Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kerkelijke tucht.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kerkelijke tucht.

7 minuten leestijd

I.

Heel de reformatorische actie in i886 is Voortgekomen uit verzet tegen de voortdurende ontheiliging van het Avondmaal, die in de Hervormde Kerk plaats vindt.

Het Sacrament, dat Christus, gelijk ons Avondmaalsformulier zoo juist zegt, alleen voor zijn geloovigen verordineerd heeft, wordt in de Hervormde kerk zonder onderscheid aan geloovigen en ongeloovigen, aan goddeloozen en kinderen Gods uitgereikt.

Het is dat ergerlijke feit, dat in 1886 den kerkeraad van Amsterdam bewoog den strijd met de synodale machthebbers aan te binden. Men wilde niet langer aan deze ontheiliging van het Sacrament mede doen, en daarom weigerde men aan jonge leden, die bekend stonden als ongeloovigen, den toegang tot den Disch des Verbonds.

Daarop is de breuke gevolgd.

En hoe handig ook de Haagsche synode de aandacht van dit punt heeft afgeleid, door de beheersquaestie vèèr de belijdenisquaestie te schuiven, de historie zal ons eenmaal recht doen en erkennen, dat niet om het beheer, maar om het heilighouden van het Avondmaal de strijd gestreden is.

Het is goed dit telkens weer in herinnering te brengen, omdat alleen op dit punt de slapende conscientie der broeders, die aan deze reformatorische actie geen deel hebben genomen, nog altoos gevoelig blijft.

Dat de Synode in Den Haag zich de bestuursmacht heeft toegeëigend, die alleen Christus in zijn Kerk toekomt, laat hun koud, zoolang ze in him Kerk maar vrijheid hebben God te dienen, gelijk zij het willen.

Dat elders door moderne predikanten den kansel misbruikt wordt, om openlijk Gods Woord te bestrijden en der gemeente gif in plaats van gezond voedsel toe te dienen, deert hun Gallio's-natuur niet, wanneer Jmn predikant maar zuiver in de leer is en het Woord Gods recht snijdt.

Maar er is eén ding, dat hen wondt en schrijnt in de conscientie en waar geen doekjes of pleistermiddelen voor helpen, en dat is, dat het Avondmaal des Heeren in hun Kerk zoo schriklijk ontheiligd wordt.

Het feit zelf tegenspreken kunnen ze niet. Het Avondmaal is in de Hervormde Kerk een publieke tafel geworden. Er wordt niemand geweerd. Of men bij zijn belijdenis al openlijk uitspreekt, dat men de Godheid van Christus loochent, zijn opstanding uit de dooden ontkent, de verzoenende kracht van zijn kruislijden verwerpt, — de Kerkeraad staat er machteloos tegenover en hij moet straks ook aan zulk een de heilige teekenen van Christus lijden en sterven uitreiken, als ware hij een kind van God.

Hiertegenover nu staat het woord van Christus te scherp: Gij zult het brood niet voor de honden werpen en de paarlen niet voor de zwijnen.

Zelfs in haar diepste verbastering heeft de Kerk nooit gewaagd, aan dat woord te tornen. Van de vroegste tijden af heeft de Kerk bij het Avondmaal de wacht gehouden, opdat het „heilige alleen .den heiligen" zou gegeven worden. Zelfs de Roomsche Kerk staat geen communie toe, wanneer niet biecht en berouw zijn voorafgegaan.

Al wat men dan ook bazelt van een strenge voorbereidingspredicatie, waardoor de ongeloovigen wel zullen worden afgeschrikt; of van een ethische tucht, die alleen in vermaning moet bestaan, maar niet tot uitsluiting van de sacramenten leiden mag; of van een oordeel Gods over de Kerk, dat wij niet eigenmachtig mogen verbreken, helpt geen sier.

De conscientie van hen, die nog beven voor het Woord Gods, laat zich met zulke slaapmiddelen niet verdooven.

De gruwel, dat de Kerk, die van Gods wege geroepen is voor de heiligheid van het Sacrament te waken, niet slechts diUdt of toelaat, dat ongeloovigen het Avondmaal nemen tegen haar wil, maar zelve voor deze ongeloovigen den toegang tot het Avondmaal openstelt en hun met eigen hand het Sacrament geeft, spreekt te luide.

En indien een oogenblik de conscientie ook op dit punt mocht dreigen in te slapen, dan is onze trouwe Heidelberger daar om het hun telkens weer te herinneren, dat een Kerk, die ongeloovige en goddelooze menschen tot het Avondmaal toelaat, niet alleen Gods verbond ontheiligt en dus zelve schuldig staat, maar ook Gods toorn {verwekt over deganschegemeente, die door stilzwijgend toezien zulk een gruwel bestendigt in Gods huis.

Het kan dan ook niet anders of de groep in de Hervormde Kerk, die nog aan de Gereformeerde belijdenis vasthoudt, zal op dit tmt tot een strijd met de Synode moeten komen. De geprikkeldheid van hun toon, zoodra ge dit punt aanraakt, is het sterkste bewijs, dat hun conscientie geen vrede heeft met deze schending van Gods gebod. Een tijdlang moge de verleidelijke idee van een volkskerk hen nog gevangen houden, op den duur zal ook door hen worden ingezien, dat de volkskerk evenmin te verzoenen is met de tucht bij het Avondmaal, als vuur met water, en er daarom tusschen die beide gekozen moet worden.

Of een kerk, die heel het volk omvat, om het door de prediking tot Christus te brengen, maar dan ook geen tucht bij het Sacrament en een voortdurende ontheiliging van het Verbond Gods, waar de Kerk machteloos tegenover staat.

Of een Kerk, die de tucht handhaaft en de wacht houdt bij het Avjndmaal; maar die dan ook vanzelf niet heel het volk omvat, maar alleen dat deel, dat gelooft in den Christus en Zijn naam belijdt.

Wat hier worstelt tegen elkaar is het Luthersche en het Gereformeerde kerkbegrip.

Luther moge als ideaal hebben vastgehouden aan de gemeente der geloovigen en daarom de invoering der tucht gewenscht hebben, in de practijk zag hij geen kans dit ideaal te verwerkelijken en gaf hij het daarom prijs. In zijn Kerk was geen Kerkeraad, werd geen tucht geoefend, kon ieder tot het Sacrament toetreden op eigen verantwoordelijkheid.

De Kerk bestond bij Luther in de rechte _ prediking des Woords, in de zuivere bediening der sacramenten, maar niet in de vergadering der geloovigen, die saam Christus beleden als hun Heiland en Verlosser. En later is deze practijk tot theorie verheven, toen de schare der Lulhersche theologen de Kerk almeer ging beschouwen als een Heilsanstalt, een inrichting, die door de genademiddelen van Woord en Sacrament het heil aan de gemeente aanbood, maar niet als een Heilsgemeinschaft, als de gemeenschap dergenen, die het heil in Christus deelachtig waren en daarom één lichaam vormden onder één Hoofd.

Lijnrecht daartegenover staat de opvatting van Calvijn, die trots de moeilijkheden in de praktijk, geen oogenblik het ideaal van een gemeente van waarachtig geloovigen prijs gaf en het door de tucht te verwezenlijken zoekt. Bij hem zit de Kerk niet in het ambt en niet in de genademiddelen, maar in de vergadering der Christgeloovigen. E n Kerk, die de deur wijd open zet en alles opneemt ten einde de massa onder den invloed van het Evangelie te brengen en zoo paedagogisch op het volk te werken, is hem een onding. Zijn kerkbegrip wordt bepaald door «zijn geloof, aan de uitverkiezing Gods. God heeft uitverkoren niet allen, niet heele volkeren maar enkele personen. De scheidslijn gaat dus door het volk, door de familie, door het gezin heen. De één zal aangenomen en de ander zal verworpen worden. De Kerk naar haar ideale gestalte is dus niet de Kerk der geroepenen, maar de kerk der uitverkorenen naar de voorkennisse Gods.

Ongetwijfeld heeft Calvijn daarnaast even sterk vastgehouden aan de lijn des Verbonds. In de Doopersche eenzijdigheid, die het zaad der geloovigen buiten de Kerk sloot en oordeelen wilde over den persoonlijken staat der geloovigen, verliep Calvijn nooit.

Zelfs brak hij niet ruwweg met de his'orisch geworden toestanden. Waar de Roomsche Kerk heel het volk gekerstend en door den doop in de kerk opgenomen had en Calvijn's refo'rmatie niét een stuk der Kerk, maar heel dé Kerk ten doel had, daar moest Calvijn te Geneve wel beginnen met al en in de Kerk op te nemen.

Maar, en daarin komt het grondverschil tusschen Luther en Calvijn uit, Calvijn kent geen Kerk zonder tucht. Noch door de leer des verbonds noch door de historisch geworden toestanden laat hij zich een oogenblik van zijn lijn afbrengen. Wat als goddeloos of ongeloovig in de Kerk openbaar wordt, moet door de Kerk worden uitgebannen Dat is de strijd van heel Calvijn's leven te Geneve geweest. Een strijd, waarbij het hem zoo bittere ernst was, dat hij, toen de oppositiepartij met geweld de Kerk binnendrong en zich van het Avondmaal wilde meester maken, verklaarde, dat ze niet anders dan over zijn lijk aan brood en beker komen zou.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's

De kerkelijke tucht.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 november 1901

De Heraut | 4 Pagina's