagen in haar tegendeel, doordat uw natuur of het beginsel waardoor die kracht werkt zelf omsloeg; van God naar Satan, van het eeuwige leven naar den eeuwigen dood. Vandaar dan ook dat de zonde niet maar is een niet-liefhebben van God en uw naasten, maar vijandschap, tegen God. (Rom 8:7). Een {vijandschap die zich uit in het ingaan met uw wil tegen Zijn wil; Zijn ordinantiën die Hij in Zijn heilige wet der tien geboden voor de hoedanigheden van ons willen in den ruimsten zin, aan al wat mensch heet heeft geopenbaard. Een wet die onder God maar boven den mensch staat; ordinantiën des Heeren voor de zedelijke wereldorde, nu niet in den zin van zedelijk tegenover natuurlijk, maar van zedelijk tegenover onzedelijk; ordinantiën die Hij handhaaft met zijn heilig Recht. Dan, over deze zedelijke wereldorde kan eerst later gesproken. Thans wijzen wij er nog alleen op, dat juist omdat het is uw zondig willen, er actuositeit, d. i. een volheid van leven en beweging in di3.\. zondig willen is.

Een beweging, die van God af, als Hij u niet omzet, uitloopt in den eeuwigen dood.

Zien wij thans hoe God de Heere, waar hij inwerkt bij 's menschen willen en handelen, ook waar het zondig is, toch niet de bewerker van de zonde is.

Met even zooveel woorden wordt ons dat geteekend in het tiende hoofdstuk van Jesaia. Eerst wordt ons daar in het 6e Ji vers verhaald hoe Jehova, door middel van '^ de Assyrische wereldmacht Juda zal tuchtigen. Wanneer nu straks de legerscharen optrekken om buit te maken en roof te rooven, dan is die handeling als zoodanig voor God goed, want het kwaad, de gruwel van den oorlog komt daarmee als een straf over het goddelooze volk waarop Jehova verbolgen is. God heeft den Assyriër gezonden. Hij heeft hem besteld. Dat nu zulk een krijgsplan bij den Koning in Nini^e is opgekomen, geschiedde onder Gods bt^^tel; evenzoo had de Heere er Zijn hand in, dat die mensch er na redelijk overleg toe besloot, en het zonder dwang en dus vrijwillig, uit eigen beweging, deed. In dit alles is God verre van goddeloosheid en de Almachtige van onrecht.

En toch is het willen en handelen van Assyrië zondig. Immers de Heere roept er Zijn Wee over uit en kondigt in ditzelfde hoofdstuk zijn oordeelen over Assur aan. En nu doet ons vers zeven, veel duidelijker dan een lang betoog het vermag, zien hoe dat zondige er in komt.

Het is niet uit God, maar uit den mensch. Wanneer Assyrië zijn legers tegen Juda zendt, dan heeft het een ander doel dan om het te tuchtigen over zijn zonde tegen Jehova. Hoewel hij het zoo niet meent. Neen, hij bedoelt het niet zoo als Jehova het bedoelt. De gedachten en de overleggingen zijns harten zijn niet alzoo, dat het hem om de eere des Heeren te doen is. In de ziel van den Groot-Koning is het streven dat altijd aan het wereldrijk eigen is geweest en nog is, geen zelfstandige volkeren naast zich te dulden. Het streven om zijn overhoogheid, zijn overmacht, de paramount power over de volkeren uit te breiden. Hij heeft in Zijn hart te verdelgen en uit te roeien niet weinige volkeren, dat wil zeggen, zooveel mogelijk volkeren van hun vrijheid en onafhankelijkheid, hun volksbestaan te berooven. Hij wil met Juda doen, wat hij reeds met andere volkeren heeft gedaan, want Jehova is hem slechts een volksgod onder vele. Het is deze booze zin van de heerschzucht, die aan zijn willen en handelen, aan zijn opzichzelf goede, wijl door God gewilde daad, een zondige hoedanigheid geeft.

Nu was ook deze oostersche despoot een mensch. Toen hij, Jin de heerlijkheid vaa

zijn paleis, zijn plan overwoog, zijn allerlei beweegredenen op hem aangedrongen. Aan de eene zijde de gruwelen van den oorlog en zijn menschelijk medegevoel; aan de andere zijde de begeerte om de monarchie uit te breiden en zijn daarmede verbonden lustgevoel. Ook in zijn zedelijk bewustzijn stond: gij zult niet stelen, gij zult niet dooden, en moest hij dezen statenroof zedelijk slecht noemen. Hij stond voor de keuze tusschen goed en slecht. En met zijn verstand geeft hij een beslissing, een oordeel, een laatste oordeel en wel, dat het on-zedelijke op dit oogenblik voor hem het nuttige en voordeelige is; en hij volgt na dit redelijk overleg met zijn wil, dit oordeel, dat het nuttige boven het goede stelt; en hij is straks de vrije en naaste en daarmede verantwoordelijke oorzaak van al de ellende die over Juda komt.

Zoo blijkt dan, uit dit eigen Schriftwoord bij Jesaia; dat God zeer zeker inwerkt in het menschelijk willen en handelen ook waar het zondig is, niaar even zeker dat God van dat zondige niet de auteur is.

Dan, wat nu de moeielijkheJd voor ons denken biedt, is hoe God de Heere, die de zonde haat, haar slraft met tijdelijke en eeuwige straffen; wiens toorn, ook tegen de zonde van zijn uitverkorenen, zoo groot is, dat Hij die, eer Hij dezelve ongestraft liet blijven, in zijnen lieven Zoon Jezus Christus, met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft — hoe God die zonde heeft opgenomen in zijn wereldplan en dus zij het ook anders dan het goede, heeft ge\¥ild; haar gebruikt in zijn wereldbestuur; haar toelaat.

Want wel leert ons de Schrift, dat de oorsprong ook van het eerste zondige willen en handelen niet in God, maar in de engelenwereld ligt en vandaar door Satan in de menschenwereld is gebracht, toen hij Adam in Gods Paradijs ten val bracht. Maar ook hiermede is het raadsel ons niet opgelost, want ook die val van engel en mensch was door God voor-verordineerd, is een schakel in de keten der wereldgeschiedenis, is door God toegelaten, En dat niet maar toegelaten in negatieven zin, zoo^ als een machteloos toeschouwer het kwaad dat hij ziet gebeuren, wel toelaten moet, maar terwijl Hij het verhinderen kon, heeft Hij het, gelijk nog heden, al ons willen en handelen ook waar het zondig is, willen toelaten.

En verder staat hier ons denken voor de moeielijkheid, hoe de zondige mensch wel vrijwillig de zonde doet, en daarom schuldig en strafbaar is, omdat hij tegen Gods ordinantiën voor goed en slecht ingaat, want de zonde is de ongerechtigheid (i Joh. 3:4); maar toch met een noodzakelijkheid, al is zij dan ook niet die met welke de kwade boom kwade vruchten voortbrengt, zondigt.

Wij staan hier voor het verband van noodzakelijkheid en vrijheid dat, waar gij met de zonde rekent, voor ons denken niet is te vinden, al is het in God.

Aan de eene zijde Gods Souvereiniteit en Almacht, aan de andere zijde 's menschen vrijheid, en verantwoordelijkheid en schuld.

En dan zeggen ook wij: beter met een belijdenis van onwetendheid geëindigd, dan een oplossing gezocht, die met een vernietiging van het probleem gelijk staat. En terwijl we niets afdoen van het schrikkelijke der zonde maar ook evenmin van de vastheid der zedelijke wereldorde, zeggen wij in ootmoedige aanbidding, omtrent het doen van den Heere onzen God, met onze confessie: En aangaande 't gene Hij doet boven het begrip des menschelijken verstands, hetzelve willen wij niet curieuselijk onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan: maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbiediginge de rechtvaardige oordeelen Gods, die ons verborgen zijn, ons tevreden houdende, dat wij leerjongens Christi zijn, om alleen te leeren, 't gene Hij ons onderwijst in Zijn Woord, zonder deze palen te overschrijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1901

De Heraut | 4 Pagina's

Van ’s Heeren Ordinantiën.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 oktober 1901

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken