Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De oratie van Prof. Geesink.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De oratie van Prof. Geesink.

11 minuten leestijd

Amsterdam, 24 Oct. I902.

Voor de Vrije Universiteit is de overdracht van het Rectoraat nog iets meer dan een dorre Academische plechtigheid, waarbij de aftredende Rector voor het corpus Academicum een overzicht geeft van de fata gedurende het afgeloopen jaar.

Aan de Staatsuniversiteiten, waar de hoogere eenheid van beginsel geheel ontbreekt en ieder hoogleeraar zijn eigen weg gaat, moge de rector.ale oratie reeds lang hebben plaats gemaakt voor een jaarverslag, soms met een enkel geestig woord gekruid, maar toch xelden zich boven het niveau van een kroniek verhefifend, aan de Vrije Universiteit wordt de oude usantie gehandhaafd, dat de Rector bij het neerleggen zijner waardigheid een rede heeft uit te spreken, die uiting geeft aan het beginsel, waarvoor de Universiteit leeft en strijdt.

Vandaar, dat bij deze plechtigheid niet alleen een uitgelezen academisch gehoor, maar ook ons volk, dat de Vrije Universiteit lief heeft, in menigte opkomt, en het Gebouw voor den Werkenden Stand, dat bij zulke gelegenheden als Aula dienst doet, ook ditmaal gevuld was met een breede schare, die door haar trouwe opkomst haar warme sympathie voor onze Hoogeschoo! toont

De verwachting, dat de rectorale oratie ook nu weer een bezield pleidooi voor de Gereformeerde beginselen brengen zou, werd niet teleurgesteld. Gedachtig aan de zinspreuk : de boom en valt ten eersten slaghe niet, werd de strijd ten tweeden male aangebonden tegen de Evolutietheorie, het wijsgeerig stelsel, waardoor de ongeloovige wetenschap onzer dagen de wording aller dingen en de rijke verscheidenheid in de natuur ons te verklaren zoekt. Had Prof. Kuyper Sr. in zijn rectorale oratie enkele jaren geleden gewe.^cen op het ernstige gevaar, dat in dit jongste dogma der wetenschap voor heel onze Christelijke levensbeschouwing dreigt, Prof. Geesink concentreerde den strijd op een bepaald punt en toonde, welken invloed ten verderve deze Evolutietheorie inzonderheid op het gebied van het zedelijk leven geoefend heeft. O.m althans eenigen indruk te geven van den rijken inhoud dezer oratie, nemen wij ditmaal het korte verslag over, dat aan de Pers toegezonden werd:

Zegt Ratzenhofer in zijn ten vorigenjare verschenen Positive Ethik, dat de Ethiek aan Comtes positivisme en Darwins Evolutietheorie een nieuwe opleving dankt, Spr. meent in dit waardeeringsoordeel te moeten verschillen, doch acht het feit, dat het Darwinisme in verband met het positivisme zich doet gelden ook op het het gebied der ethica, onmiskenbaar en zoo voor de wetenschap als voor het leven belangrijk genoeg om het tot onderwerp van zijn rede te kiezen: de ethiek van het Darwitiisme.

Na een vluchtigen blik op de velerlei studiën, waaraan in onzen tijd de naam van ethiek is verbonden, en waarbij vooral op de theoretische ethiek met haar problemen omtrent den zedelijken mensch, het zedelijk oordeel en de norm der zedelijke handelingen wordt gelet, — wordt op de eigenaardigheid yan het Darwinisme ge wezen.

Is evolutionisme in het algemeen een hypo these of theorie omtrent de ontwikkeling van het hoogere uit het lagere — het differentieert zich naar de oorzaken waarvan men zich dit proces afhankelijk stelt. Tegen het evolutionisme in welken vorm ook staat de ons in de Schrift geboden openbaring van de Creatie en de Pro videntie.

Het evolutionisme verschilt, of men zich het proces mechanisch dan wel organisch, a teleolo gisch dan wel teleologisch voorstelt. De laatste socrt van evolutionisme vindt men bv. bij Wundt. Het draagt dan een ideëel karakter. De eerste soort is het evolutionisme van Darwin.

Na de rectorale over Evolutie, in 1899 door Dr. A. Kuyper gehouden, zou een critiek op de mechanische evolutie overbodig zijn. Spr. zal zich dan ook alleen bepalen tot haar toepassing op de ethiek.

Tot verdere kenschetsing tan het Darwi nisme in zijn eigenaardigheid gaat spr. na, hoe het mechanische evolutionisme ontstaan is bij Darwin zelf, den grooten natuuronderzoeker. Zijn reis met de „Beagle" in 1831 en het bezoek aan de Galapagos eilanden bracht Darwin in kennis met een flora en fauna van verwonderlijke variëteit en stelde hem voor de vraag, hoe deze verscheidenheid bij verwantschap was te verklaren. Het begrip van soort is een van die begrippen, waaromtrent in de natuurwetenschap geen scherpe definitie bestaat.

De vraag naar de variabiliteit was omstreeks 1836 niet nieuw meer. De hypothesen van La marck e. a. konden Darwin niet bevredigen. In een brief van Haeckel uit 1864 verhaalt hij, hoe de lezing van Malthus' „Essay on the prin ciple of population" hem in 1838 voor het eerst op de gedachte van den „strijd om het bestaan" bracht.

Waarneming en experiment brachten Darwin tot zijn theorie, die hij reeds in '40 vond, en eindelijk in 1859 in zijn Origin of Species bij means of natural selection publiceerde. Darwin was toen nog Theïst of liever Deïst. Hij geloofde aan een Schepper die eenige oorspronkelijke vormen had geschapen. Het „nieuwmaterialisme" in de laatste jaren na '50 in Duitschland ontstaan, heeft op Darwin geen invloed geoefend, terwijl het, zooals Spr. chronologisch aantoont, zijn besten tijd al achter zich had toen het in 1859 het mechanisch evolutionisme als een onverwacht bondgenoot dankbaar aanvaardde. Dan schetst Spr. verder hoe Darwin aanvankelijk op religieuse gronden en uit eerbied voor de geestelijk-zedelijke natuur van den mensch lange jaren weigerde zijn evolutie-theorie ook toe te passen op den mensch. Eerst in 1871, nadat anderen waren voorgegaan, aanvaardde hij deze conclusie in zijn Descent of Man. Deze verandering in Darwins religieuse overtuiging, waardoor hij van Deïst „agnosticus" was geworden, wordt in verband met de ethische dispositie van zijn geest, uit D's brieven nader toegelicht. Na een vergelijking tusschen Darwin en Wallace, die de mechanischeevolutieleer op den mensch niet toepaste, gaat spr. over tot Herbert Spencer. Na gewezen te hebben op de zeer onsystematische religieuse opvoeding, die de auteur der synthetische philosophie in zijn jeugd ontving, is het psychologisch niet onverklaarbaar, dat hij met zijn vroegrijpen geest op 17-jarigen leeftijd met het' positieve Christendom brak. — Daarna gaat' Spr. aanwijzen hoe het evolutionisme bij Spencer ontstond uit de lezing van Lyall's Geologie. Het was Lamarck's theorie waarmee hij toen eerst kennis maakte. In volkomen onafhankelijkheid van Darwin heeft Spencer zich zijn theorie van mechanich evolutionisme gevormd. Zij doorliep echter verschillende stadiën. Een meer ideëele, eerst theïstisch, later, onder invloed van Coleridge en Schelling, meer pan theïstisch getint was er aan voorafgegaan. De mechanische evolutie bij Darwin meer een werk hypothese, is bij Spencer, de „wijsgeer van het Darwinisme", tot een beginsel van wereld-en levenstheorie geworden.

Hierna gaat spr. over tot de beschrijving van de ethiek van het Darwinisme. Waar Darwin zich op dit gebied beweegt is het met een bepaald apologetisch doel. In zijn Descent of Man trachtte hij een verklaring te geven van het ontstaan van het geweten en den plicht. Daar voor nam hij drie factoren : de sociale instincten het gevoel van onbevredigheid, en de goed-of afkeuring der omgeving. Bij Spencers systeem kort saamgevat in de Data of Ethics uit 1879, later uitgewerkt in de Principles of Morality, wordt een vrij uitvoerig overzicht, gegeven, nadat eerst zijn verhouding tot Comte en Mill is geschetst. Met Spencers eigen vergelijking tusschen Physiologic en Pathologie wordt het verschil tusschen absolute en relatieve ethiek verduidelijkt. Bij zijn „psychologisch standpunt" wordt Spencers theorie over het ontstaan van den plicht en het geweten uit de „drie controles" — die van den aanvoerder, den geest van den gestorven aanvoerder, en van de gemeenschap uiteengezet en daarna op zijn leer van het verdwijnen van den plicht na volkomen aanpassing gev/ezen. Bij zijn „sociologisch standpunt" wordt zijn theorie van sociale evolutie van het militaire, het industrieele en het gemengde type tot het 3e rijk besproken. Eindelijk op zijn „verzoening" van egoisme en altruïsme, — en op zijn rationeel Utilisme als norm gewezen.

Na Spencer staat Spr. stil bij de Darwinis tische ethiek van Leslie Stephen met zijn leer van „the social tissue" of het sociale weefsel" bij Samuel Alexander en zijn voorstelling van den strijd om het bestaan tusschen de zedelijke ideeën. Ten slotte wordt de befaamde rede van Huxley: „Evolution and Ethics" vermeld. In Duitschland, waar de Darwinistische ethiek veld wint, worden de ethische beschouwingen van Haeckel van Jena, den Oostenrijkschen Carneri, van Benjamin Vetter en Gustav Ratzenhofer uiteengezet.

Ten slotte onderwerpt spr. de ethiek van het Darwinisme aan een beoordeeling.

Eerst toont hij aan, hoe en waarom zij sis theoretische ethiek geen oplossing van de problemen biedt. De psychologische heriditeitsleer is in haar toepassing op de zedelijke aanschou wing zoo avontuurlijk, dat bezonnen geleerden zooals de psycholoog Wundt haar verhouding tot de werkelijke neurologie gelijk stelt met die van Jules Verne's ontdekkingsreizen tot de werkelijke astronomie en geographic. De mechanische verklaring schiet te kort bij de zedelijke verschijnselen.

Daarna vergelijkt Spr. de ethiek van het Darwinisme met de Christelijk wijsgeerige; wijst op de verklaring die deze laatste voor de zedelijke verschijnselen biedt, stelt de onvereenigbaarheid van Darwinisme en Socialisme in het licht en doei uitkomen, hoe alleen de moraal van de Christelijke religie tot duurzame hulpe dringt in den socialen nood van onzen tijd.

Bij de vermelding der fata wijst spr. op het feit, d.it de Arnhemsche Synode tot de vereeniging tusschen de Theologische Faculteit der Vrije Universiteit en de Theologische School der Gereformeerde Kerken in Nederland wel besloot, maar het toch niet raadzaam achtte, om in de gegeven omstandigheden, pogingen te doen dit besluit uit te voeren. In de colleges van Directeuren, Curatoren en Professoren kwam geen verandering.

Aan Prof. Dr. J. Woltjer viel de hooge onderscheiding te beurt der benoeming tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Zuid Hollands Staten vaardigden hem af naar de Eerste Kamer. Uitbreiding van het getal der hoogleeren wordt althans in de theologische faculteit te gemoet gezien nu de heeren Dr. H. Bavinck en P. Biesterveld-hoogleeraren aan de Theologische School hun benoeming tot hoogleeraar aan de Vrije Universiteit hebben aangenomen.

Door den rector waren 19 studenten voor het eerst ingeschreven in het album academicum, en wel 5 voor de theologie, 1 voor de letteren, 10 voor de rechten, 2 voor rechten èn theologie en 2 voor rechten èn letteren.

Gerescenseerd werden 109 studenten.

In de litterarische hadden 2, in de juridische faculteit had i promotie plaats.

Na een toespraak tot de studenten waarbij spr. het overlijden memoreert van de heeren Milo en Ilessels, draagt Dr. Geesink het rectoraat over aan zijn opvolger Prof. Dr. H. H. Kuyper.

Natuurlijk geeft zulk een beknopt overzicht niet meer dan een dor skelet, en eerst wanneer deze oratie in het licht verschenen is en rustig gelezen en bestudeerd kan worden, kan haar volle beteekenis worden verstaan.

Maar reeds thans mag geconstateerd, dat Prof. Geesink goed deed, met dit zeer actüeele onderwerp aan de orde te stellen; dat hij toonde volkomen op de hoogte te zijn met de breede literatuur, die over dit onderwerp uitkwam, en dat hij, zonder ooit in zijn critiek den toon van waardeering te laten ontbreken, toch met vaste hand beginsel tegenover beginsel plaatste en op de gevaren der Evolutionistische Moraal wees.

Aan de vruchten zult gij den boom kennen, dat woord van onzen Heiland geldt ook hier. In het zedelijkheidsbesef, dat God door zijn gemeene gratie in den mensch bewaarde, ligt een der adelbrieven onzer menschelijke. natuur. Een tijdlang moge door schoonschijnende theorieën dat den mensch ingeschapen besef verdonkerd worden, maar wanneer deze theorie in daden zich omzet, die tegen heel den aard van ons zedelijk leven indruischen, dan reageert daartegen onze menschelijke natuur.

Zoo moet elke afdwaling van den menschelijken geest ten slotte dienst doen om des te . heerlijker te doen schitteren de Majesteit van de Wet des Heeren. In die Wet Gods liggen alleen de vaste fundamenten voor ons zedelijk leven. En elke Moraal, die niet van deze Wet Gods uitgaat, baart voor het zedelijk leven den dood.

Prof. Geesink heeft aanspraak op onzen dank, dat hij met zooveel ernst op dit gevaar wees. Men zegge niet, dat voor ons volk het gevaar gering is met deze theorieën mee te gaan. De Evolutiemoraal zit in de lucht; ze dringt ongemerkt in alle verhoudingen des levens door; ze doet haar invloed gelden op Staatslieden en onderwijzers, bij de rechtbank en in de school.

Het was daarom een goed werk, dat Prof. Geesink het prinipiis obsta ons toeriep. En voor onze Hoogeschool was het een eere, dat ze op het gebied der wetenschap opnieuw het pleit op mocht nemen voor wat de heiligste goederen der menschheid zijn.

Te meer zal na deze rede gevoeld zijn, hoe groot de behoefte is aan een Gereformeerde Ethiek, die, uitgaande van de beginselen van Gods Woord, winste doet met wat het verleden als schat ons overleverde, maar tegelijk rekening houdt met de eischen van onzen tijd en de vraagstukken, c^ie thans aan de orde zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 oktober 1902

De Heraut | 4 Pagina's

De oratie van Prof. Geesink.

Bekijk de hele uitgave van zondag 26 oktober 1902

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken