Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor Kinderen.

6 minuten leestijd

VAN ’T LAND OP ZEE.

VI.

’t Was nu voor onzen HeinriCh zaak werk te zoeken, om zoo het noodige tot onderhoud te vinden.

Straat in straat uit liep hij, hier en daar bood hij zich aan, maar langen tijd vergeefs. Eindelijk zei iemand, die aan zijn spraak v/el merkte dat hij geen Hamburger was:

„Je hadt beter gedaan in je plaats te blijven jongen. We hebben hier geen gebrek aan handen, of 't moeten sterke zijn. En je ziet er niet naar uit of je 't lang kunt volhouden.”

Nu begon onze vriend te begrijpen, waarom het overal tegenliep. Wat zou hij doen ? Gelukkig verloor hij zijn vertrouwen op den Heere God onder alles niet, hoe kommerlijk ook zijn leven was.

Ten slotte scheen het te zullen lukken. Hij kreeg een aanstelling als boodschaplooper in een winkel van gemaakte goederen. Doch reeds • na twee dagen was het weder uit. Hij kon, heette het, niet gauw genoeg de klanten vinden. Nu daarvan was iels waar; als vreemde-' ling was hij natuurlijk niet zoo aanstonds thuis in de groote stad. De hoofdzaak echter was zijn groote zwakheid, die hem niet toeliet zeer ' zware pakken te dragen.' Want wel was onze' Heinrich hersteld, maar de gevolgen van het onheil hem overkomen, bleven nog heel lang merkbaar.

Hij schreef naar huis om goeden raad. Maar vader wist geen beteren, dan eenig geld te sturen en hem voor te stellen het nog eens te beproeven. Zoo gebeurde dan ook, en Heinrich vond na eenigen tijd een plaats in een fabriek. Natuurlijk was het werk hem vreemd, doch hij deed al zijn best en het zou dan ook wel gegaan zijn, als hij maar goed gezond was geweest. Nu echter gevoelde hij zich al spoedig niet wel en m.oest naar huis. Toen dit nog eens gebeurde, zei de baas:

„Vriendlief! ’t spijt me wel, want ja wil is goed, maar je bent te zwak voor dat werk. Je kunt hier niet blijven.”

Zoo moest Heinrich dan weer wat anders aanvatten. Waar zou hij het vinden? Weer liep hij dagen lang zonder werk, tot hij ten laatste een schoenmaker ontdekte, die zich over hem wilde ontfermen.

Nu moest Heinrich dan 't pikdraad trekken en schoenen poetsen en laarzen rondbrengen, al naar 't viel. En hij deed het weer gewillig en trouw. Doch het duurde niet lang, of hij werd opnieuw ziek en zelfs zoo, dat de dokter er bij kwam. Die nu zei ronduit:

„Het schoenmaken deugt voor je niet. Je móet veel in de vrije lucht zijn, en in alle geval geen zwaar werk doen, dat het lichaam vei moeit, vooral niet veel loopen, althans niet in den eersten tijd.

Daar stond Heinrich nu. De tranen kwamen hem in de oogen. Wat bleef hem nu nog over? Gelukkig was de baas een vriendelijk man, die zei:

„Ik raad je, beproef je geluk ergens anders. Er gaan er op 't oogenblik zoo veel naar Amerika. Misschien is het daar beter."

En de dokter sprak:

„Dat zou heel goed wezen, ook om de zeereis. Alleen moet je daar niet na.ar het noorden maar naar het zuiden. Want daar is de lucht geschikt voor je en kun je geheel herstellen.”

Zooals we weten, was Heinrich al meer geraden, in de nieuwe wereld zijn geluk te beproeven. Hij geloofde nu, dat het 's Heeren weg was den gegeven raad te volgen. De baas deed zijn best. Schepen lagen er trouwens genoeg. Nu was de schoen.Tiaker eenigszins bekend met den stuurman van een brik die in de haven lag, en binnenkort naar Venezuela in Zuid Amerika vertrekken zou. Hij vroeg zijn kennis of er op dat schip geen plaats zou zijn, en de stuurman sprak er over met den kapitein.

Deze liet Heinrich bij zich komen, doch had in 't eerst niet veel zin in de zaak, wijl de jonkman er alles behalve flink en sterk uitzag. Betalen voor de reis kon onze Mecklenburger niet. Hij zou dus als matroos moeten, en dat kon, meende de schipper, niet gaan. Dochtoen Hfinrich voorsloeg mee te gaan, ook al verdiende hij bijna niets, en toen bleek dat onze vriend, die zich voortdurend had geoefend, nu zeer goed in staat was te schrijven enz., toen stemde de kapitein toe. Heinrich zou allerlei werkzaamheden te verrichten hebben, en aan 't eind van de reis zou men verder zien.

De brik stak in zee en weldra was Hamburg en de Duitsche kust uit het gezicht.

Had nu Heinrich gemeend, dat de zeeziekte hem, een zwakken jongen, geducht plagen zou, dat viel mee. Doch 't zou alweer blijken, dal gevaren waarop we niet rekenen, ons van allen kant bedreigen.

Een paar dagen was de brik in zee, men zeilde langs de Nederlandsche kust, toen Heinrich, die op het dek stond, in de verte een wolk bespeurde, die scheen te naderen en al breeder te worden. De stuurman zag het ook en zette een bedenkelijk gezicht, terwijl hij sprak: Mist! Een uur later hing over de Noordzee een mist zoo dicht, dat men geen scheepslengte ver zien kon, eindelijk zelfs de mast niet, als men bij het roer stond. Oppassen was de boodschap. Scherp tuurde de stuurman voor zich uit en kapitein en bootsman deden aan de voorsteven hetzelfde. Telkens klonk van het schip de misthoorn, ter waarschuwing voor andere vaartuigen. Want ongezien dreigde het gevaar van allen kant.

Op eens voelde Heinrich een schok, die hem bijna van de beenen wierp. En 't volgende oogenblik hoorde hij met schrik een angstig geroep uit vele monden tegelijk:

„We zitten vast!”

Zoo was het. In den nevel was het schip op een der vele zandbanken geloopen, die onze kust gevaarlijk maken. Gelukkig was de wind niet sterk. In 't eerst hoopte men nog. De mist zou wel optrekken en wellicht was het vaartuig weer vlot te krijgen. Maar 't duurde niet lang, of de kapitein, die naar beneden gegaan was, kwam terug en zijn trekken zeiden genoeg.

„Mannen, ” sprak hij kort en krachtig, „de brik is verloren. Ze werkt al dieper in 't zand en is lek gesprongen, 't Water staat al een voet in 't ruim. Zet de booten uit. We moeten met Gods hulp zien ons lijf te bergen en aan land te komen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 13 July 1902

De Heraut | 2 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 13 July 1902

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken