Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Evolutie in nieuwe banen.

13 minuten leestijd

III.

Het groote vraagstuk, dat de Evolutieheorie tracht op te lossen, is het ontstaan er soorten. Darwin noemde daarom zijn meeserwerk The origin of species, de oorsprong er soorten. Met de vraag, of die oplossing elukt is, staat of valt de Evolutie-theorie. e Schrift zegt, dat de planten en dieren oor God ^t.iQ^^.-po.nTXi'o., elk naar zijn soort e leert, dat de soorten van den aanvang f naast elkaar hebben bestaan en wezenlijk nderscheiden zijn. De Evolutie-theorie ntkent dit; ze laat de soorten geleidelijk it elkander voortkomen en wischt de grensijn tusschen de soorten uit. Op dat punt taat de Openbaring Gods lijnrecht tegenver het dogma der Evolutie. Wie de chrift aanneemt, moet daarom de Evolutie erwerpen. En wie met de Evolutie medeaat, kan daarom de Schrift niet handhaven. r is hier geen transactie, geen bemiddeing, geen verzoening mogelijk. Het een luit het ander onverbiddelijk uit.

Tot dusver stonden de belijders der chrift hierbij in geen ongunstige positie. l mochten de voorstanders der Evolutie og zoo luide verkondigen, dat de wetenchap uitspraak had gedaan, en ieder, die aan deze uitspraak tv/ijfelde, buiten den kring der wetenschappelijke mannen sluiten, wie door dit marktgeschreeuw zich riet overbluffen liet, wist dat de hoogheid van toon slechts dietide om de onderlinge verdeeldheid en de armoede aan afdoende bewijzen te bedekken. Zoodra men vroeg, hoe deze ontwikkeling der soorten tot stand was gekomen, had ieder geleerde zijn eigen opvatting, zijn eigen theorie. Lamarck en Darwin, Haeckel en Weissman zongen het Evolutie-lied elk op eigen wijs. Aan onderlinge verkettering gaf men den heetstbloedigen theologen niets toe. En als men van het gebied der onderstellingen en hypothesen terugkeerde naar den vasten bodem der feiten, dan kon niet één experimenteel bewijs voor heel de Evolutie-theorie worden aangevoerd. Het ontstaan van een nieuwe soort, hetzij van plant of dier, was nog nimmer waargenomen De ernstige mannen der wetenschap, zoodra.de eerste roes der Evolutiebedwelming had uitgewerkt, namen dan ook een veel bedachtzamer houding aan. Geleerden van naam begonnen te twijfelen. Hier en daar werd reeds gefluisterd van een bankroet, dat de wetenschap ook op dit gebied had gemaakt.

Het gebrek aan experimenteel bewijs drukte hierbij het zwaarst. Of de voorstanders der Evolutie al wezen op allerlei variaties, die door kunststeelt konden verkregen worden, baatte hun geen zier. Dat er binnen den cirkel van het soortverschil allerlei veranderingen, afwijkingen en nieuwe types kunnen verkregen worden door zorg vuldige kweeking en paring, betwist niemand en was reeds eeuwenlang bekend. Maar hoe men ook door kunstteelt nieuwe variaties van planten en dieren, zooals bij de tulpen en hyacinthen, de duiven en schapen, in het leven riep, een tulp bleef een tulp, een hyacinth een hyacinth, een duif een duif, een schaap een schaap. Hield men met de kunstmatige kweeking op, dan keerde zelfs al spoedig het oorspronkelijke type terug.

Hetzelfde verschijnsel nam men waar in de natuur. Een kat, die in een ijskelder opgesloten werd, kreeg wel een dikkere vacht, maar bleef een kat. Een vos, naar de noordpoolstreken overgebracht, kreeg wel witte haren, maar bleef een vos. Nieuwe soorten ontstonden er niet. En wel kon men door kruising van nauwverwante soorten, als ezels en paarden, bastaardsoorten in het leven roepen, maar behalve dat deze bastaardsoorten meest met onvruchtbaarheid geslagen bleken en zich niet voorttelen konden, is eén gemengde soort geen nieuive soort, en daarom was het de Evolutietheorie te doen.

Het vraagstuk moet ook hier zuiver gesteld worden. Het gaat niet om den oorsprong der variaties binnen dezelfde soort, maar om het ontstaan der soorten zelf. De Schrift leert ons nergens, dat alle verschillende rassen, typen en variaties in dezelfde soort van den aanvang af door Godgeschapen zijn. Het duidelijkst blijkt dit-bij den mensch. De mensch is volgens de Schrift een eigen species, een eigen soort, scherp onderscheiden van het dier. Maar hoewel alle menschen saam één soort vormen en afstammen van éen ouderpaar, is er toch een ontzaggelijk verschil tusschen den Kaffer en den Chinees, den Roodhuid en den Javaan. Niet alleen in kleur van huid, in vorming van gelaat en schedel, maar zelfs in de psychische qualiteiten komt dit uit, in de geheel verschillende wijze, waarop een Chinees en een Europeaan denkt en voelt. Wanneer, trots dit scherpgeteekende verschil tusschen de rassen, de Schrift leert, dat alle volkeren uit éenen bloede zijn, dan volgt hieruit vanzelf, dat er volgens de Schrift binnen het soort „mensch" een mogelijkheid van variatie bestaat, waarvan de grenzen nauwelijks zijn aan te geven.

Hetzelfde geldt even goed van de planten en dieren. De Schrift leert wel, dat bij de schepping de grondlijnen voor de soorten getrokken zijn, maar geeft volstrekt niet aan, dat alle variaties in deze soorten van den aanvang af bestaan hebben. Eer het tegendeel. Zoowel in de planten-als in de dierenwereld moet, volgens de Schrift, ten gevolge van den zondeval een machtige verandering hebben plaats gegrepen. Eerst na de zonde brengt de aarde distelen en doornen voort. Dat deze distelen en doornen nieuw geschapen planten zouden zijn, zegt de Schrift niet, en de analogie van de verande­ ring in het dierenrijk wijsterveeleer op, dat in deze korte uitdrukking ligt saamgevat, dat de reeds bestaande planten voortaan een ander karakter zouden aannemen, waarin de vloek Gods over de aarde zich openbaarde'. Immers bij de dieren vinden wij hetzelfde verschijnsel. De wilde dieren, de leeuwen en tijgers, zijn niet pas na den zondeval geschapen. Gen. i : 25 getuigt uitdrukkelijk het tegendeel: n God maakte het wild gedierte der aarde naar zijnen aard. Dat dit wild gedierte bij zijn schepping nog niet verscheurend, vleeschetend en van roof levend was, mag worden afgeleid uit Gen. i : 30. Aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waar een levende ziel in is, heb Ik al het groene kruid tot spijze ; gegeven. Wanneer thans de roofdieren en roofvogels niet van het groene kruid leven, maar van levend vleesch, . dat zij verscheuren, dan moet dit ten gevolge der zonde zijn. In de heerlijke beschrijving, diejesaia geeft van het rijk des vredes, dat eens op den berg des Heeren geopenbaard worden zal, heet het dan ook, dat de berin en de koe te zamen zullen weiden en de leeuw stroo zal eten gelijk de os. (Jes. 11 : 7). Ook hier zien wij dus, dat een ontzaglijke verandering heeft plaats gevonden; een verandering, die niet alleen het voedsel raakt, maar met het voedsel tegelijk heel de organisatie van het lichaam zooals het gebit, de maag enz., en die zelfs den aard van het dier gewijzigd heeft.

Uit deze weinige aanduidingen der Schrift lijkt dus, dat de mogelijkheid van zeer ngrijpende wijzigingen binnen dezelfde soort door de Schrift niet afgesneden, maar veeleer geleerd wordt. De voorstelling, alsof alle thans bestaande variaties van planten en dieren reeds met de schepping gegeven waren, is daarom onhoudbaar. Veeleer valt uit de analogie van wat met dc/i mensch gebeurd is, bij wien uit het grondtype allerlei verschillende* rassen zich ontwikkeld hebben, , af te leiden, dat ditzelfde ook bij de planten-en dierenwereld het geval moet zijn geweest. De moeilijkheid schuilt daarin, dat waar de Schrift bij den mensch de eenheid van het oorspronkelijk type aangeeft, en verklaart, dat alle rassen uit dit ééne type zijn voortgekomen, zij dit bij de planten en dieren niet doet. Een lijst van de verschillende soorten, door God in den aanvang geschapen, geeft Genesis i niet. Wel worden met name genoemd de visschen ett ui-"* •, '^'3elen, de wilde dieren, het vee en de> Aïruipende dieren; maar welke verschillende soorten dezer dieren geschapen werden, zegt Gods Woord niet. De vraag of éen hond en een wolf, om slechts één voorbeeld te noemen, variaties zijn van één oorspronkelijk door God geschapen type, dan wel van den aanvang af zelfstandig naast elkander bestaan hebben, kan op grond der Schrift niet worden uitgemaakt. De Schrift is geen handboek voor plant-en dierkunde. Ze geeft ons geen classificatie der verschillende planten en dieren naar hun soort. Ze openbaart, ons alleen wat we noodig hebben te weten om God als Schepper te eeren, dat alle soorten van den aanvang af door Hem geschapen zijn.

Het is van het hoogste belang, dit helder in te zien, om den strijd tusschen de geloovige wetenschap en de voorstanders der Evolutie recht te beoordeelen. Dat inden loop der eeuwen, ; allerlei nieuwe variaties ontstaan zijn, en dat dit geschied is door evolutie of ontwikkeling uit vroegere typen, is met de Schrift niet in strijd. Zelfs moet a priori de mogelijkheid toegegeven, dat ditzelfde proces ook nu zich herhalen kan en dat in de natuur om ons heen het ontstaan dezer variaties thans nog kan worden geconstateerd. Al wijst alles er op, dat in het begin de plasticiteit der soorten veel grooter is geweest dan thans en nieuwe rassen bij menschen en dieren nu niet zoo licht meer tot ontwikkeling komen als toen de soorten pas geschapen waren, er is hier geen grens te stellen en het is mogelijk dat het proces ook in onze dagen zich nog voortzet. Al gelukte het daarom door experimenteel bewijs aan te toonen, dat de natuur ook thans nog nieuwe variaties vormde, dan zou daarmede nog niets bewezen zijn wat met de openbaring der Schrift in strijd was.

Maar voor de Evolutietheorie is met dit alles niets gewonnen. Wat de Evolutietheorie verklaren wil is niet de oorsprong der variaties, maar der soorten. Ze wil niet alleen verklaren, hoe de verschillende rassen en volkeren met al hun onderlinge afwijkingen zich ontwikkeld hebben uit den oorspronkelijken mensch, maar hoe deze oorspronkelijke mensch zelf op zijn beurt zich weer ontwikkeld heeft uit den pithecanthropus alalus, den sprakeloozen aapmensch, en deze aapmensch weer langs eindelooze lijnen van geleidelijke ontwikkeling afstamt van het laagst ontwikkelde organische leven. Om de origin of species, om het ontstaan der soorten, is het haar te doen.

Reeds hieruit blijkt, hoe onjuist het is, wanneer Prof. Hubrecht voor de Evolutie zich beroept op den pater Jezuïet Wasmann, die in het Biologisches Centralblatt een opstel leverde over de vraag: Giebt es thatsachlich Arten, die heute noch in der Stammesentwickelung begriffen sind? Wanneer deze geleerde beoefenaar der zoölogie in dit opstel de „stamtafel van een bepaalde insectengroep" geeft, en aantoont Hoe deze soort, deze Art zich ontwikkeld heeft en nog ontwikkelt, dan heeft deze „trouwe en militante zoon der Katholieke Kerk" daarmede volstrekt „geen lans gebroken voor de Evolutie" in dien zin, dien de voorstanders der Evolutie daaraan hechten. Niet over de Evolutie in een bepaalde soort, maar over den oorsprong der soorten zelf, loopt het geding.

En daarmede is ook aangegeven, waarom het bewijs voor de Evolutietheorie, door Prof. Hubrecht aan de ontdekking van Prof. De Vries ontleend, voor ons niet afdoende is.

De waarde dezer ontdekking wordt door Prof. Hubrecht hemelhoog verheven. Door de proevenreeks van Prof. De Vries is eerst, zoo heet het, „de zeer noodige en zeer gcwenschte consolidatie aan het gebouw der evolutieleer verschaft." Darwin heet de „andere Mozes, " die het beloofde land aanwees, maar „de laatste onmisbare schakel van zijn betoog niet meer tasten mocht." Prof. .De Vries is de Jozua, die ons het land der belofte heeft binnengevoerd, waar de Evolutie proefondervindelijk gedemonstreerd kan worden.

Nu nemen wij reeds dankbaar acte van de verklaring, dat de Evolutieleer totdat deze ontdekking kwam, die nog geen 15 jaar oud is, de „zeer noodige en zeer gewenschte consolidatie" miste; dat de laatste, maar toch onmisbare schakel tot op dat oogenblik ontbrak, en dat de tegenstanders dezer Evolutietheorie, die er steeds op wezen, dat het gebouw weinig soliede was, hoe hoog men ook van zijn innerlijke stevigheid opgaf, niet zoo geheel ongelijk hebben gehad. En of deze ontdekking van Prof. De Vries nu v/aarlijk de „onmisbare schakel" geeft?

Prof De Vries heeft op zijn wandelingen tusschen Hilversum en 's Graveland ontdekt — dit is het éénigproefondervindelijk bewijs — dat naast de gewone Teunisbloem een andere Teunisbloem bezig was het hoofd op te steken. Deze nieuwe soort Teunisbloem was niet aan kunstteelt, maar aan de natuur zelf te danken. Ze was geen „schommelvariatie", want de nieuwe soort bleef constant in haar kenmerken. Proeven later in den hortus genomen, bevestigden dit. Planten uit het zaad dezer nieuwe Teunisbloem gekweekt, vertoonden dezelfde afwijkende eigenschappen als de moederplant. Hier was dus de nieuwe soortvorming op heeterdaad betrapt. De werkplaats der natuur had het bewijs geleverd, dat aan het Evolutiedogma nog altijd ontbrak.

Intusschen, zal dit bewijs iets beteekenen, dan dient te worden aangetoond, dat we in deze nieuwe Teunisbloem niet te doen hebben met een variëteit van dezelfde soort, maar dat een geheel nieuwe soort bloem is ontstaan. Een nieuwe soort niet in dien zin, waarin men bij de kunstteelt wel spreekt van een nieuwe soort tulpen of hyacinthen, maar een soort even scherp onderscheiden van de oude Teunisbloem, als bijv. de narcis van het lelietje van dalen, de roos van de aster. Eerst dan natuurlijk is het bewijs, dat er nieuwe soortvorming heeft plaats gegrepen, proefondervindelijk geleverd.

Of dit zoo is, zullen wij een volgend maal onderzoeken, maar nu reeds kan geconstateerd, hoe uiterst zwak dit bewijs is. Prof. Hubrecht erkent zelf, dat al mocht het gelukken in het plantenrijk soortgelijke proefnemingen te herhalen, bij de dieren wereld „voorloopig" hieraan geen denken is. „De werkelijke mutatie waar te nemen, zeide hij, de soortvorming op heeterdaad te betrappen, zooals De Vries het voor zijn Teunisbloemen gedaan heeft, zal in het dierenrijk voorloopig wel tot de „pia vota" blijven behooren.”

Nu is het wetenschappelijk al zeer gewaagd, uit het ééne feit, dat in het plantenrijk (gesteld dat het beweren juist is) zich één geval van nieuwe soortvorming hteft voorgedaan, af te leiden, dat alle soorten in de planten-en dierenwereld op deze wijze zouden ontstaan zijn. En toch, ook daarbij blijft de Evolutie-theorie niet stil staan. Ze leert niet alleen dat alle planten uit één oorspronkelijke plant, alle dieren uit één oorspronkelijk dierlijk organisme en alle menschen uit één oorspronkelijk ouderpaar door soortvorming ontstaan zijn, maar ze loochent ook het principieel verschil tusschen plant en dier, tusschen dier en mensch. Alles, plant, dier en mensch, het laagste en het hoogst ontwikkelde organisme, is ten slotte niets dan een mutatie van het oorspronkelijk protoplasma, de eerste levende stof.

Hoe deze theorie, die heel de levende Schepping omvat, experimenteel bewezen kan heeten, omdat op de Hilversumsche heide een nieuw Teunisbloempje ontstond, waarvan het verschil met het oude zoo gering is, dat het volgens Prof. Hubrecht voor min-geoefende oogen niet eens valt waar te nemen, mag wel een raadsel heeten. Een raadsel, dat psychologisch daarin zijn oplossing vindt, dat men gaarne gelooft wat men wil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 april 1902

De Heraut | 4 Pagina's

De Evolutie in nieuwe banen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 april 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken